Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4006

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
09-757084-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting, mensensmokkel, mensenhandel, gewoontewitwassen. Verdachte heeft zich tegenover personen van Surinaamse afkomst voorgedaan als een vrouw die tegen betaling verblijfsvergunningen en/of Nederlandse paspoorten kon regelen. Vervolgens heeft verdachte voor (een deel van) haar slachtoffers kansloze aanvragen voor verblijfsvergunningen en Vreemdelingenwet-procedures laten aanspannen, waarvoor zij irreële hoge geldbedragen vroeg, die in de duizenden euros liepen. Verdachte heeft hierdoor deze slachtoffers opgelicht. Aldus is zij tevens uit winstbejag behulpzaam geweest bij het verschaffen van verblijf van alhier illegaal verblijvende Surinaamse mensen. Voorts heeft verdachte een aantal van deze illegalen, die zich als gevolg van haar handelen dus in een kwetsbare en alleszins van haar afhankelijke positie bevonden, uitgebuit, door hen op evengenoemde grond van afhankelijkheid aan haar te binden, waardoor zij voor haar en haar bedrijf verbouwingswerkzaamheden hebben uitgevoerd en bleven uitvoeren, zelfs zonder dat zij de daarvoor door haar beloofde vergoeding kregen uitbetaald. De omstandigheden waaronder de verdachte de voor haar werkzame personen heeft laten werken zijn in de ogen van de officier van justitie en verdediging in casu niet zodanig schrijnend geweest dat deze de kwalificatie van oogmerk van uitbuiting en derhalve van mensenhandel kan dragen. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, ook los beschouwd van het (deels) uitblijven van het arbeidsloon, de arbeidsomstandigheden op zichzelf beschouwd in casu niet uitermate schrijnend zijn geweest. [...] Voor de strafbaarheid op grond van artikel 273f eerste lid sub 4 is slechts van belang dat het slachtoffer zich onder dwang of beïnvloeding voor arbeid of diensten beschikbaar heeft gesteld”, aldus de Hoge Raad ten aanzien van artikel 250a, eerste lid, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, een van de voorlopers van het huidige artikel 273f, eerste lid, sub 4 van het Wetboek van Strafrecht (HR NJ 2006, 525, LJN AX9215). Hiervan is te dezen naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/757084-10

Datum uitspraak: 11 februari 2011

Tegenspraak

(Uitgewerkt cfm 359 lid 3 WvSv/Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "P.I. Utrecht – P.I.V. HvB

Nieuwersluis" te Nieuwersluis.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 juli 2010 (pro forma), 6 september 2010 (pro forma), 22 oktober 2010 (pro forma), 3 december 2010 (pro forma) en 28 januari 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering en de wijzigingen van de tenlastelegging van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2.1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijzigingen van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 maart 2010

te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam

en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen

en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. [persoon 1] en/of

b. [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of

c. [persoon 4] en/of

d. [persoon 5] en/of

e. [persoon 6] en/of

f. [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of

g. [persoon 9] en/of

h. [persoon 10] en/of één of meer anderen

heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten

a. [persoon 1]: EUR 3.350,- en/of

b. [persoon 2] en/of [persoon 3]: EUR 6.000,- en/of

c. [persoon 4]: EUR 9.000,-, althans EUR 5.000,- en/of,

d. [persoon 5]: EUR 2.000,- en/of

e. [persoon 6]: EUR 2.000,- en/of

f. [persoon 7] en/of [persoon 8] : EUR 25.000,- en/of

g. [persoon 9]: EUR 2.000,- en/of

h. [persoon 10]: EUR 9.250,-

althans telkens enige geldbedragen, in elk geval van enig goed, hebbende

verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voornoemde

personen medegedeeld dat zij, verdachte, bij de Immigratie- en Naturalisatie

Dienst werkzaam was en/of als advocaat, althans bij een advocatenkantoor,

werkzaam was en/of (aldus) een verblijfsvergunning dan wel een rechtmatige

verblijfsstatus en/of een Nederlands paspoort voor voornoemde personen kon

verkrijgen en/of kon bewerkstelligen/regelen, waardoor die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of

één of meer anderen werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2009 tot en met 22 maart 2010 te

's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of in [plaats] (Suriname)

de [familie X] (bestaande uit [persoon 7] en/of [persoon 8]

en/of [persoon 11] en/of [persoon 12] en/of [persoon 13])

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland en/of

hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl zij

wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk was

en/of voornoemde leden van de [familie X] uit winstbejag behulpzaam is

geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of hen daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl zij wist of

ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft verdachte

- voornoemde leden van de [familie X], althans [persoon 7], in

Suriname bezocht en/of

- toegezegd dat zij zou regelen dat voornoemde leden van de [familie X]

(binnen 18 maanden) in het bezit zouden zijn van een Nederlands paspoort

en/of een rechtmatige verblijfsstatus en/of

- kopieën van paspoorten en/of uittreksels uit het geboorteregister van de

leden van de [familie X] in ontvangst genomen en/of deze documenten

meegenomen naar Nederland en/of

- de [familie X] geadviseerd om op een toeristenvisum naar Nederland te

komen en/of

- van de [familie X] een geldbedrag van EUR 25.000,-, athans enig

geldbedrag, in ontvangst genomen en/of

- aanvraagformulieren voor verblijfsvergunningen ten behoeve van de leden van

de [familie X] voornoemd ingevuld en/of laten invullen en/of

- een verblijfsvergunning en/of een voorlopige voorziening voor één of meer

leden van de [familie X] voornoemd aangevraagd en/of

- de [familie X] medegedeeld dat zij een of meer verblijfsvergunning(en)

ten behoeve van de leden van de familie had aangevraagd,

terwijl het/de feit(en) is/zijn begaan in de uitoefening van enig ambt of

beroep;

3.

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 22

maart 2010 te 's-Gravenhage en/of te Rotterdam en/of elders in Nederland één

of meer anderen, te weten [persoon 6] en/of [persoon 4] en/of

[persoon 5] en/of [persoon 10] en/of [persoon 13] en/of [persoon 9] en/of één

of meer anderen uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen

van verblijf in Nederland en/of hen daartoe gelegenheid, middelen of

inlichtingen heeft verschaft, terwijl zij wist of ernstige redenen had te

vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft verdachte voornoemde personen arbeid laten verrichten en/of

arbeid doen verrichten,

terwijl zij hiervan een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

4.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 22 maart 2010

te 's-Gravenhage en/of te Rotterdam en/of elders in Nederland

[persoon 6] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 10]

en/of [persoon 13] en/of [persoon 9] en/of één of meer anderen

door dwang en/of door één of meer feitelijkheden en/of door dreiging met één

of meer feitelijkheden, door afpersing, fraude en/of misleiding en/of door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door

misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen en/of

heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

arbeid,

met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en),

bestaande die dwang en/of feitelijkheden, dreiging met feitelijkheden,

afpersing, fraude, misleiding en/of misbruik hieruit dat verdachte

voornoemde personen, die allen illegaal in Nederland verbleven

- (grote) geldbedragen aan haar, verdachte, heeft laten betalen teneinde een

rechtmatige verblijfsstatus te verkrijgen en/of

- verblijfsvergunningen ten behoeve van de genoemde personen heeft aangevraagd

en/of

- voornoemde personen heeft verteld dat zij verblijfsvergunningen had

aangevraagd en/of aanvragen voor verblijf had gedaan en/of

- voornoemde personen arbeid heeft laten en/of doen verrichten en/of

- één of meer van voornoemde personen heeft gezegd dat zij werkzaamheden

moesten verrichten omdat verdachte anders zou stoppen met de aanvragen voor

verblijfsvergunningen en/of

- voornoemde personen niet of een (zeer) laag bedrag voor hun werkzaamheden

heeft uitbetaald;

5.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 22 maart 2010, te

's-Gravenhage, althans in Nederland, van één of meer geldbedragen (tot een totaal van

€ 37.162,17) de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verhuld en/of één of meer

geldbedragen (tot een totaal van € 37.162,17) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad

en/of heeft omgezet, terwijl zij wist dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf, terwijl verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

2.2. Partiële nietigheid van de tenlastelegging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat het onderdeel “en/of één of meer anderen” (laatste regel) te weinig specifiek is en onvoldoende onderscheidend vermogen heeft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank dan ook nietig verklaren.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim nu de opnamen van de getapte telefoongesprekken die verdachte heeft gevoerd met advocaat mr. [A] ten onrechte door de officier van justitie als geheimhoudersgesprekken zijn aangemerkt en derhalve zijn vernietigd. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat deze gesprekken in casu geen geheimhoudersgesprekken behelzen aangezien verdachte telefonische gesprekken heeft gevoerd met mr. [A] over juridische procedures van derden, zodat mr. [A] niet in zijn hoedanigheid van advocaat met diens cliënt heeft gecommuniceerd.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat aan het handelen van de officier van justitie op grond van evengenoemd onherstelbaar vormverzuim een zwaarwegende (andere) consequentie dient te worden verbonden.

