Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4364

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
AWB 10-37100
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De behandelend psychiater acht een veilige behandelomgeving voor eiseres noodzakelijk en meent dat deze voor eiseres in Rwanda niet kan worden gevonden. Deze opvatting is hoofdzakelijk en uitsluitend gebaseerd op hetgeen eiseres heeft verklaard over wat zij in haar land van herkomst en tijdens haar vlucht heeft meegemaakt en op haar stelling dat Rwanda voor haar geen veilig land is. In rechte staat vast dat het asielrelaas van eiseres, in ieder geval met betrekking tot de periode vanaf 1995, ongeloofwaardig is en dat geen grond bestaat voor de opvatting dat Rwanda voor eiseres een onveilig land is. Aangezien voorts uit het Protocol BMA volgt dat – kort gezegd – het BMA zich niet uitlaat over de veiligheid van het land van herkomst en over de aannemelijkheid van een door een vreemdeling in zijn land van herkomst ondervonden trauma en dat deze beoordeling is voorbehouden aan verweerder, hetgeen de rechtbank niet onjuist voorkomt, kan evenbedoelde opvatting van de psychiater niet afdoen aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/37100

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2011

inzake

[eiseres],

geboren op [datum] 1983,

nationaliteit Rwandese,

verblijvende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde mr. I.M. van Kuilenburg,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "het ondergaan van een medische behandeling c.q. medische noodsituatie" afgewezen.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 1 oktober 2010 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 26 oktober 2010 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 januari 2011, waar eiseres in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is het besluit van 26 oktober 2010 in rechte stand kan houden.

<i>Feiten en omstandigheden</i>

2. Bij de beoordeling van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseres is naar eigen zeggen op 6 november 2003 Nederland binnengekomen. Op 9 november 2003 heeft zij een asielaanvraag ingediend. In haar asielrelaas heeft eiseres onder meer verklaard dat haar ouders, broers en zuster in 1994 zijn omgebracht. Zij heeft verklaard te hebben gezien dat haar moeder en zusje werden vermoord. Verder heeft eiseres verklaard dat zij uit haar land is gevlucht omdat haar broer op 28 oktober 2003 door regeringssoldaten werd doodgeschoten. Op 11 februari 2004 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt de asielaanvraag af te wijzen. Daarbij heeft verweerder onder meer gesteld dat er geen positieve overtuigingskracht uitgaat van de verklaringen van eiseres en dat vooral haar verklaringen met betrekking tot de gebeurtenissen vanaf 1995 ongeloofwaardig worden geacht. Bij besluit van 19 maart 2004 is de asielaanvraag, onder verwijzing naar het voornemen, afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In beroep heeft eiseres haar asielrelaas aangevuld, waarbij zij heeft verklaard dat zij meerdere malen en door verschillende personen is verkracht. Bij uitspraak van 27 juni 2005, met kenmerk AWB 04/16900 heeft deze rechtbank het oordeel van verweerder dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is gesanctioneerd en het beroep van eiseres ongegrond verklaard.

4. Op 23 augustus 2005 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend.

5. Bij nota van 21 februari 2006 heeft het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) op verzoek van verweerder advies uitgebracht. In dit advies staat – kort gezegd – vermeld dat eiseres poliomyelitis heeft doorgemaakt, dat geen sprake is van een medische noodsituatie op korte termijn en dat zij kan reizen.

6. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder de onderhavige aanvraag afgewezen.

7. Eiseres heeft op 6 april 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat zij onder behandeling is van een psychiater drs. S. Herreman, (hierna: psychiater) en een medisch verslag overgelegd van een behandelaar. In dit verslag staat vermeld dat eiseres angstklachten heeft die vooral lijken voort te komen uit een posttraumatische stressstoornis, alsook dat zij getuige was van de moord op haar broer, dat zij in Rwanda al eens is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en dat zij tijdens haar vlucht seksueel is misbruikt. Bij brief van 17 mei 2006 heeft eiseres overgelegd een email van haar psychiater, waarin staat vermeld dat eiseres het tijdens de gesprekken met de psychiater heeft gehad over de moord op haar moeder en dat de moord op haar broer, de vlucht, het verraad en de verkrachting nog op de agenda staan en dat het volgens de psychiater onmogelijk lijkt voor eiseres om in het land van traumatisatie aan deze gruwelijke herinneringen te werken, alsook dat terugkeer naar haar gevoel gelijk is aan vermoord te worden.

