Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5342

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
AWB 11/1563
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU9586, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grensdetentie / eerste beroep / Terugkeerrichtlijn van toepassing / terugkeerbesluit niet vereist

In artikel 2 van de Terugkeerrichtlijn is de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn omschreven. Verweerder heeft er op gewezen dat het tweede lid van dit artikel de lidstaten de mogelijkheid biedt te besluiten de richtlijn niet toe te passen in geval van - kort gezegd - grensdetentie, waartoe de maatregel van artikel 6 van de Vw 2000 moet worden gerekend. Niet in geschil is dat Nederland deze uitzonderingsmogelijkheid niet in nationale wetgeving heeft omgezet. Anders dan verweerder heeft betoogd brengt dit echter niet mee dat, zolang implementatie van de uitzonderingsmogelijkheid niet heeft plaatsgevonden, aan verweerder beoordelingsruimte ten aanzien van de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn toekomt en deze toepasselijkheid dus niet onvoorwaardelijk zou zijn.

De rechtbank overweegt dat artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn voor het opleggen van de maatregel geen terugkeerbesluit vergt, maar dat jegens de vreemdeling een terugkeerprocedure loopt. Uit artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een dergelijke procedure in beginsel aanvangt met een terugkeerbesluit. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de toegang tot Nederland is geweigerd, is voor het starten van een terugkeerprocedure het uitvaardigen van een terugkeerbesluit evenwel niet vereist, nu het besluit tot toegangsweigering naar het oordeel van de rechtbank impliceert dat een terugkeerprocedure is aangevangen. In het besluit tot toegangsweigering ligt immers besloten de aanzegging het grondgebied feitelijk en onmiddellijk te verlaten. Dit betekent dat voor het toepassen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 geen afzonderlijk terugkeerbesluit is vereist indien voorafgaand aan die toepassing een besluit tot toegangsweigering is uitgereikt. De beroepsgrond treft om deze reden geen doel.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/1563

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

V-nr: 275.198.6420

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1979, van (gestelde) Iraakse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. W.M. Blaauw, advocaat te Haarlem,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde], werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 6 januari 2011 is eiser op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Bij beroepschrift van 14 januari 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 27 januari 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig

M. Essebai als tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

In deze zaak gaat het om een grensdetentie op grond van artikel 6 van de Vw 2000. Op deze grensdetentie is nu de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) van toepassing. Lidstaten zouden op de voet van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn kunnen besluiten de richtlijn niet op de grensdetentie toe te passen. Nederland heeft dat echter niet besloten. Dit brengt mee dat een terugkeerbesluit aan de grensdetentie vooraf diende te gaan. Nu aan dit vereiste niet is voldaan is de bewaring vanaf de oplegging onrechtmatig.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

In geval van grensdetentie als bedoeld in artikel 6 van de Vw 2000 is geen terugkeerbesluit vereist, omdat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is. Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn biedt aan lidstaten de mogelijkheid te besluiten de richtlijn niet op de grensdetentie toe te passen. De Terugkeerrichtlijn is daarom ten aanzien van de grensdetentie niet onvoorwaardelijk. Omdat er beoordelingsruimte is voor de lidstaten kan in zoverre geen rechtstreekse werking worden aangenomen. In dit verband is van belang het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) van 12 december 1990 (Kaefer en Procacci/Frankrijk, C-100/89 en C-101/89, Jurispr. P. 1990 I-04647, r.o. 26).

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, dienden de lidstaten de Terugkeerrichtlijn uiterlijk op 24 december 2010 te hebben geïmplementeerd. De rechtbank stelt vast dat verweerder de Terugkeerrichtlijn nog niet in nationale wetgeving heeft omgezet. Dit betekent dat een vreemdeling met ingang van 25 december 2010 een rechtstreeks beroep toekomt op voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen van de Terugkeerrichtlijn (HvJ, onder meer 19 januari 1982, zaak nr. 8/81, Jurispr. 1982, blz. 59 e.v. op blz. 70-71; Becker).

4. In artikel 2 van de Terugkeerrichtlijn is de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn omschreven. Verweerder heeft er op gewezen dat het tweede lid van dit artikel de lidstaten de mogelijkheid biedt te besluiten de richtlijn niet toe te passen in geval van

- kort gezegd - grensdetentie, waartoe de maatregel van artikel 6 van de Vw 2000 moet worden gerekend. Niet in geschil is dat Nederland deze uitzonderingsmogelijkheid niet in nationale wetgeving heeft omgezet. Anders dan verweerder heeft betoogd brengt dit echter niet mee dat, zolang implementatie van de uitzonderingsmogelijkheid niet heeft plaatsgevonden, aan verweerder beoordelingsruimte ten aanzien van de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn toekomt en deze toepasselijkheid dus niet onvoorwaardelijk zou zijn. Verweerders stelling vindt ook geen steun in het arrest van het HvJ van 12 december 1990 (Kaefer en Procacci). Dat arrest betrof de rechtstreekse werking van een bepaling van gemeenschapsrecht, die zelf een beoordelingsmarge bevatte en niet, zoals in het onderhavige geval, de rechtstreekse werking van een bepaling met een apart daarvan bestaande, maar niet geïmplementeerde uitzonderingsmogelijkheid.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is in artikel 2 van de Terugkeerrichtlijn de werkingssfeer voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk bepaald. Gelet op de - hierboven besproken - in het tweede lid gegeven mogelijkheid grensdetentie uit te sluiten, kan deze bepaling niet anders worden gelezen dan dat de Terugkeerrichtlijn ook op grensdetentie van toepassing is.

6. Dit brengt mee dat eiser in deze zaak een direct beroep op de Terugkeerrichtlijn kan doen.

Niet in geschil is dat ten aanzien van eiser geen terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is genomen. De te beantwoorden vraag is of het ontbreken van een voorafgaand terugkeerbesluit de maatregel onrechtmatig maakt. De rechtbank komt bij de beoordeling van deze stelling tot een ander resultaat dan in de door eiser aangehaalde eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats AWB 11/826.

7. De rechtbank overweegt dat artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn voor het opleggen van de maatregel geen terugkeerbesluit vergt, maar dat jegens de vreemdeling een terugkeerprocedure loopt. Uit artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een dergelijke procedure in beginsel aanvangt met een terugkeerbesluit. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de toegang tot Nederland is geweigerd, is voor het starten van een terugkeerprocedure het uitvaardigen van een terugkeerbesluit evenwel niet vereist, nu het besluit tot toegangsweigering naar het oordeel van de rechtbank impliceert dat een terugkeerprocedure is aangevangen. In het besluit tot toegangsweigering ligt immers besloten de aanzegging het grondgebied feitelijk en onmiddellijk te verlaten. Dit betekent dat voor het toepassen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 geen afzonderlijk terugkeerbesluit is vereist indien voorafgaand aan die toepassing een besluit tot toegangsweigering is uitgereikt. De beroepsgrond treft om deze reden geen doel.

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

9 Gelet op het vorenstaande zijn geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in tegenwoordigheid van

J.P. Braam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2011.

Afschrift verzonden op:

Conc.: HB

Coll: AM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.