Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4872

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
AWB 09/9142 en AWB 10-3637
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU8858, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling staat of verweerder terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat de bepalingen van de WIV (Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensen 2002) in de weg staan aan het verlenen van inzage in meer gegevens dan bij de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009 ter inzage zijn gegeven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen gegrond behoren te worden verklaard voor zover eiser geen inzage is verleend in de in rechtsoverwegingen 3.5, 3.6 en 3.7 bedoelde documenten. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen voor zover deze betrekking hebben op deze documenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 09/9142 en AWB 10/3637

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft verweerder eiser inzage verstrekt in 353 bladzijden van de niet actuele gegevens, aanwezig over eiser bij de AIVD, kennisneming van overige niet actuele gegevens geweigerd en kennisneming van eventuele actuele gegevens geweigerd.

Bij brief van 25 juli 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juni 2009.

Eiser is op 9 november 2009 over zijn bezwaar gehoord.

Bij besluit van 20 november 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 30 december 2009 is aan eiser inzage verleend in 221 bladzijden van de bij de AIVD aanwezige gegevens over de organisaties en gebeurtenissen Ban de Bom-beweging, Anarchisme/Federatie van Anarchistische Actiegroepen (F.A.A.), Provo, Kabouterbeweging, Groen Amsterdam, Amsterdam Anders/De Groenen, Groenlinks, Volksuniversiteit voor sabotage en pseudo-erotiek, ontvoering 1970, aanslag metro 1975, De Vrije (anarchistisch tijdschrift), Provo (anarchistenblad) en advies van de BVD aan de Commissaris van de Koningin in verband met het verlenen van een Koninklijke onderscheiding (hierna verder te noemen: organisaties en gebeurtenissen), kennisneming van overige niet actuele gegevens over deze organisaties en gebeurtenissen geweigerd en kennisneming van eventuele actuele gegevens over organisaties en gebeurtenissen geweigerd.

Bij brief van 22 januari 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.

Eiser is op 17 februari 2010 gehoord over zijn bezwaar.

Bij besluit van 1 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de besluiten van 20 november 2009 en 1 april 2010 beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij toestemming verleend om mede op grond van de stukken waarvan uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen uitspraak te doen.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brieven van 16 maart 2010 en 30 juni 2010 verweerschriften ingediend. Verweerder heeft ten aanzien van een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder verwijzing naar artikel 87 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (WIV) een beroep gedaan op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb en medegedeeld dat alleen de rechtbank van die stukken kennis mag nemen. Verweerder heeft daarnaast de rechtbank in de gelegenheid gesteld op ten kantore van de AIVD kennis te nemen van enkele stukken, welke niet in afschrift aan de rechtbank zijn overgelegd.

De rechtbank heeft van voormelde stukken in het kader van de toepassing van artikel 87 van de WIV kennis genomen.

De zaken zijn op 11 november 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door [X].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [Y].

II OVERWEGINGEN

1.1 Verweerder heeft de verzoeken van eiser aangemerkt als aanvragen als bedoeld in artikel 47 van de WIV.

1.2 Ingevolge artikel 15 van de WIV dragen de hoofden van de diensten zorg voor:

a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

1.3 Ingevolge artikel 45 van de WIV kan, onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 (artikelen 45 tot en met 57).

1.4 Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de WIV deelt verweerder een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

1.5 Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de WIV wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 47 in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in

verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt,

en

3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 53, van de WIV wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

1.6 Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIV wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 51 afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

Ingevolge het vierde lid, van artikel 55, van de WIV zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 47 onderscheidenlijk 50, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53 onderscheidenlijk 54.

1.7 Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de WIV, voor zover thans van belang, blijft in bestuursrechtelijke procedures inzake de toepassing van deze wet waarbij verweerder door de rechtbank ingevolge artikel 8:27, 8:28 of 8:45 van de Awb wordt verplicht tot het verstrekken van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, artikel 8:29, derde tot en met vijfde lid, van die wet buiten toepassing. Indien verweerder de rechtbank meedeelt dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken, kan de rechtbank slechts met toestemming van de andere partijen mede op grondslag van die inlichtingen of stukken uitspraak doen.

2.1 Verweerder heeft aan zijn besluiten tot gedeeltelijke afwijzing van de verzoeken van eiser ten grondslag gelegd dat hij, gelet op artikel 15, gelezen in verbinding met artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIV, de bronnen, werkwijzen en het actuele kennisniveau van de AIVD geheim moet houden, omdat verstrekking van dergelijke gegevens de nationale veiligheid zou kunnen schaden. Voorts staat artikel 45 van de WIV in beginsel in de weg aan het openbaar maken van persoonsgegevens van derden in het kader van kennisnemings-verzoeken. Verweerder stelt dat de belangen gediend met de geheimhouding van de bronnen en werkwijzen van de AIVD en daarmee het belang van de nationale veiligheid meer gewicht toekomt dan het persoonlijke belang van eiser en dat daarmee het achterhouden van een gedeelte van de gegevens is gerechtvaardigd.