8. Bij nota van 24 april 2007 heeft het BMA op verzoek van verweerder nogmaals advies uitgebracht. In dit advies wordt naast de poliomyelitis ingegaan op de psychische klachten van eiseres. Ten aanzien van laatstgenoemde klachten vermeldt het BMA-advies dat psychiatrische behandeling in het land van herkomst niet mogelijk is, dat BMA geen medische noodsituatie op korte termijn verwacht bij het staken van de behandeling, dat een gedwongen terugkeer zou kunnen leiden tot een ernstige psychische decompensatie en dat medische herbeoordeling voor de reis benodigd is. Bij brief van 4 juni 2007 heeft BMA een toelichting gegeven op evenbedoelde nota en uiteengezet geen uitspraak te kunnen doen over het bericht van de psychiater waarin de problematiek wordt gerelateerd aan traumatische gebeurtenissen in het land van herkomst.

9. Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

10. Bij uitspraak 16 juli 2008 heeft de rechtbank het door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

11. Bij uitspraak van 23 maart 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) de aangevallen uitspraak bevestigd.

12. Bij nota van 15 augustus 2009 heeft het BMA op verzoek van verweerder opnieuw advies uitgebracht. Bij het opstellen van dit advies heeft het BMA onder meer betrokken de brief van 20 juli 2009 van de psychiater. In deze brief staat vermeld dat, ook als eiseres in Nederland zou kunnen blijven, moeilijk te voorspellen is hoe lang behandeling nodig zal zijn, omdat het gaat over diverse traumata (vooral de moord op haar moeder, de moord op haar broer, de martelingen en verkrachtingen in de gevangenis en het verraad door de vriend van haar broer, wederom met seksueel contact). In de nota staat onder meer vermeld dat psychiatrische behandeling verkrijgbaar is in Rwanda, dat reizen is toegestaan, maar dat het BMA, in het licht van uitspraken van eiseres omtrent suïcidaal gedrag, niet kan beoordelen of het voor eiseres verantwoord is om te reizen indien die reis niet vrijwillig is en als de bestemming Rwanda is.

Bij brief van 15 september 2009 heeft de psychiater gereageerd op de nota van het BMA en gesteld dat niet kan worden afgeleid dat psychotherapie voor een posttraumatische stressstoornis beschikbaar is in Rwanda en dat, als die er al zou zijn, die voor eiseres niet toereikend is, omdat zij nooit zal durven haar trauma’s aan landgenoten te vertellen vanwege diepgeworteld wantrouwen in alle Rwandezen.

Bij brief van 3 oktober 2009 heeft het BMA gereageerd op de brief van de psychiater en gesteld dat de beschikbaarheid van behandelmogelijkheden voor een posttraumatische stressstoornis kan worden afgeleid uit een door het BMA geraadpleegd brondocument en dat – kort gezegd – de effectiviteit van een psychiatrische behandeling bezwaarlijk is te voorspellen en zeker als die gerelateerd wordt aan zulke moeilijk te objectiveren begrippen als een veilige behandelomgeving en de opbouw van een vertrouwensband met de behandelaar, alsook dat het bezwaar tegen een Rwandees als behandelend psychiater kan worden ondervangen door de inzet van een buitenlandse vakgenoot, maar dat succes ook dan niet is verzekerd.

13. Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2006 (wederom) ongegrond verklaard.

14. Op 17 december 2009 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld. Bij brief van 6 juni 2010 heeft eiseres aanvullende medische informatie overgelegd met betrekking tot een zelfmoordpoging van eiseres in maart 2010.