Bij dupliek heeft de raadsman in dit kader nog aangevoerd dat hij niet veronderstelt dat de officier van justitie “willens en wetens” met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging heeft gehandeld.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle gesprekken met geheimhouders worden beluisterd en vervolgens bij gewaarwording daarvan worden vernietigd, tenzij bij dit beluisteren is gebleken van (een) strafba(a)re feit(en) waaraan de desbetreffende geheimhouder zich schuldig zou hebben gemaakt. In de onderhavige zaak is daarvan niet gebleken, zodat deze gesprekken zijn vernietigd. Daarmee is geheel gehandeld conform de binnen het Openbaar Ministerie geldende richtlijnen. Van een vormverzuim is dus geen sprake. Zo de rechtbank van mening zou zijn dat wel sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dan verzoekt de officier van justitie dat de rechtbank zal bepalen dat dit verzuim in de strafmaat zal worden gecompenseerd.

3.3 De beoordeling.

De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, reeds op de grond dat de raadsman in deze het naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijke standpunt heeft ingenomen dat de officier van justitie bij het - door de raadsman veronderstelde - vormverzuim niet “willens en wetens” met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging zou hebben gehandeld. Het verweer kan dus geen doel treffen .

Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank niet sprake geweest van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Nu verdachte allereerst zelf cliënt van het kantoor van mr. [A] is geweest en verdachte vervolgens tevens als contactpersoon voor derden - een groot aantal cliënten dat zij bij datzelfde kantoor heeft aangebracht - voor mr. [A] is opgetreden, is het standpunt van de officier van justitie dat (ook) deze gesprekken van mr. [A] als geheimhoudersgesprekken dienden te worden aangemerkt niet onjuist noch onbegrijpelijk. Het belang van de bescherming van het verschoningsrecht staat immers in gevallen als deze voorop, zoals ook kan worden opgemaakt uit het te dezen toepasselijke artikel 126aa, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Ook het subsidiair gevoerde verweer dient derhalve te worden verworpen.

Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

4. Het bewijs.

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van enkele (Surinaamse) personen door deze personen te doen geloven dat zij een verblijfsvergunning en/of een Nederlands paspoort voor hen kon regelen omdat zij werkzaam was bij de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) en/of bij een advocatenkantoor, ten gevolge waarvan deze personen telkens forse geldbedragen aan haar hebben betaald (feit 1). Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan mensensmokkel van een deel van deze personen, door hen uit winstbejag op diverse wijzen behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf in ons land (feit 2), alsmede door een ander deel van deze personen arbeid voor haar te laten verrichten (feit 3). Daarnaast vormt de verdenking dat verdachte zich ten aanzien van een aantal van evenbedoelde personen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel (feit 4) en voorts dat zij (er een gewoonte van heeft gemaakt dat zij) diverse geldbedragen heeft witgewassen (feit 5).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten onder 1 t/m 3 en 5 heeft begaan.

Door de officier van justitie is ten aanzien van de onder 4. tenlastegelegde mensenhandel gesteld dat dit feit niet kan worden bewezen aangezien de situatie waarin de desbetreffende personen zich bevonden niet dermate schrijnend was dat kan worden gesproken van een uitbuitingssituatie, zoals verondersteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft tevens medegedeeld dat zij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

4.2 Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in de kern beschouwd op het standpunt gesteld dat de rechtbank - daargelaten een aantal hierna te bespreken partiële bewijsverweren - tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1, 2, 3 en 5.

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging op dezelfde grond als de officier van justitie de vrijspraak van dit feit bepleit.

4.3 De beoordeling1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

a. Inleiding

De verdachte is vanaf 2005, eerst als uitzendkracht en later in vast dienstverband, werkzaam geweest bij de IND te Rijswijk op de afdeling financiële administratie. Tussen medio 2007 en medio 2008 heeft de IND diverse klikbrieven ontvangen evenals een aantal anonieme telefonische meldingen, alle inzake strafbare gedragingen door een medewerker van de IND. Uit een tweetal nadere onderzoeken rees het vermoeden dat deze informatie mogelijk zag op gedragingen van verdachte. Verdachte zou in dat geval tegen betaling van forse geldbedragen derden - zogenaamd - behulpzaam zijn (geweest) bij het verkrijgen van verblijfsvergunningen. Op basis van deze informatie is een aantal getuigen gehoord door medewerkers van de IND, waarna is besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de gedragingen van verdachte2.

b. Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft dit feit bekend, zodat de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 28 januari 2011, inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – dat het klopt wat de verschillende personen als genoemd in de tenlastelegging, te weten [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], [persoon 4]. [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 10], telkens als getuige hebben verklaard, dat de door hen in die verklaringen genoemde forse geldbedragen die zij aan verdachte hebben betaald, correct zijn, dat hetgeen zij deed, naar zij wist, “foute boel” was, dat zij ook wist dat de getuigen niet zouden krijgen wat zij hen vertelde, alsmede dat zij de zaken als genoemd in de tenlastelegging onder de nadere feitsomschrijving heeft voorgespiegeld, te weten onder meer dat zij deze personen heeft medegedeeld dat zij voor hen een verblijfsvergunning, althans rechtmatige verblijfsstatus, althans Nederlands paspoort kon regelen;

- de verklaring van getuige [persoon 1] op 14 oktober 2008, als afgelegd bij een intern onderzoek door de IND3, alsmede de fotoherkenning van de verdachte door deze getuige4;

- de verklaring van getuigen [persoon 2] en [persoon 3] op 10 april 2009, als afgelegd bij een intern onderzoek door de IND5, alsmede de fotoherkenning van de verdachte door [persoon 2]6;

- de verklaring van getuige [persoon 4] op 26 maart 2010 bij de vreemdelingenpolitie7 en op 21 april 2010 bij de rechter-commissaris8, alsmede de verhoren van zijn partner de getuige [partner] op 24 maart 2010 bij de vreemdelingenpolitie9;

- de verklaring van getuige [persoon 5] op 23 maart 2010 bij de vreemdelingenpolitie10 en op 27 april 2010 bij de rechter-commissaris11;

- de verklaring van getuige [persoon 6] op 8 april 2010 bij de vreemdelingenpolitie12 en op 16 april 2010 bij de rechter-commissaris13;

- de verklaring van getuige [persoon 13] op 13 april 2010 bij de vreemdelingenpolitie14 en op 21 april 2010 bij de rechter-commissaris15;

- de verklaring van getuige [persoon 10] op 18 mei 2010 bij de vreemdelingenpolitie16 en op 21 oktober 2010 bij de rechter-commissaris17.

Nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1:

Uit het dossier is naar voren gekomen dat [persoon 9] een verblijfsvergunning voor vijf jaar heeft gekregen18. Het door [persoon 9] aan verdachte betaalde bedrag van 2.000,-- euro beschouwt de rechtbank bovendien als een reëel bedrag voor het voeren van een verblijfsprocedure. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank met de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van oplichting van [persoon 9] door de verdachte, zodat de rechtbank verdachte ten aanzien van de tenlastelegging rond deze persoon (partieel) zal vrijspreken.

De rechtbank acht het – bij wijziging ter terechtzitting – in de tenlastelegging onder 1 opgenomen verwijt dat verdachte te dien aanzien samen met (een) ander(en) zou hebben gehandeld eveneens met de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen. Zowel de verdediging als de officier van justitie hebben niet onbegrijpelijk aangegeven dat dit deel van de tenlastelegging klaarblijkelijk ziet op de mogelijke samenwerking tussen verdachte en de advocaat mr. [A]. De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat het advocatenkantoor van mr. [A] bemoeienis heeft gehad met de in het kader van de Vreemdelingenwet ten behoeve van de in de tenlastelegging vermelde personen gevoerde vreemdelingenprocedures. Dat sprake is geweest van enige vorm van samenwerking tussen verdachte – die voor veel van deze personen bij het advocatenkantoor optrad als tussen- dan wel contactpersoon – en mr. [A] staat daarmee in voldoende mate vast. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier en het verhandelde ter zitting echter onvoldoende volgen dat hierbij tevens sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en mr. [A] welke was gericht op de aan verdachte verweten oplichting van de in de tenlastelegging vermelde personen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en). In het licht van het vorenstaande acht de rechtbank het tenlastegelegde “medeplegen” dan ook niet bewezen en zal zij verdachte daarvan (partieel) vrijspreken.

c. Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ook dit feit ter terechtzitting bekend, zodat de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 28 januari 2011, inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – ik heb de [familie X], te weten [persoon 7], [persoon 8], [persoon 11], [persoon 12] en [persoon 13] geholpen om naar Nederland te komen. Het klopt wat de personen uit deze familie hieromtrent telkens als getuige hebben verklaard, evenals het door hen genoemde totaalbedrag van 25.000,- euro dat zij aan mij hebben betaald. Het klopt dat ik voor de [familie X] aanvraagformulieren heb ingevuld en dat ik hen heb toegezegd dat ik binnen 18 maanden een Nederlands paspoort voor hen zou kunnen regelen, alsmede dat ik voor hen verblijfsvergunningen had aangevraagd;

- de verklaring van getuige [persoon 13] op 13 april 2010 bij de vreemdelingenpolitie19 en op 21 april 2010 bij de rechter-commissaris20;

- de verklaring van getuige [persoon 8] op 18 augustus 2010 bij de vreemdelingenpolitie21;

- een geschrift, te weten een uitwerking van een telefoongesprek tussen verdachte en [persoon 13] op 17 februari 2010 22;

- een geschrift te weten een uitwerking van een telefoongesprek tussen verdachte en [persoon 13] op 4 maart 2010 23.

- een proces-verbaal van bevindingen inzake de verblijfsrechtelijke status van [persoon 13]24 en een proces-verbaal van bevindingen betreffende de verblijfsrechtelijke status van de [familie X]25

Nadere overwegingen met betrekking tot feit 2:

Door de verdediging is, naar het oordeel van de rechtbank met juistheid, niet weersproken dat - op bepaalde tijdstippen in de tenlastegelegde periode - sprake is geweest van een wederrechtelijk verblijf in Nederland in de zin van artikel 197a Wetboek van Strafrecht van de betreffende personen – die allen op (valse gronden op) een toeristenvisum naar Nederland zijn gekomen – en dat de verdachte daarvan ook op de hoogte is geweest. De rechtbank verwijst op dit punt tevens naar het hiervoor genoemde bewijsmiddel ter zake de verblijfsrechtelijke status van de [familie X].

De rechtbank kan uit het dossier niet opmaken dat verdachte het feit heeft gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, zodat zij verdachte, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

d. Ten aanzien van feit 3:

Verdachte heeft ook het onder 3 tenlastegelegde feit ter terechtzitting bekend, zodat de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 28 januari 2011, inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – de in de tenlastelegging genoemde personen, te weten [persoon 6], [persoon 4], [persoon 5] en [persoon 13], hebben voor mij werkzaamheden verricht. Ze hebben voor mij onder meer verbouwingswerkzaamheden verricht. Ik wist dat zij geen van allen mochten werken;

- de verklaring van getuige [persoon 6] op 8 april 2010 bij de vreemdelingenpolitie26 en op 16 april 2010 bij de rechter-commissaris27, alsmede een proces-verbaal inzake zijn verblijfsrechtelijke status28;

- de verklaring van getuige [persoon 4] op 26 maart 2010 bij de vreemdelingenpolitie29 en op 21 april 2010 bij de rechter-commissaris30, alsmede een proces-verbaal inzake zijn verblijfsrechtelijke status31

- de verklaring van getuige [persoon 5] op 23 maart 2010 bij de vreemdelingenpolitie32 en op 27 april 2010 bij de rechter-commissaris33 alsmede een proces-verbaal inzake zijn verblijfsrechtelijke status34;

- de verklaring van getuige [persoon 10] op 21 oktober 2010 bij de rechter-commissaris35, alsmede een proces-verbaal inzake zijn verblijfsrechtelijke status36

- de verklaring van getuige [persoon 13] op 13 april 2010 bij de vreemdelingenpolitie37 en op 21 april 2010 bij de rechter-commissaris38, alsmede een proces-verbaal inzake zijn verblijfsrechtelijke status39;

Nadere overwegingen met betrekking tot feit 3:

Door de verdediging is, naar het oordeel van de rechtbank met juistheid, niet weersproken dat - op bepaalde tijdstippen in de tenlastegelegde periode - sprake is geweest van een wederrechtelijk verblijf in Nederland in de zin van artikel 197a Wetboek van Strafrecht van de betreffende personen – die allen op (valse gronden op) een toeristenvisum naar Nederland zijn gekomen – en dat de verdachte daarvan ook op de hoogte is geweest. De rechtbank verwijst op dit punt tevens naar de hiervoor genoemde bewijsmiddelen ter zake de verblijfsrechtelijke status van de desbetreffende personen.

Met betrekking tot [persoon 9] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat hij in de tenlastegelegde periode rechtmatig in Nederland verbleef40 zodat de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier, de verdachte ten aanzien van deze persoon partieel zal vrijspreken.

e. Ten aanzien van het feit 4

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben ter terechtzitting gesteld dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, zulks, kort gezegd, op basis van de uitleg van in de tenlastelegging ten aanzien van dit feit gebezigde wettelijke term “uitbuiting”. De omstandigheden waaronder de verdachte de voor haar werkzame personen heeft laten werken zijn in de ogen van de officier van justitie en verdediging in casu niet zodanig schrijnend geweest dat deze de kwalificatie van oogmerk van uitbuiting en derhalve van mensenhandel kan dragen. Gelet hierop zal, alvorens in te gaan op de voor handen zijnde bewijsmiddelen die ten grondslag kunnen liggen aan een eventuele bewezenverklaring, nader worden ingaan op de juridische betekenis die de rechtbank geeft aan hetgeen verdachte onder 4 wordt verweten. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De steller van de tenlastelegging heeft ten aanzien van feit 4 klaarblijkelijk in het bijzonder het oog gehad op het verwijt dat de verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 22 maart 2010 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van achtereenvolgens [persoon 6], [persoon 4], [persoon 5], [persoon 10], [persoon 13] en/of [persoon 9] door, met het oogmerk van uitbuiting, hen te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid. De feitsomschrijving behelst achtereenvolgens, voor zover van belang, dat de verdachte voornoemde personen (die allen op een toeristenvisum naar Nederland waren gekomen om van meet af aan te proberen hun verblijf in Nederland op een andere, permanente verblijfstitel te kunnen continueren)

- grote geldbedragen aan haar verdachte heeft laten betalen ten einde een rechtmatige verblijfsstatus te verkrijgen en/of

- voornoemde personen heeft verteld dat zij verblijfsvergunningen had aangevraagd en/of aanvragen voor verblijf had gedaan en/of

- voornoemde personen arbeid heeft laten verrichten of doen verrichten en/of

- een of meer van voornoemde personen heeft gezegd dat zij werkzaamheden moesten verrichten omdat verdachte anders zou stoppen met de aanvragen voor voornoemde verblijfsvergunningen en/of

-voornoemde personen niet of een (zeer) laag bedrag voor hun werkzaamheden heeft uitbetaald.

De steller van de tenlastelegging heeft hiermee onmiskenbaar het verwijt van artikel 273 f, sub 1 en sub 4 van het Wetboek van Strafrecht voor ogen gehad.

De kernvraag waarvoor de rechtbank zich als eerste ziet gesteld behelst de vraag of de verdachte zich aldus schuldig heeft gemaakt aan het toepassen van het (dwang)middel “misbruik van een kwetsbare positie” als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht. De kernvraag die de rechtbank na een positieve beantwoording van de eerste vraag vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte de vreemdelingen - daarmee - heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt hierbij – allereerst in meer algemene zin – het volgende voorop. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat uit de enkele omstandigheid dat een slachtoffer illegaal in Nederland verblijft, reeds volgt dat een afhankelijke positie mag worden verondersteld (HR 5 februari 2002, LJN AD5235, NJ 2002, 546). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt voorts dat voor het bewijs van “misbruik" toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij verdachte aanwezig moet zijn, terwijl datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (HR 27oktober2009, LJN BI7099, NJ 2010, 598, m.nt. Buruma).

In laatstgenoemd arrest verwijst de Hoge Raad mede naar de volgende wetsgeschiedenis. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 9 december 2004, Stb. 645, waarbij artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht (de voorloper van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht) is ingevoerd, houdt onder meer in algemene zin en voorzover van belang het volgende in: “(...) Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van het recht op die integriteit en vrijheid. (...) De totstandkomingsgeschiedenis van en de rechtspraak met betrekking tot die bepaling en art. 250ter (oud) Sr, waarin de strafbaarstelling van art. 250a (oud) Sr was opgenomen voordat deze bij wet van 28 oktober 1999, Stb. 264, werd vernummerd tot art. 250a (oud) Sr, zijn nog steeds van belang. Wat betreft die geschiedenis kan worden gewezen op de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 9 december 1993, Stb. 679: "De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. (…) (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 207, nr. 3, p. 3 e.v.) alsmede de Memorie van Antwoord: "Het woord 'uitbuitingssituatie' (...) wordt in de Memorie van Toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip 'misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht' (...). In die Memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan schulden, aangegaan om de reis naar Nederland te betalen. De afbetalingsverplichting kan van dien aard zijn dat de zich prostituerende gedwongen is zich te blijven prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de prostitué(e) niet kan beschikken over haar paspoort of dat haar visum is verlopen, brengt de betrokkene eveneens in de hier bedoelde afhankelijke situatie. en: "Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt, indien de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan (...)." (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 027, nr. 5, p. 3 en 7)”. Tot zover genoemd arrest en de wetsgeschiedenis.

De Hoge Raad heeft ten aanzien van het vereiste opzet in meer specifieke zin als volgt uitgemaakt. “De dader [zal] zich wel bewust moeten zijn van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn." (HR 5 februari 2002, LJN AD5235, NJ 2002, 546.) En voorts: “Het in art. 273a, eerste lid, (oud) Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens de (…) memorie van toelichting doelt deze bepaling op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit” (HR 27 oktober 2009, LJN BI7099, NJ 2010, 598).

Ter beantwoording van de hiervoor weergegeven eerste kernvraag overweegt de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en het vorenoverwogene meer toegespitst het volgende. De rechtbank acht bewezen dat verdachte de vreemdelingen, naar zij ter zitting (in andere bewoordingen) heeft erkend, in eerste instantie heeft opgelicht en hen via haar oplichtingspraktijken in een schuldpositie ten opzichte van haarzelf en het advocatenkantoor gebracht (feit 1). Vervolgens heeft zij die positie nog verergerd door (meer) geld te (blijven) vragen voor het (doen) continueren van ieders verblijfsprocedure. Op grond van de omstandigheden dat alle hiervoor genoemde personen op een toeristenvisum vanuit Suriname naar Nederland zijn gekomen om te proberen een permanente verblijfsstatus in Nederland te bemachtigen, waardoor allen slechts over een zogenoemde vreemdelingenstatus beschikten, terwijl zij voorts voor het verloop en het verdere verloop van hun procedure grote schulden bij de verdachte zijn aangegaan - omdat zij hen naar haar eigen bewoordingen vanuit haar IND-achtergrond verder zou helpen in de procedure, met een door de verdachte voorgespiegelde gegarandeerd goede afloop - is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van al deze personen sprake is geweest van een “kwetsbare positie” als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte was van deze kwetsbare positie van de vreemdelingen op de hoogte, niet alleen omdat zij haar daarvoor direct hebben benaderd maar ook omdat zij zich daadwerkelijk actief bemoeide met en als sleutelfiguur fungeerde tussen deze vreemdelingen enerzijds en anderzijds de advoca(a)t(en) bij het advocatenkantoor die als gemachtigde(n) voor hen optrad(en) in hun vreemdelingenprocedure. Zij had dus wetenschap omtrent die kwetsbare positie, waarin zij een sleutelrol vervulde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, mede gelet op haar evengenoemde wetenschap, na verloop van enige tijd bovendien “misbruik” van deze kwetsbare positie gemaakt. Zulks door de hiervoor genoemde personen, die op grond van hun vreemdelingenstatus formeel zelfs niet eens mochten werken, werk aan te bieden, voor gemiddeld € 50,- per dag, (mede) teneinde hun bestaande schulden bij verdachte te korten, maar tegenover dat werk gedurende weken dan wel maanden niet of nauwelijks enige beloning te stellen. Zij heeft hen daarbij voor haar eigen gewin als uitermate goedkope – namelijk niet of nauwelijks betaalde - arbeidskrachten aangewend.

Dat van uitbuiting sprake is geweest destilleert de rechtbank uit de feiten en omstandigheden die er alle op duiden dat verdachte, met misbruik van hun zowel maatschappelijk als financieel-economisch kwetsbare positie, de vreemdelingen voor haar heeft laten werken. De omstandigheid dat daar zelfs niet eens een reële vergoeding tegenover stond, onderstreept deze kwalificatie slechts. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de vreemdelingen - ook toen enige betaling voor hen uitbleef - voor verdachte zijn blijven werken. Hun feitelijke en juridische situatie was klaarblijkelijk zodanig precair en afhankelijk van verdachte dat de betrokkenen in feite geen andere optie hebben gehad dan voor haar te (blijven) werken en zich aldus te laten (blijven) misbruiken.

De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank bij dit alles bovendien in onvoorwaardelijke zin het oogmerk van uitbuiting gehad, hetgeen reeds kan volgen uit de passage waarin verdachte tegenover een van de vreemdelingen stelt dat zij hun werkzaamheden voor haar moesten blijven verrichten omdat zij anders zou stoppen met de aanvragen voor de verblijfsvergunningen. Verdachte heeft met andere woorden haar invloed aangewend om de vreemdelingen te bewegen voor haar te (blijven) werken. Uitsluitend ten aanzien van de vreemdelingen [persoon 10] en [persoon 9], die beiden uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij zich niet verplicht of gedwongen hebben gevoeld om voor de verdachte te werken, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van dit laatste “dwingen of bewegen” zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, zodat de verdachte hiervan ten aanzien van hen partieel dient te worden vrijgesproken.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, ook los beschouwd van het (deels) uitblijven van het arbeidsloon, de arbeidsomstandigheden op zichzelf beschouwd in casu niet uitermate schrijnend zijn geweest. Dit doet evenwel naar het oordeel van de rechtbank aan het vorenoverwogene niet af. Immers, voor de strafbaarheid op grond van artikel 273f eerste lid sub 4 is zelfs niet relevant of de arbeid of dienstbaarheid daadwerkelijk is uitgevoerd. Bepalend is slechts dat het slachtoffer zich onder dwang of beïnvloeding voor arbeid of diensten beschikbaar heeft gesteld”, aldus de Hoge Raad ten aanzien van artikel 250a, eerste lid, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, een van de voorlopers van het huidige artikel 273f, eerste lid, sub 4 van het Wetboek van Strafrecht (HR NJ 2006, 525, LJN AX9215). Hiervan is te dezen naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest.

De rechtbank is voorts met de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat niet de verdachte, maar het advocatenkantoor in Rotterdam, de hiervoor genoemde personen in de pleegplaats Rotterdam aan het werk heeft gesteld en hen al dan niet voor de gewerkte uren heeft uitbetaald, zodat de verdachte daarvoor niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook partieel vrij van dit onderdeel (in locus delicti) van de tenlastelegging.

Aldus heeft de verdachte, in de periode van 1 januari 2009 tot en met 22 maart 2010, naar het oordeel van de rechtbank met en door haar handelen in Den Haag een inbreuk gemaakt op in het bijzonder de persoonlijke vrijheid van de vier bovengenoemde vreemdelingen, welke inbreuk strafrechtelijke bescherming verdient ex artikel 237f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal met betrekking tot het voormelde - in onderling verband en in samenhang beschouwd met de hiervoor weergegeven eigen verklaringen van de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 - in het bijzonder ten aanzien van feit 4. nog de volgende bewijsmiddelen tot het bewijs bezigen.

Ten aanzien van [persoon 6], [persoon 4], [persoon 5] en [persoon 13] maakt de rechtbank uit de bewijsmiddelen het volgende op:

Verdachte heeft (naar haar eigen stelling ter zitting) de onder 4. tenlastelegging genoemde personen, waaronder de evengenoemden, inderdaad voor haar eigen bedrijf laten werken en hen arbeidsloon toegezegd van gemiddeld zo’n 50,- euro per dag41.

T.a.v. [persoon 6] maakt de rechtbank uit de bewijsmiddelen voorts het volgende op:

Verdachte heeft ten aanzien van [persoon 6] verteld dat zij werkte bij de IND en een advocatenkantoor en dat zij voor hem en zijn familie verblijfsdocumenten had aangevraagd, welke 3000,- euro zouden kosten, zij het dat verdachte het ook voor 2.000,- euro kon doen, wanneer alles in één keer zou worden betaald. Verdachte heeft [persoon 6] een keer vanuit Suriname gebeld dat hij 400,- euro moest betalen anders zouden de aanvragen stopgezet worden. [persoon 6], die in totaal 2.000,- euro aan verdachte heeft betaald voor door verdachte toegezegde documenten, heeft later ook in het bedrijfje van verdachte gewerkt. Verdachte wist dat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef. In augustus 2009 belde verdachte dat hij moest komen werken anders zou ze zijn procedures stopzetten. Verdachte beloofde daarbij dat hij 50,- euro per dag zou verdienen. In januari, februari en maart 2010 heeft [persoon 6] 60 dagen alleen voor het bedrijfje van verdachte gewerkt, waarvan hij 20 dagen betaald heeft gekregen, te weten 1.200,- euro. Van de verdiensten moest hij nog 500,- euro aan verdachte betalen voor zijn procedure, hetgeen door haar werd ingehouden. [persoon 6] heeft tegen verdachte gezegd dat hij geen geld had, maar verdachte zei “het moet, anders loopt je zaak niet”. Verdachte dreigde constant met het stoppen van de aanvragen (naar de rechtbank begrijpt: van de verblijfsvergunningen van [persoon 6] en zijn familie). Ze heeft ook telefonisch gedreigd dat ze de politie op hem af zou sturen. In januari 2010 heeft [persoon 6] gewerkt voor verdachte en daar wel voor betaald gekregen; hij heeft daarnaast in februari en maart 2010 voor haar gewerkt, zonder enige uitbetaling42.[persoon 6] heeft voor verdachte op de [adres] gewerkt en toen weinig of helemaal niets uitbetaald gekregen. Toen [persoon 6] de 400,- euro niet wilde betalen, zei verdachte dat ze met de aanvraag zou stoppen en de zaak stop zou zetten. Verdachte zei wel vaker dat wanneer [persoon 6] iets niet zou doen, verdachte de zaak stop zou zetten43. Verdachte ontving [persoon 6]’s post van de IND44.

T.a.v. [persoon 4] maakt de rechtbank uit de bewijsmiddelen voorts het volgende op:

[persoon 4] heeft verdachte alles bij elkaar zo’n 5.000,- euro betaald voor het door verdachte toegezegde Nederlands paspoort voor hem en zijn gezin. [persoon 4] heeft verdachte verteld dat hij hier op een vakantievisum was en heeft haar gevraagd of hij illegaal zou zijn na het verlopen van het vakantievisum, waarop verdachte verklaarde dat dat niet het geval was omdat er een aanvraag - de rechtbank begrijpt vergunning tot verblijf - was ingediend45. Verdachte heeft begin 2010 tegen hem verteld dat zij een klusbedrijf ging beginnen, waarbij zij via een makelaarskantoor werkzaamheden kreeg, waarna [persoon 4] eind februari 2010 is gaan werken voor verdachte, tezamen met [naam] (de rechtbank begrijpt: [persoon 5]), [naam] (de rechtbank begrijpt: [persoon 6]) en [naam] (de rechtbank begrijpt: [persoon 13])46. Eind februari 2010 is [persoon 4] 6 dagen per week voor verdachte gaan werken op de [adres 2], waarbij het hele huis moest worden opgeknapt. Verdachte zou 50,- euro per dag betalen, maar [persoon 4] heeft nog 400,- van haar tegoed. Verdachte heeft [persoon 4] een keer 200,- euro en een keer 300,- euro betaald. Op zaterdagen zou hij dubbel verdienen, maar dat heeft hij nooit ontvangen van verdachte. [persoon 4] moest driekwart van het geld dat hij verdiende aan verdachte geven voor zijn verblijfsaanvragen, en moest zelfs geld bijlenen om haar te kunnen betalen47. [persoon 4] heeft tegenover [partner], zijn levenspartner verklaard dat hij verdachte hielp met klussen en dat zij dan korting op de 12.500,- euro zouden krijgen48.

Verdachte is op 25 januari 2010 tegenover een NN-vrouw boos geworden in een telefoongesprek omdat men naar de advocaat wil bellen terwijl men met verdachte zaken doet. Verdachte stelt daarbij dat wanneer men geen vertrouwen meer in haar heeft, zij zich er niet meer mee wil bemoeien. Op 14 februari 2010 belt verdachte met [naam] (de rechtbank begrijpt: [persoon 4]), waarin zij zegt dat er niets aan de hand is en dat ze weer een procedure start. Verdachte zegt dat ze morgen gaat proberen om [naam] papieren te laten krijgen49.

Ta.v. [persoon 5] maakt de rechtbank uit de bewijsmiddelen voorts het volgende op:

[persoon 5], die illegaal in Nederland is50, hoorde rond oktober 2008 van iemand dat verdachte op een legale manier, via een advocaat, papieren kon regelen, waarmee een Nederlands paspoort is bedoeld. Nadat hij contact met verdachte had opgenomen, moest [persoon 5] in totaal ongeveer 4.000,- euro aan verdachte betalen. De eerste 500,- euro heeft [persoon 5] aan [persoon 4] gegeven om aan verdachte te geven. De tweede keer kwam ze naar Delft en heeft hij haar 500,- euro gegeven, waarbij verdachte vertelde dat de aanvragen goed gingen. [persoon 5] heeft op 19 maart – de rechtbank begrijpt 2009 - 1.500,- euro betaald en op 20 maart – de rechtbank begrijpt 2009 - heeft verdachte bij zijn vriendin 500,- euro voor verdachte gehaald. Verdachte heeft sinds februari 2010 een eigen bedrijfje opgericht. [persoon 5] heeft bij verdachte in haar nieuwe huis aan de [adres] gewerkt, waarbij is afgesproken dat hij de rest van het geld dat hij nog aan haar moest betalen voor zijn procedure en paspoort zou bekostigen door voor haar bedrijf te werken. [persoon 5] heeft gewerkt aan de [adres 2] in Den Haag, maar kreeg verder niets betaald51. [persoon 5] heeft ongeveer drie weken voor [verdachte] gewerkt en kreeg daarvoor enkel reisgeld uitbetaald52. [persoon 5] heeft van de 2.000,- euro die hij heeft betaald aan verdachte nooit iets teruggezien53.

T.a.v. [persoon 13] maakt de rechtbank uit de bewijsmiddelen voorts het volgende op:

Verdachte heeft voor [persoon 13], zo stelt hij te hebben begrepen, verblijfsdocumenten aangevraagd. Op 26 mei 2009 is verdachte in Suriname bij de [familie X] thuis geweest. Verdachte kon het hele pakket voor 5 personen regelen, wat ongeveer 50.000,- euro zou kosten, waarvoor verdachte voor hen een Nederlands paspoort zou regelen. [persoon 13]s vader heeft toen 7.000,- euro aan verdachte betaald54. In Den Haag is verdachte langs de [familie X] gegaan om geld op te halen, waarop [persoon 13]s vader haar 18.000,- euro gaf. Verdachte zou werk regelen voor de ouders van [persoon 13] en [persoon 13]s vader kon de andere 25.000,- euro betalen wanneer zij werk zouden hebben. Verdachte heeft voor de familieleden van de [X]-familie alle aanvraagformulieren (de rechtbank begrijpt: voor de vergunningen tot verblijf) ingevuld. In januari 2010 zei verdachte dat ze een nieuwe aanvraag ging indienen en dat alles goed kwam. [persoon 13] heeft gewerkt voor verdachte; hij moest voor haar in woningen schilderen, waaronder in haar nieuwe woning (de rechtbank begrijpt: aan de [adres 3], vanaf februari 2010) en de [adres 2]. [persoon 13] wist dat hij niet mocht werken, maar verdachte heeft tegen hem gezegd dat hij wel bij haar mocht werken, voor 50 euro per dag; [persoon 13] heeft slechts een keer 150 euro gekregen, terwijl hij twee weken heeft gewerkt op de [adres 2], van 8:00 uur - 17:00 uur. In totaal heeft [persoon 13] vier weken voor verdachte gewerkt. Verdachte had daarbij de leiding; het bedrijfje was van haar55. [persoon 13] heeft een maand voor verdachte gewerkt en daar 150,- euro voor gekregen56.

Verdachte gaf nooit een kwitantie57.

Van kasbetalingen worden door het kantoor van mr. [A] kwitanties afgegeven, op naam van de cliënt. De totale kosten van een vreemdelingenprocedure komen aldaar doorgaans niet boven de 3.000,- euro uit. Kwitanties worden aldaar in tweevoud afgegeven. Als mevrouw [verdachte] betaald had, kreeg zij de kwitantie op naam van de cliënt mee58.

Op 20 januari 2010 heeft verdachte een telefoongesprek met [persoon 7] (de rechtbank begrijpt: [persoon 13]s vader) in Suriname over het naar Nederland komen. [persoon 13]s vader zegt dan tegen verdachte dat zij advocaat is, hetgeen verdachte bevestigt, onder de stelling: “Ik ga niet mensen laten dromen en dan gaat het niet lukken, weet je”59. Op 8 februari 2010 belt verdachte wederom met [vader] en vertelt ze hem dat zijn zoon [persoon 13] voor haar heeft gewerkt voor 50,- euro per dag60. Op 17 februari 2010 belt verdachte met [persoon 13] waarin ze stelt dat [persoon 13] vrijdag en zaterdag bij haar broer moet werken, maar dat ze deze week niet gaat uitbetalen. Verdachte stelt voorts dat wanneer [persoon 13]s vader heeft gestort op de rekening van de advocaat, dat daarmee dingen worden betaald en verrekend. Verdachte belooft dat de [familie X] niets zal overkomen en dat het goed komt61. Op 18 februari 2010 zegt verdachte over de telefoon tegen [persoon 13] dat ze de aanvragen heeft ingediend62.

Verdachte heeft de moeder van [persoon 13], [persoon 8], gedreigd dat ze hen door de politie op zou laten pakken, toen [persoon 8] verdachte confronteerde met het feit dat de verblijfsvergunningen niet waren geregeld, en begon ruzie te maken toen [persoon 8] zei dat ze naar het advocatenkantoor van mr. [A] zou gaan. [persoon 8] is tweemaal op diens kantoor geweest maar werd daar afgewimpeld. [persoon 7] is in november 2009 opgepakt door de politie en naar Suriname teruggestuurd, en toen [persoon 8] verdachte vroeg hoe dat nu kon, werd verdachte boos en zei ze dat zij ook zouden worden teruggestuurd wanneer ze zo zouden blijven doen. De familie [X] heeft 25.000,- euro aan verdachte betaald en voor haar gewerkt, maar dit alles voor niets; men heeft er niets voor teruggekregen63.

Overweging rond het bewijs van feit 4

De verdachte heeft ter terechtzitting als verweer gevoerd, verkort en zakelijk weergegeven, dat het klopt dat zij de hiervoor genoemde personen voor haar eigen bedrijf heeft laten werken, maar dat zij het door haar toegezegde arbeidsloon ook telkens (grotendeels) heeft uitbetaald.

De rechtbank schuift deze verklaring als onaannemelijk terzijde, gelet op de inhoud van de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen, die innerlijk telkens consistent zijn en in gezamenlijk verband overeenkomen in die zin dat allen verklaren dat verdachte grotendeels niet tot uitbetalingen van het toegezegde arbeidsloon is overgegaan.

f. Ten aanzien van het feit 5:

Verdachte heeft ook het onder 5 ten laste gelegde feit ter terechtzitting bekend, zodat de rechtbank ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 28 januari 2011, inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – het klopt dat het vermogen als genoemd in de tenlastelegging ad 37.162,17 euro niet legaal door mij is verkregen;

- een proces-verbaal genaamd ‘Kas- bankopstelling Onderzoeksperiode’ waaruit volgt dat een totaal bedrag ad 37.162,17 euro onverklaarbaar is64.

Nadere overweging met betrekking tot feit 5:

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, en in het bijzonder het aantal in de tenlasteleggingen genoemde personen en de daarin neergelegde ruime periode van de strafbare feiten de verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel, dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat de rechtbank het navolgende bewezen acht.

5. De bewezenverklaring

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 maart 2010

te 's-Gravenhage en elders in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid,,

a. [persoon 1] en

b. [persoon 2] en [persoon 3] en

c. [persoon 4] en

d. [persoon 5] en

e. [persoon 6] en

f. [persoon 7] en [persoon 8] en

g. [persoon 10]

heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten

a. [persoon 1]: EUR 3.350,- en

b. [persoon 2] en [persoon 3]: EUR 6.000,- en

c. [persoon 4]: EUR 5.000,- en

d. [persoon 5]: EUR 2.000,- en

e. [persoon 6]: EUR 2.000,- en

f. [persoon 7] en [persoon 8]: EUR 25.000,- en

g. [persoon 10]: EUR 9.100,-

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid voornoemde personen medegedeeld dat zij, verdachte, bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst werkzaam was en/of als advocaat, althans bij een advocatenkantoor,werkzaam was en (aldus) een verblijfsvergunning dan wel een rechtmatige verblijfsstatus en/of een Nederlands paspoort voor voornoemde personen kon verkrijgen en/of kon bewerkstelligen/regelen, waardoor die [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] en [persoon 8] en [persoon 10] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2009 tot en met 22 maart 2010 te

's-Gravenhage en elders in Nederland en in [plaats] (Suriname) [persoon 7] en [persoon 8] en [persoon 11] en [persoon 12] en [persoon 13]

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft verdachte

- voornoemde leden van de [familie X] in Suriname bezocht en

- toegezegd dat zij zou regelen dat voornoemde leden van de [familie X]

(binnen 18 maanden) in het bezit zouden zijn van een Nederlands paspoort en

- kopieën van paspoorten en uittreksels uit het geboorteregister van de

leden van de [familie X] in ontvangst genomen en

meegenomen naar Nederland en

- van de [familie X] een geldbedrag van EUR 25.000,- in ontvangst genomen en

- aanvraagformulieren voor verblijfsvergunningen ten behoeve van de leden van

de [familie X] voornoemd ingevuld en

- de [familie X] medegedeeld dat zij een of meer verblijfsvergunning(en)

ten behoeve van de leden van de familie had aangevraagd;

3.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22

maart 2010 te 's-Gravenhage [persoon 6] en [persoon 4] en

[persoon 5] en [persoon 10] en [persoon 13] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft verdachte voornoemde

personen arbeid laten verrichten, terwijl zij hiervan een beroep heeft gemaakt;

4.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 22 maart 2010

te 's-Gravenhage [persoon 6] en [persoon 4] en [persoon 5] en

[persoon 13] door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich

beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen,

bestaande dat misbruik hieruit dat verdachte voornoemde personen, die allen

illegaal in Nederland verbleven

- (grote) geldbedragen aan haar, verdachte, heeft laten betalen teneinde een

rechtmatige verblijfsstatus te verkrijgen en/of

- voornoemde personen heeft verteld dat zij verblijfsvergunningen had

aangevraagd en/of aanvragen voor verblijf had gedaan en/of

- voornoemde personen arbeid heeft laten verrichten en/of

- één of meer van voornoemde personen heeft gezegd dat zij werkzaamheden

moesten verrichten omdat verdachte anders zou stoppen met de aanvragen voor

verblijfsvergunningen en/of

- voornoemde personen niet of een (zeer) laag bedrag voor hun werkzaamheden

heeft uitbetaald;

5.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 22 maart 2010, te 's-Gravenhage geldbedragen (tot een totaal van € 37.162,17) voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet, terwijl zij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die haar strafbaarheid uitsluiten.

8. De straf

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding onder 1, 2 ,3 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met het oog op de strafmaat primair verzocht tot aanhouding van de behandeling van de zaak, welk verzoek de rechtbank ter zitting heeft verworpen op de grond dat de noodzaak daartoe niet was gebleken, maar waarop de rechtbank mogelijk in raadkamer zou kunnen terugkomen. Naar de mening van de verdediging en met het oog op evengenoemd verzoek is thans onvoldoende duidelijk geworden wat de rol is geweest van mr. [A] in relatie tot de aan verdachte verweten strafbare gedragingen. Indien de regie ten aanzien van de aan verdachte verweten gedragingen inderdaad bij laatstgenoemde zou liggen, hetgeen door de verdachte is betoogd, geeft dit een andere kleur aan de ernst van de aan verdachte verweten gedragingen, hetgeen relevant is voor de hoogte van de voor haar te bepalen straf. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank uit dient te gaan van de evenbedoelde verklaringen van verdachte. Aldus zou bij het bepalen van de straf in aanmerking moeten worden genomen dat verdachte heeft gehandeld onder leiding van mr. [A], in welke relatie angst en schaamte een belangrijke rol hebben gespeeld bij verdachte.

Daarnaast heeft de raadsman nog betoogd dat er ten aanzien van feit 5 (witwassen) sprake is van eendaadse samenloop met feit 1 (oplichting) Door het oplichten verkrijgt een persoon “gelden onder zich”, hetgeen tevens een bestanddeel van witwassen is, aldus de verdediging.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tegenover personen van Surinaamse afkomst voorgedaan als een vrouw die tegen betaling verblijfsvergunningen en/of Nederlandse paspoorten kon regelen, zulks mede omdat zij werkzaam was bij de IND te Rijswijk, waar verdachte daadwerkelijk werkzaam is geweest, zij het allerminst in een functie waarin zij kon beslissen over dergelijke zaken. Vervolgens heeft verdachte voor (een deel van) haar slachtoffers kansloze aanvragen voor verblijfsvergunningen en Vreemdelingenwet-procedures laten aanspannen, waarvoor zij irreële hoge geldbedragen vroeg, die in de duizenden euros liepen. Verdachte heeft hierdoor deze slachtoffers opgelicht, en op stuitende wijze het in haar gestelde vertrouwen beschaamd.

Aldus is verdachte tevens uit winstbejag behulpzaam geweest bij het verschaffen van verblijf van alhier illegaal verblijvende Surinaamse mensen. Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit van personen die in ons land verblijven. Verdachte beging deze bewezenverklaarde feiten, naar zij zelf ter terechtzitting heeft aangegeven, puur en alleen uit winstbejag.

Voorts heeft verdachte een aantal van deze illegalen, die zich als gevolg van haar handelen dus in een kwetsbare en alleszins van haar afhankelijke positie bevonden, uitgebuit, door hen op evengenoemde grond van afhankelijkheid aan haar te binden, waardoor zij voor haar en haar bedrijf verbouwingswerkzaamheden hebben uitgevoerd en bleven uitvoeren, zelfs zonder dat zij de daarvoor door haar beloofde vergoeding kregen uitbetaald. Verdachte was volledig op de hoogte van die kwetsbare en afhankelijke positie van de slachtoffers en heeft daar op grove wijze misbruik van gemaakt voor eigen gewin. Met haar handelen heeft verdachte hun persoonlijke vrijheid geschaad. Verdachte heeft haar persoonlijke geldelijke gewin uitdrukkelijk gesteld boven de vrijheid en integriteit van haar slachtoffers. Wat betreft het witwassen overweegt de rechtbank nog dat dit een ernstig feit is dat de integriteit van het financieel en economisch bestel aantast.

Op grond van de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting bestaat bij de rechtbank geen onduidelijkheid ten aanzien van het (eigen) aandeel van verdachte bij de bewezenverklaarde feiten. Derhalve is voor de strafmaat de rechtbank de noodzaak van een heropening ten behoeve van een nader onderzoek als door de verdediging bepleit niet gebleken, temeer nu verdachte ten aanzien van het oplichtingsfeit (feit 1) partieel zal worden vrijgesproken van het veronderstelde “medeplegen”. In het voordeel van de verdachte zal de rechtbank bovendien niet uitgaan van de som van de onder 1 bewezenverklaarde bedragen van verdachtes oplichtingspraktijken, welke verdachte heeft erkend te hebben ontvangen, maar enkel van het bedrag dat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde witwassen (feit 5) heeft bekend.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf tevens in aanmerking nemen dat verdachte – blijkens een haar betreffend uittreksel uit het documentatieregister d.d. 24 maart 2010 – in het verleden niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank er tevens rekening mee dat zij ook mensenhandel (feit 4), in tegenstelling tot de vordering van de officier van justitie, bewezen acht.

In het licht van het door de raadsman gevoerde strafmaatverweer overweegt de rechtbank nog dat ook ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 5 sprake is van meerdaadse samenloop, nu de overtreden strafbepalingen elk een verschillende strekking hebben.

Op grond van al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te noemen duur passend. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom soortgelijke feiten te plegen, zal de rechtbank een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Voor een proeftijd van langere duur dan de gebruikelijke twee jaar ziet de rechtbank, mede gezien het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld, geen aanleiding.

9 Beslag

9.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 t/m 6, 35, 41 en 42 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard, dat de onder 7, 8, 25a en 25 genummerde voorwerpen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, dat de onder 9, 10, 11, 12a, 12, 13 t/m 22, 24, 49, 51 en 54 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder 23 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de uitgevende instantie, zijnde de IND, dat het onder 25 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde rechthebbende], dat het onder 26 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 27 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 28 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat de onder 29 en 30 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat de onder 31 en 35a genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 32 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat de onder 33 en 40 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat de onder 34 en 45 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbenden], dat de onder 36 en 46 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 37 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 38 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 39 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [persoon 9], dat het onder 43 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende] dat de onder 47 en 50 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat het onder 48 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende], dat de onder 52 en 53 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende] en tot slot dat het onder 55 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde [rechthebbende].

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.

9.3 De beoordeling.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 t/m 6, 35, 41 en 42 genummerde voorwerpen,

verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met

behulp van deze voorwerpen de onder 1 t/m 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of

voorbereid.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 7, 8, 25a, en 25 genummerde voorwerpen geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 9, 10, 11, 12a, 12, 13 t/m 22, 24, 49, 51 en 54 genummerde voorwerpen.

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de op de beslaglijst onder 23, 25 t/m 31, 35a, 32, 33, 40, 34, 45, 36, 46, 37 t/m 39, 43, 47, 48, 50, 52, 53 en 55 genummerde voorwerpen.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 197a, 273f (oud), 273f, 420bis, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart nietig de tenlastelegging onder 1, voorzover deze inhoudt de bewoordingen “en/of een of meer anderen”;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de - bij gewijzigde dagvaarding - ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Feit 1: Oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 2: Het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen

van verblijf in Nederland, terwijl zij weet dat dat verblijf wederechtelijk is,

meermalen gepleegd;

Feit 3: Het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen

van verblijf in Nederland, terwijl zij weet dat dat verblijf wederechtelijk is,

terwijl zij hiervan een beroep heeft gemaakt, meermalen gepleegd;

Feit 4: Mensenhandel, meermalen gepleegd;

Feit 5: Gewoontewitwassen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;

bepaalt dat, een gedeelte van die straf, te weten 12 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 t/m 6, 35, 41 en 42 genummerde voorwerpen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 7, 8, 25a en 25 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 9, 10, 11, 12a, 12, 13 t/m 22, 24, 49, 51 en 54 genummerde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

23 genummerde voorwerp, zijnde de IND, te weten een legitimatiebewijs IND o.n.v. [verdachte];

25 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een enveloppe, [....] tnv [rechthebbende], tekst op enveloppe van [....] belt;

26 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een stuk papier, [.....] tnv [rechthebbende];

27 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een enveloppe, diploma getuigschrift bewijs van inschr. Bs met kopieën [...] pp [rechthebbende], studentenpas;