2.2 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat voor het verwerken van actuele gegevens over hem, al dan niet in relatie tot de organisaties en gebeurtenissen, door verweerder geen grond kan bestaan. Eiser wijst in dit verband op het feit dat hem een Koninklijke onderscheiding is verleend. Aan eiser is geen inzage verstrekt in over hem verstrekte gegevens, die dateren van na 1982. Eiser stelt dat inzage in gegevens daterend van na 1982 ten onrechte is geweigerd.

Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte geen informatie verstrekt over de vraag of actuele gegevens over eiser worden verwerkt. Eiser wijst erop dat verweerder wel uitdrukkelijk heeft verklaard dat over de inmiddels ontbonden politieke partij CPN geen actuele gegevens worden verwerkt. Onder betwisting van de stelling dat er voor verweerder en zijn voorganger, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), ooit aanleiding heeft bestaan om gegevens over eiser te verwerken, stelt eiser dat de verwerkte gegevens betrekking hebben op zijn activiteiten voor reeds lang niet meer bestaande organisaties, zodat verweerder ook over eiser een degelijke verklaring zou kunnen worden afgegeven.

Eiser stelt dat verstrekking van de niet actuele gegevens mogelijk ruimer had kunnen plaatsvinden, eiser heeft onvoldoende vertrouwen in de door verweerder uitgevoerde zoekslag, zowel voor wat betreft de tot hem herleidbare gegevens, opgenomen in dossiers over organisaties en gebeurtenissen, als voor wat betreft de archieven van de verschillende diensten, die gegevens over eiser hebben verwerkt.

Eiser stelt ten slotte dat hij niet uitsluit dat niet verstrekte gegevens wel in samengevatte of geparafraseerde vorm hadden kunnen worden.

3.1 Ter beoordeling staat of verweerder terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat de bepalingen van de WIV in de weg staan aan het verlenen van inzage in meer gegevens dan bij de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009 ter inzage zijn gegeven.

De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar heeft aangevoerd dat ook in het verleden voor de voorganger van de AIVD geen grond heeft kunnen bestaan voor het verwerken van gegevens met betrekking tot eiser en de organisaties waarin hij met anderen samenwerkte, dit gelet op eisers levenslange, volstrekt vreedzame en democratische inzet voor verbetering van de maatschappij en eiser wenst hiervoor een verontschuldiging. De rechtbank kan in deze procedure evenwel slechts een oordeel geven over de betreden besluiten en zal zich over de noodzaak tot gegevensverwerking door de (voorganger van de) AIVD niet uitlaten.

3.2 Een verzoek om inzage in actuele gegevens moet verweerder afwijzen op grond van artikel 53, eerste lid, en artikel 55, eerste lid, in verbinding met het vierde lid, van de WIV. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2007 (LJN BA2691), waarin is overwogen “De bepalingen laten de Minister geen discretie. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WIV heeft de wetgever bij het vaststellen van die bepalingen als uitgangspunt gekozen dat de AIVD zijn wettelijke taak, de veiligheid van de staat te beschermen, uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitvoeren.” De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ook het verzoek om informatie over de vraag òf actuele gegevens worden verwerkt op grond van deze bepalingen wordt afgewezen. Immers beantwoording van die vraag kan onder omstandigheden de taak van de AIVD belemmeren. Een verplichting van verweerder om in gevallen waarin geen actuele gegevens worden verwerkt dat gegeven kenbaar te maken, maakt geheimhouding van het feit dat wel actuele gegevens worden verwerkt illusoir. Dat verweerder wel bereid is die informatie te verstrekken in gevallen waarin het verwerken van actuele gegevens wegens het niet langer bestaan van de rechtspersoon of natuurlijke persoon in kwestie niet mogelijk is, maakt dit niet anders. Eiser stelt ten onrechte dat de organisaties, waaraan hij verbonden was, in dit opzicht kunnen worden vergeleken met de ontbonden politieke partij, nu die organisaties geen officieel ontbonden rechtspersonen zijn, maar voormalige samenwerkingsverbanden van nog levende personen.

3.3 De rechtbank heeft met toepassing van artikel 87 van de WIV kennisgenomen van de door de AIVD verwerkte, eiser (mede in verband met organisaties en gebeurtenissen) betreffende, niet actuele persoonsgegevens.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser een aantal documenten niet ter inzage is gegeven, omdat verweerder heeft vastgesteld dat de daarin opgenomen gegevens reeds aan eiser verstrekt zijn in voorgaande, veelal identieke documenten, dan wel omdat verweerder heeft vastgesteld dat deze documenten reeds in het bezit van eiser zijn.