15. Op 14 juni 2010 heeft verweerder het besluit van 17 december 2009 ingetrokken.

16. Bij nota van 31 juli 2010 heeft BMA op verzoek van verweerder opnieuw advies uitgebracht. Bij het opstellen van dit advies heeft BMA de brief van 20 juli 2010 van de psychiater betrokken. In die brief heeft de psychiater onder meer gesteld dat eiseres zelfmoordgedachten en ook zelfmoordplannen heeft als ze uitgezet zou worden naar een voor haar onveilig land, zoals Rwanda, alsook dat het voor de therapie van eiseres nodig zou zijn dat de procedures eindelijk gestopt worden en dat ze zich veilig kan ontwikkelen in een land van haar keuze.

In het BMA-advies van 31 juli 2010 staat onder meer het volgende vermeld. Bij eiseres is sprake van psychische problematiek in de zin van een ernstige depressie zonder psychotische kenmerken en een posttraumatische stresstoornis (PTSS). Zij heeft zelfmoordgedachten en ook zelfmoordplannen. Op 26 maart 2010 heeft zij een zelfmoordpoging door verhanging gedaan. Eiseres wordt behandeld door een psychiater met ondersteunende gesprekken en medicatie (Mirtazapine en Quetiapine). Specifieke traumabehandeling is nog niet mogelijk gebleken. Het is niet duidelijk hoe lang de totale psychiatrische behandeling zal gaan duren. Het huidig psychiatrisch ziektebeeld kenmerkt zich door suïcidaal gedrag c.q. een recente suïcidepoging. In deze fase van de behandeling is een medische noodsituatie te verwachten bij uitblijven van de psychiatrische behandeling. Eiseres wordt niet in staat geacht te reizen met de gangbare vervoermiddelen. Zij zal naar verwachting weer kunnen reizen als haar mentale toestand in voldoende mate gestabiliseerd is. Een herbeoordeling is geïndiceerd over een jaar. De therapiemogelijkheden in het land van herkomst zijn voldoende. Psychiatrische behandeling is verkrijgbaar in het King Faysal Hospital te Kigali, Rwanda. De medicatie is niet verkrijgbaar, maar er is wel vervangende medicatie verkrijgbaar.

Bij brief van 16 augustus 2010 heeft eiseres op het BMA-advies van 31 juli 2010 gereageerd.

17. Bij brief van 31 augustus 2010 heeft verweerder, onder verwijzing naar het BMA-advies van 31 juli 2010, op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaald dat uitzetting van eiseres achterwege dient te blijven.

18. Bij brief van 1 oktober 2010 heeft verweerder meegedeeld dat ambtshalve aan artikel 64 van de Vw 2000 is getoetst en dat de uitzetting van eiseres voor de duur van één jaar, tijdelijk achterwege wordt gelaten tot 1 oktober 2011.

19. In beroep heeft eiseres een brief van de psychiater van 19 oktober 2010 overgelegd. Daarin staat vermeld dat (-) traumabehandeling voor eiseres nu in Nederland niet mogelijk is vanwege de blijvende ongewisheid over haar verblijfsvergunning (-) traumabehandeling niet mogelijk is in Rwanda, omdat zij daar zoveel dierbaren heeft verloren, daar zelf ook ernstig is mishandeld, misbruikt en verraden en zij daar geen veilig behandelklimaat kan vinden en (-) reizen naar Rwanda voor eiseres gelijk staat aan zelfmoord plegen, alleen al de dreigende uitzetting haar weer achterdochtig en suïcidaal maakt en dat haar laatste zelfmoordpoging op 26 maart 2010 plaatsvond.

<i>Standpunten van partijen</i>

20. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft ter ondersteuning van dit standpunt verwezen naar het BMA-advies van 31 juli 2010. Er bestaan geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze informatie. Bij het opstellen van het BMA-advies is de brief van de psychiater van 20 juli 2010 betrokken. Uit het BMA-advies blijkt niet dat volgens de psychiater een veilige behandelomgeving voor eiseres nodig zou zijn. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat niet is gebleken dat de financiering van de medische behandeling deugdelijk is geregeld, hetgeen eveneens een afwijzingsgrond oplevert voor de verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor verblijf vanwege een medische noodsituatie, nu zij niet voldoet aan de voorwaarde dat de medische behandeling betreffende de medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst. Voorts stelt verweerder dat de Afdeling bij uitspraak van 18 juni 2010, (zaaknummer 200907282/1) heeft geoordeeld dat het niet kunnen reizen geen omstandigheid is die bij het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met toepassing van artikel 3.4. derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vanwege een medische noodsituatie dient te worden betrokken. Tot slot overweegt verweerder dat op grond van artikel 64 Vw 2000 aan eiseres uitstel van vertrek wordt verleend voor de duur van één jaar.

21. Eiseres heeft hiertegen - kort weergegeven – het volgende aangevoerd.

22. Het bestreden besluit is niet op een zorgvuldige wijze voorbereid, is ondeugdelijk gemotiveerd en er heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden.

23. De BMA-arts heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de stelling van de psychiater dat behandeling in Rwanda niet mogelijk zal zijn omdat eiseres zich daar niet veilig zal voelen. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de medische informatie in het dossier. Voorts heeft eiseres verwezen naar twee uitspraken van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg van 7 april 2009, zaaknummer 2008/123 en 12 januari 2010, zaaknummer 2008/266.

24. Voorts zijn de conclusies in het BMA-advies innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant stelt het BMA dat bij het uitblijven van de behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat reizen - vanwege haar mentale gesteldheid - niet mogelijk is en anderzijds schrijft het BMA dat in algemeen medisch technische zin therapiemogelijkheden in het land van herkomst aanwezig zijn. Eiseres ziet niet in hoe beide conclusies zich met elkaar verhouden nu voor een medische behandeling minstens de patiënt voorhanden moet zijn.

25. Het BMA-advies is verder onvolledig, omdat de BMA-arts geen antwoord geeft op de vraag of de behandeling die eiseres nodig heeft, namelijk de behandeling van de posttraumatische stressstoornis en depressie, in algemeen technische zin beschikbaar is.

26. Uitzetting van eiseres is in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts beroept eiseres zich op de artikelen 1, 2, 3, 4, 6 en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De (rechtsgevolgen van) het bestreden besluit zijn in strijd met diverse grondrechten.

<i>Beoordeling</i>

27. De rechtbank overweegt als volgt.

28. Met betrekking tot de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.46 van het Vb 2000 (medische behandeling) stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan het cumulatieve vereiste van een deugdelijke financiering. Verweerder heeft reeds op grond daarvan de door eiseres ingediende aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking “medische behandeling” terecht afgewezen.

29. Met betrekking tot de afwijzing van de verblijfsvergunning in verband met een medische noodsituatie, overweegt de rechtbank als volgt.

30. Om in aanmerking te komen voor een dergelijke verblijfsvergunning dient ingevolge paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000 betrokkene zich in Nederland te bevinden en dient sprake te zijn van de situatie dat:

a. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan, en

b. de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen, en

c. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.

31. Blijkens het beroepschrift spitst het geschil zich vooral toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet wordt voldaan aan de onder b van paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000 genoemde voorwaarde.

32. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verwezen naar het BMA-advies van 31 juli 2010. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2008, www.rechtspraak.nl, LJN: BG7950) zijn de door verweerder aan besluiten ten grondslag gelegde adviezen van het BMA deskundigenadviezen aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dienen ze op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag in beginsel van zulke adviezen uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

33. Voorts heeft verweerder ter nadere toelichting gewezen op het Protocol Bureau Medische Advisering. In de daarbij behorende bijlage “Uitleg reikwijdte medische advies” staat onder meer het volgende vermeld (pagina 15 en 16):

