Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4998

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/5052 WOZ
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6833, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten in bezwaar. Tarief deskundige en wegingsfactor. Taxateur en gemachtigde in dienst van dezelfde werkgever. Kosten taxatierapport maken deel uit van de kantoorkosten van de gemachtigde en komen niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 666
FutD 2011-0440
Belastingblad 2011/453

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10/5052 WOZ

Uitspraakdatum: 3 februari 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bodegraven, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2010 (hierna: de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2009 (hierna: de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op € 401.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 (hierna: de aanslag).

1.2. Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag.

1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 13 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning nader vastgesteld op € 380.000, alsmede de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.4. Eiser heeft daartegen bij brief van 19 juli 2010, ontvangen bij de rechtbank op 20 juli 2010, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011 te 's-Gravenhage. Namens eiser zijn daar verschenen [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D]. Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en aan verweerder en de rechtbank overgelegd. Daarop heeft verweerder ter zitting kunnen reageren.

II FEITEN, GESCHIL EN OVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser heeft bij brief van 9 april 2010 pro forma bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Hierbij heeft eiser gebruik gemaakt van de diensten van [E] van WOZ-Specialisten (hierna: de gemachtigde) die voor hem als gemachtigde optreedt. Met dagtekening 22 april 2010 heeft eiser een aanvulling op het bezwaarschrift ingediend, waarin, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

"In verband met de kosten van het bezwaarschrift, verzoeken wij u aan onze cliënt een proceskostenvergoeding van één punt toe te kennen ingevolge art. 7:15 Awb j° Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast verzoeken wij u de kosten van het deskundigenrapport te vergoeden conform lid 2 van art. 7:15 Awb. Deze kosten bedragen € 327,25 (incl. BTW)."

Blijkens de aan eiser gerichte declaratie van WOZ-Specialisten is het bedrag van € 327,25 als volgt opgebouwd: 3,5 uren x € 78,50 = € 275 plus BTW (19%) is € 327,25.

2.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder ten aanzien van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand onder meer het volgende overwogen:

"(...) Aangezien uw bezwaarschrift zeer eenvoudig van aard is, veel standaardteksten bevat, zeer veel overeenkomsten vertoont met eerder door u ingediende bezwaarschriften en bovendien gebaseerd is op een taxatierapport van een taxateur, ben ik van mening dat het een zeer lichte zaak betreft. Bij de toekenning van de vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand pas ik derhalve de wegingsfactor 0,25 toe. Hiermee komt het bedrag van de vergoeding op € 54,50 (0,25 maal € 218)."

Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van de kosten voor het taxatierapport heeft verweerder het volgende overwogen:

"Het door u aangedragen taxatierapport is naar mijn mening niet voor vergoeding vatbaar. Het rapport bevat namelijk een aantal onvolkomenheden. Door deze onvolkomenheden en de uitstraling van het rapport zijn bij mijn twijfels gerezen over de deskundigheid van uw taxateur. (...) Indien uw taxateur daadwerkelijk ter plaatse geweest zou zijn had hij het taxatierapport gecompleteerd met minimaal één foto van het object, had hij geconstateerd dat de door hem gehanteerde verkoopcijfers vanwege de verschillen niet relevant voor de waardebepaling van onderhavig object zijn en kunnen constateren dat er sprake is van overlast door de bodemverontreinigingsinstallatie. Van deze overlast maakt uw taxateur in het taxatierapport zelfs geenszins gewag waardoor het taxatierapport geen toegevoegde waarde heeft. Dit geeft voor mij voldoende aanleiding om geen vergoeding voor het door u ingediende taxatierapport toe te kennen."

2.3. Het taxatierapport is opgemaakt door [F], taxateur, van het kantoor [kantoor]. De taxateur is in dienst bij dezelfde organisatie als de gemachtigde van eiser. Het betreft een onderneming met twee afdelingen, één afdeling met juristen en één met taxateurs.

Geschil

2.4. Het beroep betreft uitsluitend de hoogte van de te vergoeden kosten van het bezwaar. Het gaat hierbij om de vraag of verweerder terecht een wegingsfactor van 0,25 heeft gehanteerd bij het toekennen van de kostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en om de vraag of de kosten van het taxatierapport dat aan het bezwaar ten grondslag ligt voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. Verweerder beantwoordt de vragen andersom.

2.5. Eiser heeft het volgende - kort samengevat - aangevoerd:

- Het ingediende bezwaarschrift is als een gemiddeld bezwaarschrift te beschouwen aangaande de complexiteit en bewerkelijkheid;

- De taxatienota is alleszins redelijk en de taxateur is wel degelijk deskundig.

