Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4608

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
AWB 11/1498 & 11/1497
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De motivering die verweerder in het bestreden besluit geeft luidt als volgt. “Het standpunt in de zienswijze dat het betrokkene niet mag worden aangerekend dat hij zijn originele nationaliteits- en identiteitsdocumenten niet heeft meegenomen vanwege de angst om door Turkije te worden uitgezet naar Iran, wordt niet gevolgd. Redengevend hiertoe is dat het de verantwoordelijkheid van de asielzoeker is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen bij zijn asielaanvraag, ongeacht de gestelde omstandigheid dat Turkije al dan niet Iraniërs naar het land van herkomst uitzet. De door betrokkene overgelegde artikelen maakt dit standpunt niet anders.” Aldus heeft verweerder zijn besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd en treft de beroepsgrond doel. Verweerder heeft voorts niet gemotiveerd waarom hetgeen verzoeker wel heeft verklaard niet voldoende is. Verzoeker heeft in beroep aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 maart 2010 (appl. no. 41827/07, R.C. t. Zweden), met name de rechtsoverwegingen 35, 36 en 56, alsmede naar de door het EHRM in dit arrest genoemde rapportages. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, door te verwijzen naar de informatie in het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken over Iran van 2010 niet gemotiveerd de stelling van verzoeker heeft weerlegd, dat verzoeker met de verwijzing naar het arrest van het EHRM en de daarin genoemde rapportages concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht. Deze beroepsgrond treft doel. Beroep gegrond, afwijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK `s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11 / 1498 (voorlopige voorziening)

AWB 11 / 1497 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 februari 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit, verblijvende in

het [verblijfplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 5 januari 2011 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 12 januari 2011 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 13 januari 2011 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 13 januari 2011 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag aangevoerd dat hij in de omgeving van de Iraanse stad [naam ] op 12 december 2010 een lift heeft gegeven aan vier personen. Drie van hen zaten in laadbak van zijn bestelauto, de vierde zat naast verzoeker. Onderweg naar [naam ] kwam hen een politieauto tegemoet. Verzoeker werd door de passagier die naast hem zat, genoodzaakt om te keren. Hij bracht zijn voertuig tot stilstand en keerde heel zacht om, om geen stofwolken op te werpen waardoor hij in de vallende duisternis zichtbaar zou zijn, en reed in de tegenovergestelde richting. De politieauto haalde verzoekers auto in, waarna zijn achterpassagiers met Kalashnikows op de politieauto begonnen te schieten. De banden van verzoekers bestelauto werden geraakt toen de politie terug schoot en hij moest stoppen. Verzoeker is uit zijn auto gesprongen en een heuvel opgerend. Aan de achterkant van de heuvel nam hij een taxi en ging eerst naar huis. Hij haalde daar zijn moeder op en nam papieren, medicijnen voor zijn moeder en geld mee en ging naar het huis van zijn zuster. Daar heeft hij de mogelijkheden onderzocht om naar Turkije te komen.

2.5 Verweerder werpt verzoeker tegen dat hij niet heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 31, tweede lid, sub f van de Vreemdelingenwet (Vw). Volgens verweerder heeft hij om niet verschoonbare redenen geen identiteitsdocumenten overgelegd. Hij heeft ook geen documenten over zijn reis van [naam ] via Turkije naar Amsterdam en geen treinkaartje van Amsterdam naar Kopenhagen overgelegd. Voorts heeft verzoeker geen eenvoudige informatie over zijn reisroute kunnen verschaffen. Wegens het ontbreken van positieve overtuigingskracht is verzoekers asielrelaas niet geloofwaardig.

2.6 Verzoeker heeft dit oordeel op na te noemen gronden bestreden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 Verzoeker stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij geen nationaliteits- en identiteitsbewijs heeft overgelegd. Verzoeker voert daartoe aan dat hij zijn Iraanse documenten niet heeft meegenomen uit angst om in Turkije met Iraanse documenten te worden opgepakt en te worden gerefouleerd naar Iran. Voor de gegrondheid van deze vrees verwijst verzoeker naar de bij de zienswijze genoemde en overgelegde documentatie. Verzoeker stelt dat verweerder niet betwist dat sprake is van gegronde vrees voor refoulement, echter verweerder vindt dit ten onrechte niet relevant. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

2.8 De motivering die verweerder in het bestreden besluit geeft luidt als volgt. “Het standpunt in de zienswijze dat het betrokkene niet mag worden aangerekend dat hij zijn originele nationaliteits- en identiteitsdocumenten niet heeft meegenomen vanwege de angst om door Turkije te worden uitgezet naar Iran, wordt niet gevolgd. Redengevend hiertoe is dat het de verantwoordelijkheid van de asielzoeker is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen bij zijn asielaanvraag, ongeacht de gestelde omstandigheid dat Turkije al dan niet Iraniërs naar het land van herkomst uitzet. De door betrokkene overgelegde artikelen maakt dit standpunt niet anders.”