<small>“Het komt voor dat de betrokkene en/of zijn behandelaar stelt dat er geen behandelingsmogelijkheden zijn, omdat ernstig getwijfeld moet worden aan de effectiviteit van behandeling in het land van herkomst/bestemming. Gesteld wordt dat de behandeling niet effectief zal zijn vanwege gevoelens van onveiligheid en/of de onmogelijkheid van het opbouwen van een vertrouwensband met een behandelaar in het land van herkomst. Beide aspecten worden ook vaak in relatie gebracht met een gesteld doorgemaakt trauma in het desbetreffende land. Op deze plaats wordt benadrukt dat het niet de medische adviseur maar de minister is die bepaalt of een land in algemene zin veilig genoeg is om naar terug te kunnen keren.

“Gevoel van veiligheid/vertrouwensband”

Over het standpunt dat een veilig ervaren behandelomgeving in het land van herkomst een belangrijke of zelfs noodzakelijke behandelvoorwaarde is voor de effectiviteit van de behandeling, het volgende. In de eerste plaats is gevoel van (on)veiligheid in hoge mate subjectief en voor de medisch adviseur niet te objectiveren. Evenmin is medische gezien te objectiveren en te voorspellen hoe iemand zich na een eventuele terugkeer zal gaan voelen. Hetzelfde geldt voor de (on)mogelijkheid om een vertrouwensband op te bouwen met de behandelaars ter plaatse.

Vaak worden het gevoel van onveiligheid en de onmogelijkheid van het opbouwen van een vertrouwensband met een behandelaar in het land van herkomst in verband gebracht met een door de vreemdeling gesteld ondervonden trauma dat in het land zou hebben plaatsgevonden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de aannemelijkheid van het trauma en de vraag of het trauma al dan niet asielgerelateerd is, in de asielprocedure door de IND worden onderzocht. Het is dan ook die procedure waarin de vreemdeling die aspecten moet inbrengen. BMA speelt geen rol bij de waarheidsvinding in de asielprocedure. Genoemde aspecten zijn daarom niet relevant in de procedure waarin BMA om advies wordt gevraagd (regulier vvr medische behandeling, vrijstelling mvv, artikel 64 of de specifiek medische art 3 EVRM beoordeling).

Het voorgaande brengt met zich mee dat uitspraken over effectiviteit van de behandeling in overwegende mate een als speculatief aan te merken karakter zullen hebben. Als een medisch adviseur zou gaan speculeren over gevoelens van onveiligheid en/of de vertrouwensband met behandelaars in het land van herkomst/bestemming als mogelijke grond voor twijfel aan de effectiviteit van behandeling in het land van herkomst/bestemming, dan zou hij dat doen op basis van niet-onderbouwde aannames in plaats van op basis van objectieve feiten of in elk geval objectiveerbare omstandigheden. Daarmee zou de medische adviseur zich niet aan zorgvuldigheidseis 2 houden.”</small>

34. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat, gezien het BMA-advies van 31 juli 2010, geen grond voor het oordeel dat dit advies niet op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. In het BMA-advies is gemotiveerd uiteengezet dat – kort gezegd - psychiatrische behandeling verkrijgbaar is in het King Faysal Hospital te Kigali, Rwanda. De omstandigheid dat eiseres thans niet kan reizen is geen omstandigheid die relevant is bij de beoordeling of behandeling van eiseres in medisch technische zin mogelijk is in het land van herkomst (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2010, 200907282, www.raadvanstate.nl). De rechtbank acht daarbij van belang dat het BMA heeft geoordeeld dat vooralsnog niet is gebleken dat eiseres de behandelingsbestemming blijvend niet zal kunnen bereiken. Anders dan eisers stelt is het BMA-advies in dit opzicht niet innerlijk tegenstrijdig.

