Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3607

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
AWB 11/2103
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Verwijdering naar Jemen. Zicht op uitzetting ontbreekt. Geen aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/2103

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2011

inzake

[de vreemdeling],

geboren op [..],

gestelde nationaliteit Somalische,

verblijvende te Rotterdam in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. P.H. Hillen,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Op 2 september 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 20 september 2010 en 29 november 2010, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 19 januari 2011 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 25 januari 2011 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 26 januari 2011.

De zaak is behandeld op de zitting van 8 februari 2011, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Namens eiser is - kort weergegeven – onder meer aangevoerd dat zicht op uitzetting naar Jemen ontbreekt. Eiser heeft zich gebaseerd op de berichten van de Dienst Terugkeer & Vertrek naar aanleiding van zijn verzoek op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur. Daaruit is gebleken dat er vanaf januari 2008 tot half november 2010 in totaal 15 laissez passeraanvragen bij de autoriteiten van Jemen zijn ingediend. Er is slechts in één zaak, waar het ging om een vreemdeling met identiteitspapieren, een laissez passer door de autoriteiten van Jemen verstrekt. Eiser beschikt niet over identiteitspapieren. Gelet op het voorgaande is eiser reeds van mening dat voortduring van de bewaring niet langer gerechtvaardigd is.

2. De cijfers die door eiser zijn aangehaald zijn niet in geschil. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de ene verleende laissez passer is verleend aan een persoon welke beschikte over identiteitspapieren, alsmede dat hij niet weet wanneer de laissez passer is verleend en wanneer de aanvraag daartoe is ingediend. Voorts heeft de gemachtigde verklaard dat hij geen nadere informatie heeft met betrekking tot de vraag of op de 14 andere laissez passeraanvragen reeds een beslissing is genomen. De gemachtigde heeft ter zitting tot slot gesteld dat hij thans geen informatie kan verschaffen over aanvragen voor een laissez passer en/of andere informatie over verwijderingen naar Jemen in de periode vanaf half november 2010 tot heden, maar dat indien er op dit punt na november 2010 met betrekking tot Jemen een betekenisvolle wijziging in de situatie zou hebben plaatsgevonden ten opzichte van de daaraan voorafgaande periode, dat bij hem bekend zou zijn geweest.

3. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er op grond van de informatie die thans beschikbaar is, geen redelijk zicht op uitzetting van eiser naar Jemen bestaat.

4. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te verschaffen over het bestaan van zicht op uitzetting naar Jemen. De rechtbank overweegt daarbij dat vaststaat dat op de bewuste 15 aanvragen maar één maal positief is beslist, zodat voor de resterende 14 laissez passeraanvragen noodzakelijkerwijs geldt dat daar ofwel nog niet op is beslist, ofwel dat deze aanvragen door de autoriteiten van Jemen zijn afgewezen. Welk van beide situaties voor ieder van deze 14 aanvragen ook aan de orde zou zijn, de rechtbank zal op grond daarvan in geen geval tot de conclusie komen dat toch sprake is van zicht op uitzetting naar Jemen. De rechtbank wijst er in het bijzonder op dat voor de in 2008 en 2009 ingediende aanvragen indien daarop nog niet zou zijn beslist heeft te gelden dat het tijdsverloop zodanig groot is dat zicht op uitzetting daaraan niet kan worden ontleend, terwijl als op de in 2010 ingediende aanvragen nog niet zou zijn beslist, het enkele feit dat (maximaal) vijf aanvragen in behandeling zijn onvoldoende is om zicht op uitzetting aan te nemen. Voorts overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat zich geen betekenisvolle wijziging heeft voorgedaan vanaf half november 2010, zodat de situatie vanaf half november 2010 ook dat niet tot een ander oordeel van de rechtbank kan leiden. Daarnaast heeft verweerder vanaf 26 januari 2011, de datum van de brief van eiser met daarin de cijfers over de laissez passeraanvragen, tot aan de datum van de zitting de gelegenheid gehad tot het vergaren van nadere informatie omtrent het bestaan van zicht op uitzetting naar Jemen, welke periode redelijkerwijs als voldoende moet worden aangemerkt.

5. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring met ingang van 19 januari 2011, de datum van het beroepschrift, onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer, nu dit niet tot de conclusie kan leiden dat de bewaring op een eerder moment onrechtmatig is geworden.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

7. Nu de bewaring blijkens het voorgaande met ingang van 19 januari 2011 onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 8 februari 2011, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 19 januari 2011 tot en met 7 februari 2011 schadevergoeding toekomt.

8. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2005, JV 2005/233, ziet de rechtbank echter aanleiding om de schadevergoeding te matigen tot nihil. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat in casu sprake is van bijzondere omstandigheden, welke zijn gelegen in de frustratie door eiser vanwege het feit dat eiser zelf niets heeft ondernomen om zijn vertrek te bespoedigen. Voorts is eiser ongewenst verklaard.

9. De rechtbank acht wel termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

10. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 8 februari 2011;

- stelt het bedrag van de schadevergoeding op nihil;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van

M.J.A. van Bree als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2011.