28 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een stuk bescheiden dhr. [rechthebbende];

29 en 30 genummerde voorwerpen, zijnde [rechthebbende], te weten een paspoort tnv [rechthebbende] en 4 pasfoto’s, aanvraagformulier van rep. [...] tnv [rechthebbende] en geboorteakte;

31 en 35a genummerde voorwerpen, zijnde [rechtehbbende], te weten een enveloppe Eneco met orig. Brieven onv [rechthebbende] ziekenhuizen en een enveloppe met gegevens van [rechthebbende] o.a. kopie uittr. basisadministratie;

32 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een enveloppe [...] [rechtehbbende] met 2 brieven [adres];

33 en 40 genummerde voorwerpen, zijnde [rechthebbende], te weten een map, kleur rood, salarisstrook mei 2009 tnv [rechthebbende] + formulier en een kopie Ned pp [rechthebbende];

34 en 45 genummerde voorwerpen, zijnde [rechthebbenden], te weten een enveloppe met diverse bescheiden o.a. huw. Akte van [rechthebbenden] en een kopie uitdraai kvk, kopie Ned. pp [rechthebbende] en kopie rijb. [rechthebbende];

36 en 46 genummerde voorwerpen, zijnde [rechthebbende], te weten een brief rechtsbijstand gericht aan [rechthebbende], [adres] en div. map met orig. [...] pp uittreksels [rechthebbende];

37 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten 3 div. bescheiden uitk. spec. soc zaken, [rechthebbende] [...] [rechthebbende] werkvever [...] div. adm. papieren;

38 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een salarisspec. [rechthebbende], kopie id-kaart tekst op enveloppe zaak [zaak];

39 genummerde voorwerp, zijnde [persoon 9], te weten een enveloppe, [persoon 9] bonnetje, gem. Heerenveen [persoon 9] kopie [...] ppt [persoon 9];

43 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten div. bescheiden, werkgeversverklaring [rechthebbende], kopie pp/ lD-bewijs en diverse bescheiden;

47 en 50 genummerde voorwerpen, zijnde [rechthebbende], te weten een enveloppe met opschrift kop [rechthebbende] met div. akten en verkl. [rechthebbende] en een Advokas brief en een aanmaning gericht aan [rechthebbende], [adres];

48 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten een kopie Nig. Pp [rechthebbende];

52 en 53 genummerde voorwerpen, zijnde [rechthebbende], te weten een uittreksel GBA [rechthebbende] en kopie pp [rechthebbende], loonspecificatie;

55 genummerde voorwerp, zijnde [rechthebbende], te weten 3 stuk bescheiden, kopie verbl. Verg. [rechthebbende] met handgeschr. aantekeningen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.S.I. van Delden, voorzitter,

O.M. Harms en R. van Zeijst-Repelaer van Driel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr P.B. Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2011.

1 Waar wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren met het algemene proces-verbaal nummer 2009043236 in het onderzoek 15VRP09050 Indigo.

2 Proces-verbaal van bevindingen IND onderzoeken, (o.m.) voorgeleiding proces-verbaal, p. 27-40.

3 Zaaksdossier [persoon 1] blz. 19;

4 Zaaksdossier [persoon 1], blz. 21;

5 Zaaksdossier [persoon 2]/[persoon 3], blz. 12-15;

6 Zaaksdossier [persoon 2]/[persoon 3], blz. 15;

7 Zaaksdossier [persoon 4], blz. 22 e.v.;

8 Verhoor van [persoon 4] bij de rechter-commissaris d.d. 21 april 2010;

9 Zaaksdossier [persoon 4], blz. 30 e.v.;

10 Zaaksdossier [persoon 5], blz. 15 e.v.;

11 Verhoor van [persoon 5] bij de rechter-commissaris d.d. 27 april 2010;

12 Zaaksdossier [persoon 6], blz. 17 e.v.;

13 Verhoor van [persoon 6] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2010;

14 Zaaksdossier Familie [X], blz. 18 e.v.;

15 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris van [persoon 13] d.d. 21 april 2010;

16 Zaaksdossier [persoon 10], blz. 18 e.v.;

17 Proces-verbaal verhoor van [persoon 10] bij de rechter-commissaris d.d. 21 oktober 2010;

18 Zaaksdossier [persoon 9], blz. 87;

19 Zaaksdossier Familie [X], blz. 18 e.v.;

20 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris van [persoon 13] d.d. 21 april 2010;

21 Proces-verbaal verhoor d.d. 18 augustus 2010, Zaaksdossier [ persoon 8], blz. 9-12;

22 Zaaksdossier Familie [X], blz. 43 e.v.

23 Zaaksdossier Familie [X], blz. 68.

24 Proces-verbaal d.d. 5 maart 2010, Zaaksdossier familie [X], blz. 62 e.v.

25 Proces-verbaal d.d. 8 september 2010, Zaaksdossier familie [X], blz. 78-90

26 Zaaksdossier [persoon 6], blz. 23 9e alinea e.v.;

27 Verhoor van [persoon 6] bij de rechter-commissaris d.d. 16 april 2010, punt 25;

28 Zaaksdossier [persoon 6], blz. 46 e.v.

29 Zaaksdossier [persoon 4], blz. 28, tweede alinea e.v..;

30 Verhoor van [persoon 4] bij de rechter-commissaris d.d. 21 april 2010, punt 9;

31 Zaaksdossier [persoon 4], blz. 83 e.v.

32 Zaaksdossier [persoon 5], blz. 16 laatste alinea e.v.;

33 Verhoor van [persoon 5] bij de rechter-commissaris d.d. 27 april 2010;

34 Zaaksdossier [persoon 5], blz. 59 e.v.

35 Proces-verbaal verhoor van [persoon 10] bij de rechter-commissaris d.d. 21 oktober 2010, punt 14 e.v.;

36 Zaaksdossier [persoon 10], blz. 37 e.v.

37 Zaaksdossier Familie [X], blz. 23, vijfde alinea e.v..;

38 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris van [persoon 13] d.d. 21 april 2010, punt 13;

39 Zaaksdossier Familie [X], blz. 62 e.v.

40 Zaaksdossier [....], blz. 87;

41 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 28 januari 2011.

42 Proces-verbaal d.d. 8 april 2010. Zaaksdossier blz. 17;

43 Proces-verbaal d.d. 16 april 2010 ;

44 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris van [persoon 6] d.d. 16 april 2010

45 Proces-verbaal d.d. 23 maart 2010. Zaaksdossier [persoon 4] blz. 22 e.v.;

46 Proces-verbaal d.d. 24 maart 2010. Zaaksdossier [persoon 4] blz. 26 e.v.

47 Proces-verbaal d.d. 21 april 2010 ;

48 Proces-verbaal d.d. 24 maart 2010. Zaaksdossier [persoon 4] blz. 30 e.v.

49 Weergave tapgesprekken, zaaksdossier [persoon 4] blz. 37 e.v.

50 Proces-verbaal d.d. 24 maart 2010, Zaaksdossier [persoon 5], p. 35 e.v..

51 Proces-verbaal d.d. 26 maart 2010. Zaaksdossier blz. 14;

52 Proces-verbaal d.d. 27 april 2010;

53 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 5] bij de rechter-commissaris d.d. 27 april 2010

54 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 13] bij de rechter-commissaris d.d. 21 april 2010

55 Proces-verbaal d.d. 13 april 2010. Zaaksdossier blz. 18 e.v.;

56 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris van [persoon 13] d.d. 21 april 2010.;

57 Verklaring van [persoon 13] bij de rechter-commissaris d.d.21 april 2010

58 Verklaring van mr. [A] bij de rechter-commissaris d.d.12 oktober 2010

59 Tapgesprek d.d. 20-01-10, ZD [X], p. 38 e.v.

60 Tapgesprek d.d. 08-02-10, ZD [X], p. 38. e.v..

61 Tapgesprek d.d. 17-02-10, ZD [X], p. 38 e.v.

62 Tapgesprek d.d. 18-02-10, ZD [X], p. 38 e.v.

63 Verklaring [persoon 8] als getuige d.d. 18-08-10, Zaaksdossier [persoon 8], p. 9 e.v.

64Zaaksdossier witwassen vervolg, blz. 6;