35. Tevens bevat het betoog van eiseres geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies van 31 juli 2010.

36. Weliswaar kan, anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld, uit de BMA-arts ter beschikking staande medische informatie over eiseres, zoals hiervoor onder de rubriek feiten en omstandigheden weergegeven, waaronder de brief van de psychiater van 20 juli 2010, genoegzaam worden afgeleid dat de psychiater een veilige behandelomgeving voor eiseres noodzakelijk acht en dat de psychiater meent dat deze voor eiseres in Rwanda niet kan worden gevonden, maar het BMA-advies van 31 juli 2010 biedt geen grond voor het oordeel dat de BMA-arts niet bekend was met deze opvatting van de psychiater.

37. Met betrekking tot die opvatting van de psychiater stelt de rechtbank vast dat deze blijkens de hiervoor onder de rubriek feiten en omstandigheden weergegeven brieven van die psychiater (in het bijzonder de brief van 19 oktober 2010) hoofdzakelijk en uitsluitend is gebaseerd op hetgeen eiseres heeft verklaard over wat zij in haar land van herkomst en tijdens haar vlucht heeft meegemaakt en op haar stelling dat Rwanda voor haar geen veilig land is. Zoals hiervoor onder de rubriek feiten en omstandigheden is vastgesteld staat in rechte vast dat het asielrelaas van eiseres, in ieder geval met betrekking tot de periode vanaf 1995, ongeloofwaardig is en dat geen grond bestaat voor de opvatting dat Rwanda voor eiseres een onveilig land is. Aangezien voorts uit de hiervoor weergegeven passages van de bijlage “Uitleg en reikwijdte medische advies” bij het Protocol Bureau Medische Advisering volgt dat – kort gezegd – het BMA zich niet uitlaat over de veiligheid van het land van herkomst en over de aannemelijkheid van een door een vreemdeling in zijn land van herkomst ondervonden trauma en dat deze beoordeling is voorbehouden aan verweerder, hetgeen de rechtbank niet onjuist voorkomt, kan evenbedoelde opvatting van de psychiater niet afdoen aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies van 31 juli 2010. Dat, zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangevoerd, door verweerder niet wordt getwijfeld aan de verklaring van eiseres dat haar moeder en andere familieleden in 1994 in Rwanda zijn vermoord, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de psychiater haar opvatting niet enkel heeft gebaseerd op deze verklaring maar op basis van het geheel van verklaringen van eiseres.

38. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het BMA geen antwoord geeft op de vraag of de behandeling die voor eiseres nodig is, namelijk de behandeling van PTSS en depressie, in algemeen medische technische zin beschikbaar is. De BMA-arts is blijkens het BMA-advies van 31 juli 2010 bekend met de psychische problemen van eiseres en meer in het bijzonder dat bij haar sprake is van psychische problematiek in de zin van een ernstige depressie zonder psychotische kenmerken en een posttraumatische stressstoornis. Op basis van deze gegevens en op basis van beschikbare informatie met betrekking tot therapiemogelijkheden in het land van herkomst komt de BMA-arts tot de conclusie dat psychiatrische behandeling mogelijk is. Bovendien heeft het BMA bij brief van 3 oktober 2009 in reactie op de brief van de psychiater van 15 september 2009 uiteengezet dat de beschikbaarheid van behandelmogelijkheden voor een posttraumatische stressstoornis kan worden afgeleid uit een door BMA geraadpleegd brondocument.

39. Gelet op het voorgaande mocht verweerder bij zijn besluitvorming uitgaan van het BMA-advies van 31 juli 2010.

40. Uitgaande van dit BMA-advies heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een medische noodsituatie indien eiseres terugkeert naar het land van herkomst, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

41. Het betoog van eiseres dat uitzetting van eiseres naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM dan wel de door haar genoemde artikelen van het Handvest, slaagt niet, omdat eiseres in verband met haar mentale toestand en haar suïcidepoging op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek is verleend voor de duur van een jaar, waarbij tevens na een jaar herindicatie zal volgen.

42. Gelet op het voorgaande kan de weigering om eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "het ondergaan van een medische behandeling c.q. medische noodsituatie" te verlenen in rechte standhouden.

43. Het beroep is ongegrond.

44. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

45. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. Otag-Kosman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: