Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4464

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/44016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de samenvatting verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank van 6 januari 2011 (LJN: BP0109).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 10 / 44016

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser], volgens zijn verklaring geboren op 1 januari 1982 dan wel 1 januari 1990 en van Marokkaanse dan wel Libische nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. M.S. Yap, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 3 juni 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

1.2. Bij beroepschrift van 23 december 2010 is namens eiser zowel beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming als tegen het besluit van verweerder van 13 december 2010, waarbij verweerder de bewaring van eiser met toepassing van artikel 15, vijfde en zesde lid van de Richtlijn 2008/115/EG de bewaring per 3 december 2010 met twaalf maanden verlengd. Voorts heeft eiser verzocht om schadevergoeding.

1.3. Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 27 december 2010 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 27 december 2010.

1.4. De rechtbank heeft op 31 december 2010 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven.

1.5. Bij faxbericht van 4 januari 2011 heeft eiser een nadere reactie ingezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2010, alwaar zowel eiser als zijn gemachtigde voornoemd niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.F. Verhaegh.

2. Overwegingen

2.1. Op 16 december 2008 is door het Europees Parlement en de Raad de Richtlijn 2008/115 EG aangenomen betreffende de gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna te noemen de Terugkeerrichtlijn). Ingevolge artikel 20, eerste lid, van voornoemde richtlijn dient deze Terugkeerrichtlijn uiterlijk 24 december 2010 te zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Niet in geschil is dat de Terugkeerrichtlijn niet voor 24 december 2010 is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.

2.2. Verweerder heeft eiser bij schrijven van 13 december 2010 meegedeeld dat toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn en de maatregel van bewaring per 3 december 2010 wordt verlengd met twaalf maanden. De rechtbank ziet aanleiding allereerst het door eiser tegen dit schrijven ingediende beroep te beoordelen.

2.3. Eiser heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de bewaring met ingang van 24 december 2010 onrechtmatig is. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op de uitspraak van deze zittingsplaats van de rechtbank ’s Gravenhage, van 3 januari 2011, met registratienummer AWB 10/43410.

2.4. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

2.5. In artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn is het volgende bepaald:

“ 5. De bewaring wordt gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

6. De lidstaten kunnen de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

- de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

- de nodige documentatie uit derde landen op zich laten wachten.”

2.6. Niet in geschil is dat de Terugkeerrichtlijn niet voor 24 december 2010 is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Naar het oordeel van de rechtbank lenen het vijfde en zesde lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn zich voor rechtstreekse toepassing nu hierin een onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurige bepaling is opgenomen. Daarbij verwijst de rechtbank naar het Becker-arrest van het Hof van Justitie van 19 januari 1982, zaak 8/81, waarin is geoordeeld dat in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, een particulier gerechtigd is om hierop een beroep te doen tegenover de staat, wanneer deze verzuimt om de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten.

2.7. Gelet op het vorenstaande, moet worden vastgesteld dat op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn de bewaringsduur maximaal zes maanden mag bedragen. Ingevolge artikel 15, zesde lid van de Richtlijn kan deze maximale termijn slechts in beperkte mate worden verlengd overeenkomstig nationale wetgeving. De rechtbank is van oordeel dat ingevolge dit artikellid een bevoegdheidsgrondslag is vereist in de nationale wetgeving om te kunnen komen tot het verlengen van de door de Richtlijn bepaalde maximum termijn van zes maanden. Het ontbreken van een in de nationale wetgeving verankerde verlengingsbevoegdheid, maakt een naar aanleiding van de Richtlijn genomen verlengingsbesluit in verband met het ontbreken van de vereiste wettelijke grondslag, onrechtmatig.

2.8. Verweerders standpunt, dat de bevoegdheidsgrondslag voor de verlenging zou zijn gelegen in artikel 59 van de Vw 2000, volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder aan dit artikel weliswaar de bevoegdheid ontleent tot het opleggen en het laten voorduren van de bewaring, doch dat deze bepaling sinds de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn echter geen wettelijke grondslag (meer) biedt voor het laten voortduren van de bewaring na zes maanden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht weliswaar niet noodzakelijkerwijs vereist is dat de bepalingen ervan formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke wettelijke bepaling worden overgenomen, echter juist bij een Richtlijn als de Terugkeerrichtlijn en in het bijzonder de bepalingen omtrent inbewaringstelling met het oog op verwijdering is naar het oordeel van de rechtbank een specifieke omzetting geboden, aangezien blijkens de considerans van de Terugkeerrichtlijn die inbewaringstelling moet worden beperkt en, uit het oogpunt van de gebruikte middelen en nagestreefde doelstellingen, aan het evenredigheidsbeginsel worden onderworpen. Dat evenredigheidsbeginsel vindt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel zijn neerslag in het vijfde lid van de Terugkeerrrichtlijn waarin om die reden een maximale bewaringstermijn is opgenomen. In de mogelijkheid tot het maken van een uitzondering op die maximale termijn voorziet vervolgens het zesde lid echter mits dit nationaalrechtelijk wordt geregeld. De Nederlandse wetgeving kent thans geen bepaling die in dit verband als toereikende omzettingsmaatregel kan worden beschouwd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat, nu de bewaring een aanvang heeft genomen op 18 maart 2010 en derhalve op 24 december 2010 reeds meer dan zes maanden voortduurde, de bewaring in elk geval met ingang van 24 december 2010 onrechtmatig is geworden.