De door eiser bij de door verweerder uitgevoerd zoekslag geplaatste vraagtekens, en met name waar deze zijn gebaseerd op het tellen van het aantal gedocumenteerde stukken, kunnen voor een deel hierdoor worden verklaard.

Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden op grond van artikel 47 inzage te verlenen in reeds bij de verzoekende partij bekende documenten.

3.4 De rechtbank heeft niet vastgesteld dat verweerder eiser ten onrechte geen inzage heeft verleend in (gedeelten van) documenten op de grond dat daardoor persoonsgegevens van derden zouden worden vrijgegeven.

3.5 Verweerder heeft bij de weigering inzage te verlenen in documenten op de grond dat werkwijzen van de AIVD (en BVD) geheim moeten blijven aangegeven dat deze alleen wordt gehanteerd indien het gaat om actuele werkwijzen. Voor zover inzage is geweigerd op de grond dat bronnen van de AIVD en BVD geheim moeten blijven is de weigering absoluut, omdat de bekendmaking van bronnen, ook wanneer deze niet langer informatie aan de inlichtingendiensten verstrekken, de bereidheid om informatie aan inlichtingendiensten te vertrekken in het algemeen zou kunnen doen afnemen en daarmee de taak van de inlichtingendienst bemoeilijken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de reikwijdte van zijn plicht tot geheimhouding van werkwijze en bronnen juist heeft vastgesteld.

De rechtbank is echter van oordeel dat door verweerder ten onrechte inzage in documenten is geweigerd op de grond dat de bronnen geheim moeten blijven in gevallen waarin gegevens afkomstig zijn van publiekrechtelijke organisaties, zoals politiediensten en het openbaar ministerie, die wettelijk verplicht zijn in voorkomende gevallen de inlichtingendiensten informatie te verschaffen.

Dit betekent dat de weigering eiser inzage te verlenen in de met betrekking tot zijn persoon verwerkte gegevens, aan de inlichtingendiensten verstrekt door politiediensten en het openbaar ministerie, niet berust op een draagkrachtige motivering en de bestreden besluiten voor zover daarbij is geweigerd inzage te verlenen in deze documenten behoren te worden vernietigd. De rechtbank wijst erop dat vorenstaande niet betekent dat eiser (onverkort) inzage moet worden verleend in bedoelde documenten. Verweerder is immers gerechtigd te beoordelen of inzage wellicht op andere gronden behoort te worden geweigerd.

3.6 De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder eiser geen inzage heeft verleend in een gedeelte van de door de AIVD verwerkte, op organisaties en gebeurtenissen betrekking hebbende, niet actuele gegevens, op de grond dat eisers verzoeken niet zien op deze gegevens, onder meer omdat eiser slechts zijdeling wordt genoemd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in een aantal gevallen de verzoeken te eng heeft uitgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is bij documenten betrekking hebbend op activiteiten, waarbij eiser aanwezig was of als organisator of bedenker is genoemd.

Ook van deze documenten zal verweerder alsnog moeten beoordelen of inzage op een van de gronden genoemd in de WIV behoort te worden geweigerd.

3.7 De rechtbank heeft geconstateerd dat aan eiser een parafrase is verstrekt van een document, waarvan door de rechtbank ten kantore van de AIVD is kennis genomen. Het aan eiser verstrekte vermeldt: ‘interneringslijst’, gevolgd door de naam van eiser. Verweerder heeft niet aangegeven op welke grond inzage in de letterlijke tekst van dit document aan eiser wordt onthouden en de rechtbank is van oordeel dat hiervoor geen op de WIV gebaseerde grond kan worden aangewezen.

3.8 Vorenstaande leidt tot het oordeel dat de beroepen gegrond behoren te worden verklaard voor zover eiser geen inzage is verleend in de hiervoor in rechtsoverwegingen 3.5, 3.6 en 3.7 bedoelde documenten. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen voor zover deze betrekking hebben op deze documenten.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling, nu daarom niet is verzocht.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluit van 20 november 2009, kenmerk 4224537/01 en

1 april 2010, kenmerk 4322969/01, voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd eiser inzage te verlenen in de door de rechtbank in rechtsoverweging 3.5, 3.6 en 3.7 bedoelde stukken;

draagt verweerder op (een) nieuw(e) besluit(en) te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 300,00, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mrs. E. Kouwenhoven, C.I.H. Kerstens-Fockens en C.G. Meeder in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Erkan.

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.