Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4929

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
AWB 10/8235 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Feitelijke ontheffing uit de functie is gebaseerd op anonieme verklaringen van collega's en de geheim gehouden verslagen van de gesprekken die met die medewerkers zijn gevoerd in het kader van het onderzoek van verweerder.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, zodat het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. Dit motiveringsgebrek is zodanig dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nr.: AWB 10/8235 AW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[A], wonende te [plaats], verzoekster,

gemachtigde mr. A.J.M. van Meer,

ter zake van

- het besluit van 18 november 2010 van de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder, waarbij verzoekster op grond van artikel 33 e van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging is verleend tot aan het moment dat een afspraak is gemaakt over een totaalpakket aan afspraken, doch uiterlijk tot

1 januari 2011;

- de ontheffing van haar takenpakketten behorende bij haar functie en

- de mededeling dat verzoekster niet meer een leidinggevende functie zal kunnen vervullen bij het [afdeling].

Verzoekster heeft hiertegen bij brief van 23 november 2010 bezwaar gemaakt. Voorts heeft zij bij brief van 23 november 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 13 januari 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Karssen.

I OVERWEGINGEN

1.1 Verzoekster is werkzaam geweest als [functie] bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gedurende gemiddeld 30,4 uur per week, aan welke functie, nar verzoekster stelt, schaal 15 is verbonden. Zij is per 1 september 2008 tewerkgesteld bij het [afdeling]. Verzoekster vervult deze functie bij het [afdeling] na de afronding van de kabinetsformatie sedert 14 oktober 2010 bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

1.2 Met ingang van 1 januari 2010 is verzoekster het programma [programma] en het project [adres] toegewezen.

1.3 In het najaar van 2010 hebben verweerder via de afdeling Personeel & Organisatie en de Ondernemingsraad individuele klachten over verzoekster van meerdere medewerkers van het programma [programma] en het project [adres] bereikt. Verweerder heeft in dit kader nader onderzoek verricht.

1.4 De [functie], [B], heeft verzoekster op 6 oktober 2010 geïnformeerd over het feit dat deze klachten zijn ingediend.

1.5 Op 29 oktober 2010 heeft de directeur-generaal Veiligheid ([functie]), [C], een gesprek gevoerd met verzoekster. In haar e-mailbericht van 31 oktober 2010 aan de [functie] heeft verzoekster onder meer de inhoud van dit gesprek weergegeven. Zo heeft de [functie] verzoekster tijdens het gesprek op 29 oktober 2010 medegedeeld dat het plan bestond om haar per direct van het programma [programma] en het project [adres] af te halen. Met betrekking tot het project [adres] zou nog worden onderzocht of verzoekster haar werkzaamheden aldaar zou kunnen voortzetten. Verzoekster is verzocht de week daarna niet op haar werk te verschijnen en geen werkzaamheden uit te voeren.

1.6 Bij brief van 3 november 2010 heeft verzoekster verweerder verzocht haar buitengewoon verlof te verlenen met behoud van bezoldiging tot en met week 47 van 2010, ervan uitgaande dat in die week een vervolggesprek zou plaatsvinden.

1.7 Op 9 november 2010 heeft de [functie] een gesprek gevoerd met verzoekster.

1.8 Bij besluit van 18 november 2010 heeft verweerder verzoekster buitengewoon verlof verleend, met behoud van bezoldiging, tot aan het moment dat een afspraak is gemaakt over een totaalpakket aan afspraken, doch uiterlijk tot 1 januari 2011. Daarbij heeft verweerder verzoekster verzocht om alle relevante informatie over het project [adres] zo spoedig mogelijk te verstrekken.

1.9 Verzoekster heeft bij brief van 23 november 2010 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 november 2010 alsmede tegen de ontheffing van haar takenpakketten behorende bij haar functie, zoals is medegedeeld tijdens de gesprekken op 29 oktober 2010 en 9 november 2010, en het daarmee samenhangende opgelegde buitengewoon verlof.

Verzoekster heeft in haar bezwaarschrift onder meer de inhoud van deze gesprekken weergegeven. Zo heeft de [functie] verzoekster tijdens het gesprek op 9 november 2010 bevestigd dat zij van haar programma [programma] was ontheven en dat dit ook per 1 januari 2011 zou gelden voor het project [adres]. Voorts is medegedeeld dat het, gelet op de aard en omvang van de jegens verzoekster geuite klachten, niet meer mogelijk is dat verzoekster een leidinggevende functie blijft vervullen in het [afdeling]. Met betrekking tot het verzoek om buitengewoon verlof van 3 november 2010 heeft verzoekster medegedeeld dat in dit verzoek abusievelijk week 47 in plaats van week 45 (tot en met 12 november 2010) is vermeld, hetgeen in een op 5 november 2010 door de [functie] geïnitieerde sms-wisseling met verzoekster en tijdens het gesprek op 9 november 2010 werd rechtgezet.

1.10 Bij besluit van 1 december 2010 heeft verweerder het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verlengd tot 10 januari 2011.

1.11Bij besluit van 3 januari 2011 heeft verweerder het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verlengd tot 31 januari 2011.