2.6. Verweerder heeft het volgende - kort samengevat - aangevoerd:

- Het bezwaarschrift van gemachtigde is zeer eenvoudig van aard, bevat veel standaardteksten en is gebaseerd op een taxatierapport van een taxateur, zodat een wegingsfactor van 0,25 ruim voldoende is;

- Er is sprake van een vast samenwerkingsverband tussen de gemachtigde en de taxateur, zodat er sprake is van één dienstverlener. Het taxatierapport heeft onvoldoende inhoudelijke en toegevoegde waarde. Mocht de rechtbank toch van oordeel zijn dat de kosten van de taxateur voor vergoeding in aanmerking komen dan is verweerder van oordeel dat de werkzaamheden verband houdende met het opstellen van de verklaring niet meer dan twee uur in beslag hebben kunnen nemen en dat met de helft van het in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 genoemde maximale uurtarief van € 81,23 kan worden volstaan aangezien de taxatiewerkzaamheden niet van wetenschappelijk of bijzondere aard zijn.

2.7. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en veroordeling van verweerder in de kosten van het bezwaar ten bedrage van in totaal € 545,25, namelijk € 218 ter zake van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 327,25 ter zake van de kosten van een deskundige.

2.8. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot vergoeding van de kosten van een deskundige tot een bedrag van maximaal € 81,25.

Beoordeling van het geschil

2.9. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door verweerder uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Daarbij is volgens de toelichting van de wetgever de kostenveroordeling niet bedoeld als een volledige schadevergoeding maar als een tegemoetkoming in de kosten (NvT, Stb.1993, 763, p.5).

2.10. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a. en b. van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

Kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand/wegingsfactor

2.11. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit dient voor de vaststelling van de hoogte van de kosten te worden uitgegaan van het tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Besluit (hierna: de bijlage). Het tarief wordt bepaald doordat in de bijlage aan diverse proceshandelingen verschillende punten zijn toegekend (onderdeel A), waarvan de waarde (onderdeel B) moet worden vermenigvuldigd met een wegingsfactor (onderdeel C). De wegingsfactor wordt bepaald naar gelang het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. In onderdeel C1 van de bijlage worden de verschillende wegingsfactoren voor het gewicht van een zaak weergegeven, die kunnen oplopen van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar). Bij een zaak van gemiddeld gewicht bedraagt de wegingsfactor 1. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een zaak in de bezwaarfase in beginsel een wegingsfactor 1 (gemiddeld) heeft tenzij er duidelijk redenen zijn om hier vanaf te wijken. Beoordeeld naar belang en ingewikkeldheid van de onderhavige zaak en de omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand verrichte werkzaamheden acht de rechtbank geen redenen aanwezig om van dat uitgangspunt af te wijken. De stelling van verweerder dat toepassing van een wegingsfactor van 0,25 redelijk is, omdat er onder meer sprake is van een samenhang tussen alle door de gemachtigde aangespannen bezwaarprocedures bij de gemeente, volgt de rechtbank niet. De gedingstukken bevatten geen informatie op basis waarvan de gestelde samenhang kan worden geconstateerd. Evenmin vormt de door verweerder aangevoerde omstandigheid dat het bezwaarschrift is gebaseerd op een taxatierapport van een taxateur aanleiding om de zaak als zeer licht aan te merken. Integendeel, het raadplegen van een deskundige vormt eerder een indicatie voor het tegenovergestelde. Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank aanleiding de wegingsfactor in de onderhavige procedure op 1 te stellen. In zoverre is het beroep dus gegrond.

Kosten van een deskundige

2.12. Ter zitting is duidelijk geworden dat zowel de gemachtigde als de taxateur in dienst zijn van dezelfde werkgever. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank af dat de taxateur kennelijk is ingeschakeld door de gemachtigde. De kosten van het taxatierapport worden door de gemachtigde aan eiser gefactureerd. Gelet hierop en de werkwijze van de gemachtigde is de rechtbank van oordeel dat de kosten van het taxatierapport deel uitmaken van de kantoorkosten van de gemachtigde. De werkzaamheden van de taxateur zijn namelijk zozeer verweven met de werkzaamheden van de gemachtigde, dat zij zijn aan te merken als één dienstverlener. De kosten van het taxatierapport gaan daarmee op in de kosten van de gemachtigde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kosten voor het taxatierapport niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Het beroep faalt in zoverre.

Slotsom

2.13. De rechtbank zal, doende wat verweerder behoorde te doen, aan eiser een hogere vergoeding toekennen voor de kosten van rechtsbijstand die hij in verband met het bezwaar heeft moeten maken en verweerder opdragen deze aan eiser te voldoen. Deze kosten heeft de rechtbank op de voet van het Besluit vastgesteld op € 218 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218 en een wegingsfactor 1). De rechtbank vindt voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het gewicht van de beroepszaak als licht moet worden gekwalificeerd, aangezien het beroep alleen de kostenvergoeding van de bezwaarfase betreft.

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de vergoeding van de kosten van bezwaar betreft;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder de kosten van het bezwaar van € 218 en de kosten van het beroep van € 437 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. I. Obbink-Reijngoud, in tegenwoordigheid van de griffier G.F. van Verseveld.

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.