Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP5016

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
10/12213
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel/Irak/Iran/Artikel 31, 2e lid, aanhef en onder i, Vw 2000/C3/3.9.2 Vc 2000/blijk van wedertoelating

Uit het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C 3/3.9.2 Vc 2000 en voor zover thans van belang, volgt dat de asielaanvraag op basis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw 2000 kan worden afgewezen, indien “gebleken is dat dit land hem zal toelaten”. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er sprake moet zijn van een “specifiek ten aanzien van betrokkene geldende blijk van wedertoelating” (TK 1999-2000, 26732, nr. 7, p. 146). De circulaire geeft als hoofdregel in paragraaf C/3.9.4 Vc 2000 dat de toegang tot het grondgebied van het land van eerder verblijf moet blijken uit een schriftelijk bericht van dit land (bijvoorbeeld een gehonoreerde claim). Dit schriftelijk bericht behoeft niet te worden opgevraagd indien uit algemene informatie of uit andere bronnen reeds blijkt dat de vreemdeling zijn verblijf in het land van eerder verblijf zal kunnen voortzetten. De bewijslast om aan te tonen dat vreemdelingen toegang krijgen tot het land van eerder verblijf, ligt aldus primair bij verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat eiser toegang zal krijgen tot Irak. Door enkel van de informatie van de ambtsberichten van mei 2009 en januari 2010 uit te gaan, is niet vast komen te staan dat er sprake is van een specifiek ten aanzien van eiser geldende blijk van wedertoelating. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd had verweerder nader dienen te onderzoeken of eiser daadwerkelijk zal worden toegelaten tot Irak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 10/12213

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [geboortedatum],

van Iraanse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiser,

gemachtigde mr. R. Hijma, advocaat te Utrecht;

en

De minister voor Immigratie en Asiel,

als rechtsopvolger van de minister van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. C.L.W. van Dort,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 18 februari 2009 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 8 maart 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 31 maart 2010 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 3 mei 2010 is het beroep voorzien van gronden. Op 14 september 2010 en 14 oktober 2010 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 28 oktober 2010 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder aan eiser artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) heeft kunnen tegenwerpen.

2.2 Voor zover thans van belang heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiser in Irak in het bezit kan komen van een geldige verblijfstitel, die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending naar Iran. Verweerder is tot dit oordeel gekomen op basis van meerdere ambtsberichten, met name het algemeen Ambtsbericht van mei 2009 en van januari 2010 omtrent Irak en verwijst eveneens naar de Iraakse Nationaliteitswet no. 26 van 2006. Hieruit volgt dat een buitenlandse partner van een Iraakse man of vrouw de Iraakse nationaliteit kan verkrijgen na vijf jaar aaneengesloten verblijf in Irak. Nu eiser is getrouwd met een Iraakse vrouw en acht jaar heeft verbleven in Irak, stelt verweerder dat eiser in Irak in het bezit kan komen van een geldige verblijfstitel. Verweerder heeft dan ook de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i van de Vw 2000, nu wordt aangenomen dat eiser zal worden toegelaten tot het land van eerder verblijf totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

2.3 De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2003, JV 2003/180 volgt, voor zover thans van belang, dat indien het bestreden besluit ertoe strekt dat de vreemdeling op één van de gronden genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder

h, i of j, van de Vw 2000 geacht wordt in een ander land bescherming te kunnen vinden, de rechterlijke toetsing van het besluit hierop dient aan te sluiten en in het midden kan blijven of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000 omschreven risico loopt.

Gelet op het bestreden besluit is voornoemd toetsingskader van toepassing.

2.4 Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij in Irak in het bezit kan komen van een geldige verblijfstitel en dat niet kan worden aangenomen dat eiser in het land van eerder verblijf zal worden toegelaten en aldaar bescherming zal krijgen. Verweerder was, gelet op het bepaalde in het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C 4/3.9.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), gehouden om in dit individuele geval nader onderzoek te doen in het land van eerder verblijf. Eiser stelt vervolgens dat hij geen geldige verblijfstitel kan krijgen, omdat hij geen geldig verblijfsdocument heeft noch dit kan krijgen, hij Irak illegaal is ingereisd en hij geen (naar Iraaks recht) geldig huwelijk heeft gesloten. Verweerder had de aanvraag niet op basis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw 2000 kunnen afwijzen, aldus eiser.

2.5 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er sprake is van een land van eerder verblijf, zoals bedoeld in paragraaf C 4/3.9 Vc 2000. Er dient aldus te worden vastgesteld of dit land van eerder verblijf duurzame bescherming biedt tegen refoulement. Volgens verweerder is er sprake van een situatie als bedoeld in paragraaf C 4/3.9.4 onder b Vc 2000: “het land van eerder verblijf is géén partij bij het Vluchtelingenverdrag of leeft dit verdrag niet te goeder trouw na, maar de asielzoeker beschikt in het land van eerder verblijf over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending, of er is gebleken dat hij een dergelijke verblijfstitel kan krijgen”. Verweerder overweegt dat genoegzaam is gebleken dat er sprake is van een situatie waarin eiser “een dergelijke verblijfstitel kan krijgen”, nu hij getrouwd is met een vrouw van Iraakse nationaliteit en meer dan vijf jaar aaneengesloten verbleven heeft in Irak.

2.6 De rechtbank overweegt dat uit het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C 3/3.9.2 Vc 2000 en voor zover thans van belang, volgt dat de asielaanvraag op basis van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw 2000 kan worden afgewezen, indien “gebleken is dat dit land hem zal toelaten”. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er sprake moet zijn van een “specifiek ten aanzien van betrokkene geldende blijk van wedertoelating” (TK 1999-2000, 26732, nr. 7, p. 146). De circulaire geeft als hoofdregel in paragraaf C/3.9.4 Vc 2000 dat de toegang tot het grondgebied van het land van eerder verblijf moet blijken uit een schriftelijk bericht van dit land (bijvoorbeeld een gehonoreerde claim). Dit schriftelijk bericht behoeft niet te worden opgevraagd indien uit algemene informatie of uit andere bronnen reeds blijkt dat de vreemdeling zijn verblijf in het land van eerder verblijf zal kunnen voortzetten. De bewijslast om aan te tonen dat vreemdelingen toegang krijgen tot het land van eerder verblijf, ligt aldus primair bij verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat eiser toegang zal krijgen tot Irak. Door enkel van de informatie van de ambtsberichten van mei 2009 en januari 2010 uit te gaan, is niet vast komen te staan dat er sprake is van een specifiek ten aanzien van eiser geldende blijk van wedertoelating. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd (zoals genoemd in rechtsoverweging 2.4), had verweerder nader dienen te onderzoeken of eiser daadwerkelijk zal worden toegelaten tot Irak. De enkele algemene informatie uit de ambtsberichten is hiertoe onvoldoende.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Het besluit is aldus strijdig met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.8 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

2.9 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 8 maart 2010;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-- te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Loenen, als rechter, en door deze en mr. M.H. van Ham-Kolk als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.