Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4908

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/3188 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inburgeringsplicht gezinslid van Turkse werknemer niet in strijd met Associatieovereenkomst EEG-Turkije en Besluit 1/80.

Vooropgesteld moet worden dat Turkse onderdanen op grond van voornoemd rechtsregime niet volledig worden gelijkgesteld met gemeenschapsonderdanen. Turkse onderdanen worden slechts met gemeenschapsonderdanen gelijkgesteld voor zover hun rechten met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid en dientengevolge het recht op verblijf worden ingeperkt door invoering van nieuwe beperkingen. Alleen als het om die rechten gaat kunnen Turkse onderdanen een geslaagd beroep doen op het discriminatieverbod van artikel 9 van de associatieovereenkomst en artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80 evenals op de standstillclausule van artikel 13 van Besluit 1/80.

In dit licht bezien is van belang dat eiseres nimmer heeft deelgenomen aan de arbeidsmarkt zodat van een verboden beperking van de rechten van een Turkse werknemer als bedoeld in de associatieverdragen in het geval van eiseres geen sprake is. Om deze reden verschilt deze zaak dan ook van die waarop de door eiseres aangehaalde uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2010 (LJN: BN3934 en BN3935) betrekking hebben. Immers, in die zaken werden de Turkse onderdanen wel aangemerkt als Turkse werknemer. Verder overweegt de rechtbank dat de inburgeringsplicht niet in strijd is met de rechten die eiseres ontleent aan het associatierecht als gezinslid van een Turkse werknemer. Daartoe is van belang dat de consequenties van het niet behalen van het inburgeringsexamen, naar verweerder heeft gesteld en eiseres niet heeft betwist, enkel geldboetes zijn. Het niet behalen van het inburgeringsexamen heeft dan ook op geen enkele wijze invloed op haar verblijfsrechten en verblijf bij haar echtgenoot.

Wetsverwijzingen
Wet inburgering
Wet inburgering 5
Wet inburgering 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/3188 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [Plaats], eiseres,

gemachtigde mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 25 mei 2009 heeft verweerder het verzoek van eiseres om ontheffing van de inburgeringsplicht om medisch/psychische redenen afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 juni 2009 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 30 maart 2010, verzonden op 6 april 2010, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 mei 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 20 juli 2010 ter zitting behandeld. Het onderzoek ter zitting is bij die gelegenheid geschorst en de zaak is ter verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van

11 november 2010. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres heeft zich voorts laten vertegenwoordigen door haar dochter.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden P. Gieske en

mr. M.H.W.A Eerens. Tevens was ter zitting aanwezig H. Ahmet, tolk in de Koerdische taal.

Bij brief van 28 december 2010 is door de rechtbank aan partijen meegedeeld dat het niet mogelijk is gebleken om uitspraak te doen binnen zes weken nadat het onderzoek is gesloten en dat deze termijn daarom met zes weken is verlengd.

II OVERWEGINGEN

1.1 Artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (de Associatieovereenkomst) luidt als volgt.

"De overeenkomstsluitende partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel."

1.2 Artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (Besluit 1/80) luidt als volgt.

"De Lid-Staten van de Gemeenschap passen op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden."

1.3 Artikel 13 van Besluit 1/80 luidt als volgt.

"De Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn."

1.4 Artikel 3 van de Wet inburgering (Wi) luidt - voor zover hier van belang- als volgt.

"1. Inburgeringsplichtig is de vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, die

a. anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft."

1.5 Artikel 5, tweede lid, van de Wi luidt - voor zover hier van belang - als volgt.

"2. Evenmin is inburgeringsplichtig:

a. de persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland;

d. de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 kan worden opgelegd."

1.6 Artikel 6, eerste lid, van de Wi luidt - voor zover hier van belang - als volgt.

"1. Het college ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen."

2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft de Turkse nationaliteit en verblijft sinds 1994 met haar gezin in Nederland. Eiseres beschikt sinds 2005 over een verblijfsvergunning asiel (op grond van artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000) met terugwerkende kracht tot 1998.

De inburgeringsplicht van eiseres is op 1 januari 2007 ingegaan, echter verweerder heeft de officiële starttermijn in verband met de medische gesteldheid van eiseres uitgesteld.

Omdat eiseres zichzelf op medische en psychische gronden niet in staat acht om deel te nemen aan het inburgeringstraject, heeft verweerder eiseres medisch laten beoordelen.

Op 7 februari 2008 en 23 april 2009 heeft de GGD-arts advies uitgebracht.

Verweerder heeft op grond van het advies van 23 april 2009 waarin het advies van

7 februari 2008 is gehandhaafd, het verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen. Verweerder heeft 25 mei 2014 als datum waarop eiseres het examen moet hebben behaald vastgesteld.

Naar aanleiding van het door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder wederom medisch advies ingewonnen bij de GGD. Op 18 november 2009 heeft de arts meegedeeld dat de verstrekte informatie niet heeft geleid tot herziening van het eerdere advies.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de inburgeringsverplichting van eiseres gehandhaafd.

3 Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe

- samengevat - het volgende aan. Eiseres is van mening dat zij valt onder de reikwijdte van de Associatieovereenkomst EG-Turkije en Besluit 1/80. Ook in het geval men oorspronkelijk als asielzoeker naar Nederland is gekomen is de Associatieovereenkomst van toepassing. In dit verband wijst zij op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) inzake Altun t. Stadt Böblingen van 18 december 2008 (LJN: BG9362). Eiseres stelt zich daarom op het standpunt dat zij net als andere EU burgers niet aan het inburgeringsvereiste behoeft te voldoen. Subsidiair meent eiseres te hebben aangetoond dat zij psychische en mogelijk ook andere belemmeringen heeft die tot ontheffing van de inburgeringsplicht moeten leiden op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wi. Zij is van oordeel dat verweerder in navolging van de GGD-arts geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met de stukken die door haar zijn overgelegd met betrekking tot haar psychische problemen, haar traumatische achtergrond en de omstandigheid dat zij analfabeet is. Eiseres wijst er op dat een van haar dochters vrijstelling heeft gekregen toen bleek dat deze dochter niet kan leren lezen of schrijven. Wellicht heeft deze dochter de handicap geërfd van eiseres.

4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat alleen wanneer men zijn verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80, men zich kan beroepen op de bepalingen van dit besluit.

Eiseres en haar echtgenoot zijn niet als arbeider naar Nederland gekomen maar hebben een verblijfstitel als asielzoeker gekregen. Het feit dat de echtgenoot van eiseres momenteel werkt maakt dat niet anders. Verweerder concludeert dat eiseres derhalve niet valt onder de reikwijdte van Besluit 1/80. Verweerder voert voorts aan dat de Nederlandse regering er van uit gaat dat de inburgeringsplicht van Turkse zelfstandigen en arbeiders bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet onder de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst valt. Verweerder volgt het standpunt van de centrale overheid. Tot slot wijst verweerder er op dat de GGD-arts in het advies van 7 februari 2008, 23 april 2009 maar ook in het nader advies van 19 november 2009 heeft geconstateerd dat eiseres in staat is om het inburgeringsexamen binnen vijf jaar te behalen.

Verweerder stelt zich in dit verband op het standpunt dat analfabetisme geen geestelijke of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap is.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

5.1 Allereerst staat ter beoordeling of de inburgeringsplicht die eiseres is opgelegd in strijd is met het associatierecht.

5.1.1 Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen en ter zitting heeft betoogd, laat de omstandigheid dat eiseres het recht van verblijf in Nederland heeft verkregen als politiek vluchteling onverlet dat eiseres onder de werking van het associatierecht kon vallen gelet op het arrest van het HvJEG inzake Altun t. Stadt Böblingen van 18 december 2008 (punt 42 en 49).

5.1.2 Aangezien het bestreden besluit op dit punt is gebaseerd op een ondeugdelijke motivering, ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen zij het met instandlating van de rechtsgevolgen om de navolgende reden.

5.1.3 Blijkens de processtukken is de echtgenoot van eiseres met ingang van 1 november 2009 in dienst getreden bij Gurbet Shoarma B.V. en verricht hij sindsdien bij dat bedrijf arbeid in loondienst. De echtgenoot van eiseres is derhalve aan te merken als werknemer in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80 zodat eiseres als gezinslid in de zin van artikel 7 van Besluit 1/80 onder de werking valt van het associatierecht.

5.1.4 Met betrekking tot de vraag of de inburgeringsplicht in strijd is met de rechten die eiseres ontleent aan de Associatieovereenkomst en Besluit 1/80, overweegt de rechtbank vervolgens als volgt. Vooropgesteld moet worden dat Turkse onderdanen op grond van voornoemd rechtsregime niet volledig worden gelijkgesteld met gemeenschapsonderdanen. Turkse onderdanen worden slechts met gemeenschapsonderdanen gelijkgesteld voor zover hun rechten met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid en dientengevolge het recht op verblijf worden ingeperkt door invoering van nieuwe beperkingen. Alleen als het om die rechten gaat kunnen Turkse onderdanen een geslaagd beroep doen op het discriminatieverbod van artikel 9 van de associatieovereenkomst en artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80 evenals op de standstillclausule van artikel 13 van Besluit 1/80.

In dit licht bezien is van belang dat eiseres nimmer heeft deelgenomen aan de arbeidsmarkt zodat van een verboden beperking van de rechten van een Turkse werknemer als bedoeld in de associatieverdragen in het geval van eiseres geen sprake is. Om deze reden verschilt deze zaak dan ook van die waarop de door eiseres aangehaalde uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2010 (LJN: BN3934 en BN3935) betrekking hebben. Immers, in die zaken werden de Turkse onderdanen wel aangemerkt als Turkse werknemer.

Verder overweegt de rechtbank dat de inburgeringsplicht niet in strijd is met de rechten die eiseres ontleent aan het associatierecht als gezinslid van een Turkse werknemer. Daartoe is van belang dat de consequenties van het niet behalen van het inburgeringsexamen, naar verweerder heeft gesteld en eiseres niet heeft betwist, enkel geldboetes zijn. Het niet behalen van het inburgeringsexamen heeft dan ook op geen enkele wijze invloed op haar verblijfsrechten en verblijf bij haar echtgenoot.

5.1.5 De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de plicht voor eiseres om in te burgeren niet in strijd is met de Associatieovereenkomst en het Besluit 1/80.

5.2 Ten tweede staat ter beoordeling of het door eiseres gedane verzoek om ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege medische/psychische redenen terecht is afgewezen.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

5.2.1 Op respectievelijk 21 januari 2008 en 25 maart 2009 heeft een medische keuring plaatsgevonden door de GGD. Volgens de adviezen die naar aanleiding hiervan zijn opgemaakt is eiseres analfabeet en heeft zij een psychiatrische aandoening, onder andere als gevolg van een traumatisch verleden. Eiseres wordt hiervoor behandeld. De adviserend arts komt tot de conclusie dat eiseres, bij adequate behandeling, in staat zal zijn om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te halen. Deze adviezen liggen ten grondslag aan de afwijzing.

5.2.2 Naar aanleiding van het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder de GGD verzocht om een reactie. Bij brief van 18 november 2009 is hierop gereageerd.

De adviserend arts geeft aan dat invoelbaar is dat eiseres door een psychisch trauma, zoals recent versterkt, tijdelijk een verminderd concentratievermogen en dus een verminderd leervermogen zal hebben. Hierdoor komt de arts echter niet tot de overtuiging dat eiseres niet in staat is over vijf jaar het examen te halen. Geconcludeerd wordt dat het eerdere advies niet wordt aangepast.

5.2.3 De adviezen van de GGD zijn deskundigenadviezen. Verweerder mag deze adviezen volgens vaste jurisprudentie betrekken bij zijn beoordeling van de aanvraag, mits deze op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze tot stand zijn gekomen.

5.2.4 Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de adviserend GGD-arts uitgebrachte adviezen ondeugdelijk tot stand zijn gekomen. Daartoe wordt overwogen dat de adviserend GGD-arts tot driemaal toe heeft gerapporteerd over de medische situatie van eiseres waarbij eiseres voorafgaande aan de rapportages van 7 februari 2008 en 23 april 2009 is gezien door de arts en deze alle medische informatie die door eiseres is overgelegd heeft betrokken.

Eiseres heeft weliswaar kritische kanttekeningen geplaatst bij de adviezen maar geen

(nieuwe) informatie overgelegd die aan de volledigheid en juistheid van de adviezen doet twijfelen. De brief van Gilde Samenspraak Leiden van 1 september 2008 waarnaar eiseres in beroep opnieuw heeft verwezen kan niet aan de adviezen afdoen, nu deze brief niet is opgesteld door een medisch deskundige. Ook in het ten aanzien van eiseres uitgebrachte medische advies in het kader van de vraag naar de arbeids(on)geschiktheid van 26 juli 2007 ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. Dit advies heeft immers betrekking op de vraag of eiseres kan werken, hetgeen een andere vraag is dan de hier relevante vraag of eiseres kan leren. In de omstandigheid dat tijdens de consulten op 21 januari 2008 en

25 maart 2009 geen professionele tolk aanwezig was, ziet de rechtbank geen aanleiding om de onderzoeken onzorgvuldig te achten. Immers, niet de GGD maar eiseres zelf diende zorg te dragen voor een tolk.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de medische adviezen heeft kunnen volgen en heeft kunnen concluderen dat eiseres in staat moet worden geacht binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te kunnen behalen. Al hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

5.3 Gezien het voorgaande is het beroep van eiseres tegen het besluit van 30 maart 2010 gegrond en dient het bestreden besluit onder instandlating van de rechtsgevolgen te worden vernietigd.

5.4 Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift, het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend.

Aangezien ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 150,- zal vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag ad € 874,-, welk bedrag de gemeente Leiden aan de griffier moet vergoeden.

Aldus vastgesteld door mrs. C.I.H. Kerstens-Fockens, E. Kouwenhoven en C.G. Meeder, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Erkan

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.