2.9. Vervolgens overweegt de rechtbank met betrekking tot het beroep gericht tegen het voortduren van de vrijheidsontneming nog als volgt. Bij uitspraak van 20 september 2010 (AWB 10 / 30517) heeft de rechtbank de bewaring rechtmatig geacht tot de dag van sluiting van het onderzoek ter zitting in die zaak, zijnde 14 september 2010. Ter beoordeling ligt in dit kader voor of de voortduring van de bewaring reeds eerder en wel in de periode van

14 september 2010 tot 24 december 2010 voor onrechtmatig moet worden gehouden, waartoe het volgende wordt overwogen.

2.10. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt dat op 8 oktober 2010 eiser is gepresenteerd bij de autoriteiten van Marokko. Voorts is laatstelijk op 15 december 2010 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten inzake de in onderzoek zijnde aanvraag tot afgifte van een laissez-passer. Tevens is laatstelijk op 21 december 2010 een vertrekgesprek gevoerd met eiser.

2.11. Gelet op de in onderzoek zijnde aanvraag tot afgifte van een laissez-passer en nu geen sprake is van aanknopingspunten dat er ten behoeve van eiser geen laissez-passer zal worden verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Voorts is de rechtbank, gelet op de regelmatige rappellen en het regelmatig voeren van vertrekgesprekken met eiser, van oordeel dat niet gesteld kan worden dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door ook een lp aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten in te dienen, overweegt de rechtbank dat het in beginsel aan verweerder vrijstaat om te bepalen naar welk land uitzettingshandelingen worden verricht, waarbij wordt opgemerkt dat het op de weg van eiser ligt om duidelijkheid omtrent zijn identiteit en nationaliteit te verschaffen.

2.12. Met betrekking tot de vraag of het belang van verweerder om eiser ter fine van uitzetting in bewaring te houden tot 24 december 2010 zwaarder heeft moeten wegen dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld, overweegt de rechtbank als volgt.

2.13. Uit onderdeel A6/5.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) blijkt, voor zover thans van belang, dat als beleidsuitgangspunt geldt dat, naarmate de bewaring voortduurt, het belang van de desbetreffende vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter wordt en na zes maanden bewaring in het algemeen zwaarder weegt dan het belang om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. Onder omstandigheden kan de genoemde termijn langer dan zes maanden zijn. Dit kan het geval zijn indien bijvoorbeeld sprake is van frustratie door de vreemdeling van het onderzoek naar de vaststelling van de identiteit of nationaliteit. De bewaring mag volgens voormeld onderdeel van de Vc 2000 niet langer duren dan met het oog op het doel van deze maatregel strikt noodzakelijk is.

2.14. Verweerder heeft, blijkens de voortgangsrapportage, het standpunt ingenomen dat eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit heeft gefrustreerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden dit standpunt heeft ingenomen en in redelijkheid conform zijn beleid het belang dat verweerder had bij voortduring van de maatregel tot 24 december 2010 zwaarder heeft kunnen doen wegen dan het belang van eiser bij invrijheidstelling. De rechtbank acht van belang dat eiser geen activiteiten heeft ondernomen om aan documenten te geraken die zijn gestelde identiteit en nationaliteit kunnen onderbouwen. Eiser is op 30 juli 2010 gepresenteerd bij de autoriteiten in Libië. Op diezelfde datum hebben de autoriteiten van Libië laten weten dan er geen laissez-passer kan worden afgegeven dit terwijl eiser bij herhaling aangeeft de Libische nationaliteit te bezitten.

2.15. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring niet eerder dan met ingang van 24 december 2010 onrechtmatig is te achten. Derhalve acht de rechtbank het beroep van eiser van 23 december 2010 in zoverre ongegrond.

2.16. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank verder termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen over de periode waarin deze bewaring ten onrechte heeft voortgeduurd. Eiser komt om die reden over de periode van 24 december 2010 tot 6 januari 2011 (zijnde 13 dagen) schadevergoeding toe.

2.17. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding derhalve 13 x € 80,= is € 1.040,=.

2.18. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 437,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

- waarde per punt € 437,=;

wegingsfactor 1.

2.19. Aangezien ten behoeve van eiser geen toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

2.20. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van heden;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 1.040,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt aan eiser;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 437,=, te vergoeden aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

w.g. mr. R.A. Debets,

griffier w.g. mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.040,= (ZEGGE; DUIZENDVEERTIG EURO)

Aldus gedaan op 6 januari 2011 door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen.

Afschrift verzonden: 6 januari 2011.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover is beslist op het vervolgberoep, geen hoger beroep open.

Voor zover is beslist op het beroep gericht tegen het verlengingsbesluit kunnen partijen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113 2500 BC ’s Gravenhage.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.