2.9 Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw luidt als volgt:

“Bij het onderzoek naar de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat;

(..) (..)

f. de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.”

2.10 Verweerder heeft derhalve op grond van voorgaande bepaling te onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde omstandigheden een reden zijn om hem het ontbreken van reis- of identiteitspapieren niet toe te rekenen. Verweerder kan de aangevoerde omstandigheden en de daarvoor gegeven onderbouwing in de overgelegde documentatie niet onbesproken laten, zoals hij blijkens de hiervoor weergegeven motivering heeft gedaan. Het standpunt in de zienswijze dat het betrokkene niet mag worden aangerekend dat hij zijn originele nationaliteits- en identiteitsdocumenten niet heeft meegenomen vanwege de angst om door Turkije te worden uitgezet naar Iran, wordt niet gevolgd. De door verweerder ter zitting gegeven aanvullende motivering dat zich in Turkije een UNHCR post bevindt waar verzoeker bescherming had kunnen vragen, is geen adequate reactie op de door verzoeker overgelegde documentatie en is derhalve niet alsnog een deugdelijke motivering.

2.11 Aan bespreking van de beroepsgrond dat het onzorgvuldig is geweest de aanvraag in de AA-procedure af te doen, onder verwijzing naar onder meer het bepaalde in artikel 4 van richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn), waarin staat dat de asielzoeker zijn documenten zo spoedig mogelijk moet indienen en verzoeker geen redelijke termijn is gegund om alsnog met de documenten te kunnen komen, komt de voorzieningenrechter thans niet toe. Eerst zal verweerder in een nieuw te nemen besluit gemotiveerd moeten beoordelen of verzoeker toerekenbaar geen reis- of identiteitsdocumenten bij zijn aanvraag heeft overgelegd. De omstandigheid dat verzoeker alsnog identiteitsdocumenten heeft overgelegd zal door de voorzieningenrechter derhalve thans niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

2.12 Ten aanzien van het ontbrekende treinkaartje merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder ter zitting, naar aanleiding van het op 28 januari 2011 door de gemachtigde van verzoeker aan de rechtbank toegestuurde vervoersbewijs en de reservering van de treinreis van Amsterdam naar Kopenhagen, het ontbreken van het treinkaartje niet langer tegenwerpt en het bestreden besluit in zoverre heeft ingetrokken.

2.13 Verweerder heeft verzoeker nog tegengeworpen dat hij geen enkel indicatief bewijs van de reis [naam ]-Turkije-Amsterdam heeft kunnen overleggen, noch dat hij in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reis te geven. Verzoeker is van [naam ] in Iran via Turkije naar Nederland gereisd, van welke reizen in redelijkheid mag worden verondersteld dat deze met documenten te staven zouden zijn. Verwacht mag worden dat verzoeker informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als de dorpen in Turkije waar hij heeft verbleven, de landen en plaatsen die hij tijdens zijn reis heeft aangedaan en van waar naar waar hij met een boot heeft gereisd. In dit verband verwijst verweerder naar hoofdstuk C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waarin staat dat verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft en tevens niets meer weet van de reis, niet geloofwaardig zijn. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis af te leggen. Daarvan is geen sprake. De redenen die verzoeker in zijn zienswijze heeft aangegeven voor het niet kunnen verstrekken van informatie aangaande zijn reis worden door verweerder niet gevolgd.

2.14 In de zienswijze heeft verzoeker de volgende verklaringen gegeven voor het niet kunnen verstrekken van informatie aangaande zijn reis van Iran naar Amsterdam:

- De dorpen zijn te klein om deze op basis van verzoekers topografische kennis te kunnen kennen. Hij kwam niet in aanraking met Turkse dorpelingen. Hij zat in een huis waar hij niet uit mocht. Hij heeft verteld dat hij in Istanbul was. Onduidelijk is waarop verweerder de stelling baseert dat verzoeker de dorpen in Turkije waar hij is geweest moet kunnen noemen.

- De reisroute tussen de Iraanse-Turkse grens is grotendeels te construeren omdat verzoeker aangeeft waar hij aan de Iraanse kant de grens is overgegaan.

- Van Istanbul naar Amsterdam heeft verzoeker in een geblindeerde auto en op een boot gezeten. Het is onredelijk te verwachten dat verzoeker de doorreislanden kan noemen vanuit een geblindeerde auto.

- Verzoeker is nooit in Europa geweest en leest noch spreekt Europese talen.

2.15 Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder niets over deze concrete omstandigheden heeft gezegd en niet kenbaar en gemotiveerd heeft beoordeeld of de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd geloofwaardig zijn. Het is niet zo dat verzoeker niets weet en niets heeft verklaard. Verzoeker heeft verklaard uit eigen wetenschap. Verweerder heeft in redelijkheid deze verklaringen niet kunnen afwijzen.

2.16 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treft deze beroepsgrond doel. Verweerder heeft in zijn algemeenheid verwezen naar het ter zake gevoerde beleid zonder zich in het onderhavige concrete geval een oordeel te vormen over de geloofwaardigheid van de door verzoeker gestelde afgelegde reisroute, over de door verzoeker gestelde onmogelijkheid informatie te verstrekken in het licht van die afgelegde reisroute en de omstandigheden waaronder die reis is afgelegd. Verweerder heeft voorts niet gemotiveerd waarom hetgeen verzoeker wel heeft verklaard niet voldoende is.

2.17 Aan bespreking van de beroepsgronden die zijn gericht tegen de door verweerder tegengeworpen tegenstrijdigheden in het kader van de positieve overtuigingskracht komt de voorzieningenrechter niet toe. Uit een nieuw te nemen besluit zal moeten blijken of verweerder de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht nog immer aanlegt. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er nog wel op dat verweerder in het besluit, naar aanleiding van de zienswijze, een aantal tegenstrijdigheden heeft laten vallen en ter zitting de tegengeworpen tegenstrijdigheid op het onderdeel van het aantal wapens heeft ingetrokken.

2.18 Ten slotte heeft verzoeker in beroep aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 maart 2010 (appl. no. 41827/07, R.C. t. Zweden), met name de rechtsoverwegingen 35, 36 en 56, alsmede naar de door het EHRM in dit arrest genoemde rapportages. Verzoeker stelt met deze verwijzing concrete aanknopingspunten naar voren te hebben gebracht voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 2010 over Iran. Op basis van dit ambtsbericht stelt verweerder zich op het standpunt dat terugkeer naar Iran geen enkel probleem is. Het ambtsbericht negeert de informatie zoals die blijkt uit genoemd arrest, aldus verzoeker. Verzoeker heeft nooit een paspoort gehad en zal deze ook niet krijgen. Verzoeker is illegaal uitgereisd of zal in elk geval zonder juiste documenten als een paspoort moeten terugkeren, in de negatieve aandacht van de autoriteiten komen als bedoeld in rechtsoverweging 35 e.v. van het arrest en bij terugkeer naar het speciale gerecht gaan met alle gevolgen als marteling zoals beschreven in rechtsoverweging 56 van het arrest. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

2.19 Verweerder heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd waaruit is gebleken dat hij illegaal is uitgereisd. Verzoeker heeft zijn reis ook niet aannemelijk gemaakt met documenten, indicatieve bewijzen dan wel gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen aangaande zijn reisroute. Er is geen reden om aan te nemen dat hetgeen de persoon is overkomen in genoemd arrest van het EHRM ook verzoeker zal overkomen bij terugkeer. In het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken over Iran van 2010 wordt beschreven dat jaarlijks duizenden in het buitenland verblijvende Iraniërs, waaronder voormalige asielzoekers, terugkeren naar Iran en dat er geen gevallen bekend zijn van uitgeprocedeerde asielzoekers die na terugkeer in de problemen zijn gekomen.

2.20 Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld, is sprake van een motiveringsgebrek ten aanzien van verweerders tegenwerping dat verzoeker geen enkel indicatief bewijs van de reis heeft kunnen overleggen, noch dat hij in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reis te geven. Derhalve kan verweerders standpunt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij illegaal is uitgereisd vooralsnog niet in stand blijven. Of verzoeker al dan niet aannemelijk heeft gemaakt of hij illegaal is uitgereisd, sluit voorts niet uit dat hij zonder de juiste papieren zal moeten terugkeren. De betekenis daarvan dient te worden beoordeeld in het licht van de informatie zoals die blijkt uit genoemd arrest van het EHRM en het ambtsbericht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, door te verwijzen naar de informatie in het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken over Iran van 2010 niet gemotiveerd de stelling van verzoeker heeft weerlegd, dat verzoeker met de verwijzing naar het arrest van het EHRM en de daarin genoemde rapportages concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht. Deze beroepsgrond treft doel.

2.21 Gelet op vorenstaande is het beroep gegrond. Het besluit zal worden vernietigd omdat het is genomen in strijd met artikel 3:46 Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.22 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.23 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste , Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 12 januari 2011;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 874,- en in verband met het beroep ad € 437,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter en op 8 februari 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.