Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5383

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
362572 - HA RK 10-157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Verzoeker is er niet in geslaagd aan te tonen dat zijn moeder tijdens zijn minderjarigheid namens hem heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

JKL

zaaknummer / rekestnummer: 362572 / HA RK 10-157

Beschikking van 14 februari 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. R.P. Dielbandhoesing te Den Haag,

t e g e n:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Partijen worden hierna ook aangeduid met "[verzoeker]" en "de IND".

1. Het procesverloop

1.1.[verzoeker] heeft op 22 maart 2010 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat hij sedert 1986 over de Nederlandse nationaliteit beschikt, met veroordeling van de IND in de kosten van dit geding. Aanvullingen op het verzoekschrift zijn ontvangen bij brieven van 30 juni 2010 en 3 augustus 2010.

1.2.De IND heeft zich bij brieven van 25 mei 2010 en 20 juli 2010 op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en dat het verzoek daarom dient te worden afgewezen.

1.3.De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

1.4.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats gevonden op donderdag 9 december 2010. Namens [verzoeker] is verschenen mr. Dielbandhoesing en namens de IND mr. C.M. Meijer.

2. Het verzoek en het verweer

2.1.[verzoeker] voert aan dat hij op [geboortedatum] 1979 in de republiek Suriname is geboren als natuurlijk kind van [moeder van verzoeker], van Nederlandse nationaliteit. Bij zijn geboorte verkreeg hij, gelet op de nationaliteit van zijn moeder, de Nederlandse nationaliteit. Op 7 oktober 1981 is hij erkend door [vader van verzoeker], van Surinaamse nationaliteit. Door deze erkenning verkreeg hij de Surinaamse nationaliteit. Medio 1986 hebben zijn ouders namens hem een optie uitgebracht voor de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] stelt dat hij door die optie op grond van het bepaalde in artikel 27 lid 2 (oud) van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vanaf medio 1986 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

2.2.De IND stelt dat niet is gebleken dat de moeder van [verzoeker] gedurende de in artikel 27 lid 2 (oud) RWN bedoelde optieperiode aantoonbaar de wil heeft geuit om ten behoeve van [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. Een optieverklaring is in het nationaliteitenregister van de Minister van Justitie niet aangetroffen.

3. De beoordeling

3.1.[verzoeker] heeft eerder, op 27 november 1998, een verzoek tot vaststelling van zijn Nederlandse nationaliteit ingediend. Bij beschikking van 10 november 1999 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen, omdat [verzoeker] door erkenning door een Surinaamse man in het bezit is gekomen van de Surinaamse nationaliteit. Anders dan in de eerste procedure voert [verzoeker] nu aan dat zijn ouders medio 1986 namens hem hebben geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.

3.2.De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande gegevens. [verzoeker] is op [geboortedatum] 1979 in Suriname geboren als natuurlijk kind van [moeder van verzoeker]. Hij verkreeg bij zijn geboorte, gelet op de Nederlandse nationaliteit van zijn moeder, op grond van artikel 1 aanhef en onder c van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI), de Nederlandse nationaliteit. Op 7 oktober 1981 is [verzoeker] erkend door [vader van verzoeker], van Surinaamse nationaliteit. Door deze erkenning verkreeg [verzoeker] de Surinaamse nationaliteit. Op grond van artikel 3 aanhef en onder a van de Surinaamse nationaliteitswet (Landsverordening van 24 november 1975, tot regeling van het Surinamerschap en het Ingezetenschap) en gelet op het bepaalde in artikel 2ter WNI, wordt [verzoeker] door deze erkenning geacht vanaf zijn geboorte in het bezit te zijn geweest van de Surinaamse nationaliteit. In de beschikking van 10 november 1999 heeft deze rechtbank dienovereenkomstig overwogen.

3.3.Ter zitting heeft mr. Dielbandhoesing verklaard dat [verzoeker] inmiddels op grond van het per 1 oktober 2010 geldende artikel 6 lid 1 onder i RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. De rechtbank dient derhalve thans te beoordelen of [verzoeker] reeds eerder, vanaf medio 1986, in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit.

3.4.Op grond van het bepaalde in artikel 27 lid 2 (oud) RWN kon de Nederlandse moeder van [verzoeker] in 1986 ten behoeve van [verzoeker] opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Het afleggen van een dergelijke optie was op dat moment vormvrij. Wel moet echter kunnen worden aangetoond dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat de moeder van [verzoeker] de wil had om [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit te doen verkrijgen. [verzoeker] voert daartoe aan dat zijn moeder in 1986 naar de Nederlandse ambassade te Paramaribo is geweest om aldaar namens hem voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.

3.5.Uit een door de IND overgelegde brief van 16 april 1999 van het Centraal Bureau voor Burgerzaken te Paramaribo blijkt dat aan de moeder van [verzoeker] op 29 februari 1984 een Surinaams paspoort is afgegeven. Dit paspoort was volgens de IND geldig tot 29 februari 1989. Hieruit valt af te leiden dat de moeder van [verzoeker] in die periode werd aangemerkt als Surinaams staatsburger. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de moeder van [verzoeker] terwijl zij in het bezit was van een Surinaams paspoort en er derhalve van uitgegaan zal zijn dat zij de Surinaamse nationaliteit bezat, in 1986 ten behoeve van haar zoon heeft geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. Om een dergelijke optie met succes te kunnen uitbrengen diende zij immers zelf aantoonbaar in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank neemt hierbij tevens in overweging dat in de eerdere procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap van [verzoeker] door de raadsman is verklaard dat de moeder van [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 27 lid 2 (oud) RWN bedoelde optieregeling, omdat zij niet bekend was met die regeling.

3.6.Ook de door [verzoeker] overgelegde verklaringen van de schoonmaakster, een kennis, een voormalig werknemer van het Centraal Bureau voor Burgerzaken en de eigenaar van een juwelierszaak, geven onvoldoende zekerheid om te kunnen concluderen dat de moeder van [verzoeker] in 1986 bij de Nederlandse ambassade te Paramaribo bedoelde optie heeft uitgebracht. Degenen die de verklaringen hebben opgesteld zijn immers geen van allen met de moeder van [verzoeker] op de ambassade aanwezig geweest. De verklaringen van de moeder van [verzoeker] en haar echtgenoot zijn, zonder aanvullend bewijs, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat het de bedoeling was ten behoeve van [verzoeker] voor de Nederlandse nationaliteit te opteren.

3.7.Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om vast te stellen dat [verzoeker] reeds sedert 1986 over de Nederlandse nationaliteit beschikt, dient te worden afgewezen.

3.8.De proceskosten zullen zodanig worden gecompenseerd dat partijen elk de eigen kosten zullen dragen.

4.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af en bepaalt dat partijen elk de eigen kosten van deze procedure zullen dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Koppen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.