2 Verzoekster heeft aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de ontheffing uit haar takenpakketten en de daarmee verband houdende op non-actiefstelling.

Tegen verzoekster zijn anonieme klachten ingediend, welke door verweerder geheim worden gehouden. Verweerder heeft een nietszeggend excerpt beschikbaar gesteld.

Verzoekster stelt dat zij hierdoor in haar belangen wordt geschaad. Zij is er inmiddels mee bekend dat verweerder wel ruimhartig omgaat met informatievoorziening naar derden over de jegens haar ingediende klachten en zelfs over de rechtspositionele gevolgen die verweerder daaraan voor verzoekster wenst te verbinden. Dit betreft informatievoorziening naar de Ondernemingsraad en ongetwijfeld ook naar de klagers.

3.1 De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat ter beoordeling voorligt de vraag welke besluiten in deze zaak zijn te onderscheiden.

3.2 Het gesprek op 29 oktober 2010 heeft tot gevolg gehad dat verzoekster per direct is ontheven van haar taken bij het programma [programma] en dat aan haar per direct, in ieder geval voor de daarop volgende week, ongevraagd buitengewoon verlof is verleend. Uit het gesprek op 9 november 2010 volgt dat verzoekster per 1 januari 2011 wordt ontheven van haar taken bij het project [adres]. Voorts is bij dat gesprek te kennen gegeven dat zij geen leidinggevende functie meer kan vervullen bij het [afdeling].

De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen is besproken tijdens deze gesprekken op

29 oktober 2010 en 9 november 2010 niet is neergelegd in gespreksverslagen. De door verzoekster gegeven weergave van die gesprekken in haar e-mailbericht van 31 oktober 2010 en haar bezwaarschrift van 23 november 2010 is evenwel niet door verweerder betwist. Hetgeen tijdens deze gesprekken door de [functie] is medegedeeld is niet gevolgd door een afzonderlijk besluit.

Met het voorgaande hangt samen de besluitvorming met betrekking tot het ongevraagd verleende buitengewoon verlof in de periode tot 3 november 2010 en in de periode vanaf

12 november 2010 tot 1 januari 2011.

De besluiten van 1 december 2010 en 3 januari 2011 vallen buiten de omvang van het onderhavige geding.

De door de [functie] gedane mededelingen tijdens de gesprekken op 29 oktober 2010 en

9 november 2011 hebben zich feitelijk verwezenlijkt in die zin dat verzoekster na

29 oktober 2010 niet meer in staat is gesteld om haar (leidinggevende) functie uit te oefenen. Bij besluit van 18 november 2010 is voorts niet alleen beslist op het verzoek van verzoekster van 3 november 2010, maar is tevens een langer en ongevraagd buitengewoon verlof aan verzoekster verleend.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiermee sprake is van mondelinge besluiten dan wel een samenstel van feitelijke handelingen, die met het - schriftelijke - besluit van

18 november 2010 de ontheffing uit de functie per 29 oktober 2010 betekent.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op het vorenstaande, sprake is van een feitelijke ontheffing uit de functie per 29 oktober 2010. Bovendien kan verzoekster geen (andere) leidinggevende functie meer vervullen bij het [afdeling]. Dit dient op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb gelijkgesteld te worden met een besluit.

Het bezwaar hiertegen is tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk.

4.1Niet in geschil is dat aan verzoekster in haar functie geen andere taken zijn toegewezen dan behorende bij het programma [programma] en het project [adres]. Evenmin is in geschil dat verzoekster na de feitelijke ontheffing van haar functie geen andere werkzaamheden zijn opgedragen dan wel een andere functie is toegewezen.

4.2 Verweerder heeft de feitelijke ontheffing uit de functie gebaseerd op klachten die door meerdere medewerkers van het programma [programma] en het project [adres] zouden zijn ingediend alsmede op de verslagen van de gesprekken die met die medewerkers zijn gevoerd in het kader van het onderzoek van verweerder. Ter zake van de ingediende klachten en het daarop volgende onderzoek is de zogenoemde 'Compacte weergave van feiten optreden [D]' (hierna: de Compacte weergave) opgesteld.

5.1 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad, zie onder meer de uitspraken van 27 november 2008, LJN BG7085, en 1 juni 2010, LJN BO3927) dient met verklaringen van collega's door de dienstleiding voorzichtig te worden omgegaan; zij kunnen slechts op hun waarde worden geschat tegen de achtergrond van de verhoudingen in de betrokken groep medewerkers. In beginsel zal het dus nodig zijn de inhoud van zulke verklaringen in een nader onderzoek te verifiëren en na te gaan of op grond van meer objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de betrokkene zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten.

5.2 Voorts kan ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 29 november 1990, LJN: AK5061, 28 september 1995, LJN: ZB4750, en 23 mei 1996, LJN: ZB6227) aan anonieme verklaringen - en dan nog alleen in samenhang met uit andere bron afkomstige feitelijke gegevens - slechts een zeer beperkte betekenis worden gehecht.

5.3 De voorzieningenrechter overweegt dat de Compacte weergave niet is gedateerd of ondertekend. In dit stuk, dat, naar verweerder ter zitting heeft gesteld, afkomstig zou zijn van de [functie] en dateert van 10 november 2010, zijn alleen conclusies weergegeven. Niet duidelijk is wanneer de klachten precies zijn ingediend en door welke medewerkers. Evenmin is verwezen naar concrete gebeurtenissen op een precieze datum. Er is zelfs geen globale tijdsaanduiding gegeven. Tevens is niet duidelijk binnen welke context de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.

De griffier van de rechtbank heeft verweerder op 10 januari 2011 telefonisch verzocht om toezending van de eventuele schriftelijke klachten en de verslagen van de gesprekken die met de medewerkers zijn gevoerd.

Verweerder heeft bij brief van 11 januari 2011, tevens herhaald ter zitting van

13 januari 2011, geweigerd de betreffende stukken in te dienen. De reden hiervoor is dat verweerder, zoals is gesteld in zijn brief van 11 januari 2011, aan de betrokken medewerkers geheimhouding van de betreffende verslagen heeft beloofd. Verweerder acht het in strijd met goed werkgeverschap om deze gedane belofte te verbreken, hetgeen schadelijk zou zijn voor het vertrouwen dat de betreffende medewerkers in verweerder als werkgever hebben gesteld.

5.4 De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het gebruik maken van anonieme verklaringen van medewerkers niet ten principale ontoelaatbaar is, doch alleen in combinatie met ander, verifieerbaar bewijsmateriaal, en alleen indien het handhaven van de anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden noodzakelijk is.

Dat het handhaven van de anonimiteit wenselijk wordt geacht, ligt besloten in de belofte van verweerder aan de betreffende medewerkers en de in de Compacte weergave gestelde gevoelens van onveiligheid en intimidatie bij de betreffende medewerkers.

Nu verweerder de beweerde gevoelens van medewerkers als gevolg van gedragingen van verzoekster uitsluitend heeft doen steunen op de anonieme verklaringen en geen relevant aanvullend bewijsmateriaal voorhanden is, is geenszins aannemelijk gemaakt dat het handhaven van de anonimiteit noodzakelijk was.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster is geïnformeerd over het feit dat er klachten jegens haar zijn ingediend, maar dat de Compacte weergave eerst nadat de gesprekken met de betreffende medewerkers zijn gevoerd aan haar is verstrekt. Door het ontbreken van de vermelding van concrete situaties en data heeft verzoekster zich tot nu toe niet adequaat kunnen verweren. Hierbij komt dat in de Compacte weergave is vermeld dat onderzoek is gedaan naar de vraag of mogelijk sprake is geweest van een wraakactie van de betreffende medewerkers. Zonder nadere toelichting is geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. Dit klemt te meer nu verzoekster specifiek heeft aangegeven dat klachten afkomstig kunnen zijn van medewerkers die door haar zijn aangesproken op hun functioneren. Niet is gebleken dat verweerder dit aspect heeft onderzocht.

5.5 De voorzieningenrechter is, mede in het licht van de hiervoor weergegeven jurisprudentie die de voorzieningenrechter ook hier van toepassing acht, van oordeel dat het bestreden besluit, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.2, een deugdelijke motivering ontbeert, zodat het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. Dit motiveringsgebrek is zodanig dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen, zoals onder rechtsoverweging 6 nader wordt omschreven.

Hierbij wordt overwogen dat de omstandigheid dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat geen grond bestaat om verzoekster te schorsen, dat de wens bestaat om een passende oplossing voor verzoekster te zoeken, dat binnen het [afdeling] ongeveer driehonderd medewerkers werkzaam zijn en dat er ook medewerkers zijn die wel met verzoekster willen samenwerken, uitwijst dat terugkeer van verzoekster binnen het [afdeling] niet onmogelijk is te achten.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verweerder, zoals is verzocht door verzoekster, thans op te dragen de bij verweerder in bezit zijnde informatie met betrekking tot de gestelde klachten aan verzoekster bekend te stellen.

Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding aan verweerder een dwangsom op te leggen, zoals is verzocht door verzoekster.

Er bestaat wel aanleiding de overige verzoeken in te willigen en wel op de hierna beschreven wijze.

6 Het bestreden besluit wordt tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar geschorst.

Verweerder dient de terugkeer van verzoekster aldus vorm te geven:

1. met ingang van 15 februari 2011 dient verzoekster in de gelegenheid te worden gesteld haar leidinggevende functie in volle omvang of, indien dit niet mogelijk is in verband met formele plaatsing van een ander op de functie van verzoekster, een equivalente leidinggevende functie te vervullen. Verweerder dient daartoe in overleg te treden met verzoekster;

2. verweerder dient, in overleg met verzoekster, de organisatie op zorgvuldige wijze te informeren.

7 Verweerder wordt veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,--. Hiertoe is 1 punt toegekend voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting. Het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld en de waarde per punt op € 437,--.

III BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe zoals onder rechtsoverweging 6 omschreven;

2 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,--, welke kosten verweerder aan verzoekster dient te vergoeden;

3 bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.D.G.J. Dop, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.