Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3550

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/900373-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod.

Aan de vermelding van artikel 9 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) in artikel 11 Wth kan in zoverre betekenis worden toegekend, dat niet alleen het handelen in strijd met het huisverbod gedurende de in artikel 2, eerste lid, van de Wth genoemde termijn van tien dagen een strafbaar feit oplevert, maar evenzeer het handelen in strijd met een huisverbod waarvan op de voet van artikel 9, eerste lid de termijn is verlengd tot ten hoogste vier weken nadat het huisverbod is opgelegd en de overtreding plaatsvindt gedurende de aldus verlengde periode.

Dit brengt met zich, dat een persoon aan wie een huisverbod is opgelegd (de uithuisgeplaatste) het huisverbod dat aan hem is opgelegd, kan overtreden zowel op grond van artikel 2 van de Wth, als op grond van artikel 9, juncto artikel 2 van de Wth, afhankelijk van het moment waarop de overtreding heeft plaatsgevonden.

Artikel 11 van de Wth behelst de omschrijving van het in dat artikel strafbaar gestelde gedrag, te weten het handelen in strijd met een opgelegd huisverbod, en de daarbij van toepassing zijnde sanctienorm. Dit artikel bevat daarmee de bestanddelen die in een tenlastelegging ter zake van de overtreding van deze bepaling dienen te worden opgenomen. Alleen indien de in artikel 11 Wth opgenomen bestanddelen voorkomen in de bewezenverklaring kan het bewezenverklaarde als een strafbaar feit worden gekwalificeerd.

In de onderhavige zaak ontbreekt in de (tenlastelegging en daarmee in de) bewezenverklaring de wettelijke grondslag. Niet is immers vermeld of sprake was van een huisverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid of artikel 9, eerste lid, van de Wth. Door deze tekortkoming is de strafbaarheid van het bewezenverklaarde niet vast te stellen, zodat de verdachte voor feit 1 van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/900373-10

Datum uitspraak: 7 februari 2011

Tegenspraak

(Promis)

De politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] in 1988,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2011.

De politierechter heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G. Ligthart en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.M. Kuyp, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2010

tot en met 29 april 2010 te Delft in strijd met een door of namens de

burgemeester aan hem opgelegd tijdelijk huisverbod, niet aanstonds de in dit

verbod genoemde woning, gelegen aan de [adres], heeft verlaten

en/of die woning heeft betreden en/of zich in en/of in de nabijheid van die

woning heeft opgehouden en/of contact heeft opgenomen met (één of meer van) de

in dat huisverbod genoemde perso(o)n(en);

2.

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Delft opzettelijk beledigend (een)

ambtena(a)r(en), te weten [ambtenaar A], brigadier van politie Haaglanden en/of

[ambtenaar B], hoofdagent van politie Haaglanden, gedurende en/of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerhonden! Kanker,

kankerhonden! Kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard

en/of strekking;

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte te Delft op 28 en 29 april 2010 een aan hem opgelegd huisverbod heeft overtreden en bij zijn aanhouding op 30 april 2010 een hoofdagent van politie heeft beledigd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de politierechter wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat beide feiten kunnen worden bewezenverklaard.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging (1)

Aan verdachte is bij beschikking van de burgemeester van Delft d.d. 2 april 2010 een huisverbod voor de woning gelegen aan de [adres] te Delft opgelegd voor een periode van tien dagen. Bij beschikking van 9 april 2010 is deze periode tot 30 april 2010 verlengd. (2)

Op 28 april 2010 is verdachte kort voor middernacht in de woning gelegen aan de [adres] te Delft geweest terwijl zijn ex-vriendin [slachtoffer] met een vriendin op het balkon zat. (3) Op 29 april 2010 omstreeks 18.30 uur heeft verdachte opnieuw de woning betreden nadat hij eerst een tijdje voor de voordeur had gestaan en toen geen gehoor had gegeven aan het verzoek van aangeefster [slachtoffer] zich van de woning te verwijderen. (4)

Toen verdachte op 30 april 2010 te Delft werd aangehouden door de brigadier van politie, [ambtenaar A], en de hoofdagent van politie, [ambtenaar B], heeft hij hen beledigd, door deze politieambtenaren de woorden "Kankerhonden! Kanker, kankerhonden! Kankerlijers!"toe te voegen. (5)

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard deze feiten gepleegd te hebben, met dien verstande dat hij heeft verklaard in weerwil van het huisverbod de daarin genoemde woning heeft betreden en contact heeft opgenomen met de in het huisverbod genoemde personen.

3.4 De bewezenverklaring

1.

hij op tijdstippen in de periode van 28 april 2010 tot en met 29 april 2010 te Delft in strijd met een door of namens de burgemeester aan hem opgelegd tijdelijk huisverbod, de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [adres], heeft betreden en contact heeft opgenomen met de in dat huisverbod genoemde personen;

2.

hij op 30 april 2010 te Delft opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [ambtenaar A], brigadier van politie Haaglanden en [ambtenaar B], hoofdagent van politie Haaglanden, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerhonden! Kanker, kankerhonden! Kankerlijers".

4. De strafbaarheid van feit 1

4. 1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van feit 1 uitsluiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het bewezenverklaarde onder 1 geen strafbaar feit oplevert nu daarin de wettelijke grondslag waarop het huisverbod is gebaseerd, ontbreekt zodat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de politierechter

Artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) bepaalt - kort gezegd - dat de burgemeester een huisverbod van tien dagen kan opleggen aan een persoon wanneer uit feiten of omstandigheden blijkt dat de aanwezigheid van die persoon in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met deze persoon in de woning verblijven, of wanneer daartoe een ernstig vermoeden bestaat.

Artikel 9, eerste lid, Wth behelst de bevoegdheid van de burgemeester om een op grond van artikel 2, eerste lid, Wth opgelegd huisverbod te verlengen tot een periode van ten hoogste vier weken wanneer het gevaar, of het vermoeden tot het bestaan van dat gevaar, zich voortzet.

Artikel 11 van de Wth verklaart zowel overtreding van een met toepassing van artikel 2, eerste lid, als een met toepassing van artikel 9, eerste lid, Wth opgelegd huisverbod strafbaar.

Aan de vermelding van artikel 9 Wth in artikel 11 Wth kan in zoverre betekenis worden toegekend, dat niet alleen het handelen in strijd met het huisverbod gedurende de in artikel 2, eerste lid, van de Wth genoemde termijn van tien dagen een strafbaar feit oplevert, maar evenzeer het handelen in strijd met een huisverbod waarvan op de voet van artikel 9, eerste lid de termijn is verlengd tot ten hoogste vier weken nadat het huisverbod is opgelegd en de overtreding plaatsvindt gedurende de aldus verlengde periode.

Dit brengt met zich, dat een persoon aan wie een huisverbod is opgelegd (de uithuisgeplaatste) het huisverbod dat aan hem is opgelegd, kan overtreden zowel op grond van artikel 2 van de Wth, als op grond van artikel 9, juncto artikel 2 van de Wth, afhankelijk van het moment waarop de overtreding heeft plaatsgevonden.

Artikel 11 van de Wth behelst de omschrijving van het in dat artikel strafbaar gestelde gedrag, te weten het handelen in strijd met een opgelegd huisverbod, en de daarbij van toepassing zijnde sanctienorm. Dit artikel bevat daarmee de bestanddelen die in een tenlastelegging ter zake van de overtreding van deze bepaling dienen te worden opgenomen. Alleen indien de in artikel 11 Wth opgenomen bestanddelen voorkomen in de bewezenverklaring kan het bewezenverklaarde als een strafbaar feit worden gekwalificeerd.

In de onderhavige zaak ontbreekt in de (tenlastelegging en daarmee in de) bewezenverklaring de wettelijke grondslag. Niet is immers vermeld of sprake was van een huisverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid of artikel 9, eerste lid, van de Wth. Door deze tekortkoming is de strafbaarheid van het bewezenverklaarde niet vast te stellen, zodat de verdachte voor feit 1 van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

5. De strafbaarheid van feit 2

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van feit 2 uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van feit 2

Verdachte is eveneens strafbaar voor feit 2, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7. De straf/maatregel

7.1. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf dagen met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis waarvan twintig uren subsidiair tien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met behandelingsverplichting en meldingsgebod.

7.2. Het standpunt van de verdediging is dat verdachte terzake van feit 2 wordt veroordeeld tot een geldboete.

7.3. Het oordeel van de politierechter

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter overweegt in het bijzonder dat het beledigen van politieagenten die gewoon hun werk doen als krenkend wordt ervaren door de betrokken politieagenten en dat zulks gedrag het gezag van de politie ondermijnd. Nu verdachte niet eerder voor een dergelijk is veroordeeld acht de politierechter en geldboete van € 400 een passende straf.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 27, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De politierechter,

verklaart het onder 1 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte deswege van alle rechtsvervolging;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

verklaart het onder 2 bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 400;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van acht dagen;

bepaalt, gelet op artikel 27, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op € 50 per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Steenhuis, politierechter,

in tegenwoordigheid van Van Bezooijen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2011.

(1) Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (p-v), wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van de twee doorgenummerde processen-verbaal met bijlagen van de regiopolitie Haaglanden, met beide nummer PL1581 2010090260-1.

(2) De beschikking van de burgemeester p. 34.

(3) Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] p. 25, het proces-verbaal van bevindingen betreffende telefonisch verhoor getuige [ I ] p. 38 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

(4) Het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] p. 25 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

(5) Het proces-verbaal van aanhouding p. 9, het proces-verbaal van bevindingen (aangifte) p. 61, het proces-verbaal van bevindingen p. 48 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting