Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3501

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
Awb 09-28632
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft eerst in de gronden van beroep de onderbouwing van zijn aanvraag aangevuld, verduidelijkt of verbeterd. Daarmee heeft verweerder in zijn besluitvorming geen rekening kunnen en hoeven houden. Het eerst in beroep aangevoerde standpunt dat verweerder ten onrechte niet de vrees van eiser van verlies van zijn rechten als Cubaans staatsburger heeft getoetst, richt zich derhalve niet tegen het bestreden besluit en valt buiten de omvang van het geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09/28632

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 januari 2011

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Cubaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. E.J.H.J. van Roosmalen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 23 oktober 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 14 juli 2009 afgewezen. Verweerder heeft hierbij tevens ambtshalve geweigerd aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet (Vw), onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 2 september 2010 een verweerschrift ingediend, maar ter zitting ingetrokken.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 26 november 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit Cuba. Van jongs af aan was eiser het niet eens met het regime van Castro. Omdat hij bang was dat hij problemen zou krijgen door de manier waarop hij zich uitte over dit regime en het debat voerde over de situatie in Cuba, is eiser in november 2005 naar Rusland vertrokken. Dit vertrek had ook te maken met de omstandigheid dat eiser in 2004 op grond van een valse beschuldiging gedetineerd was geweest. De Cubaanse inlichtingendienst verdacht hem er destijds van politieke banden te hebben met een zakenpartner in de Verenigde Staten. Na zijn vrijlating was het onmogelijk om werk te vinden en in Cuba kan men worden vastgezet als je geen werk kunt vinden. Eiser heeft toen zonder visum maar met een valse uitnodigingsbrief een zogenoemde ´vrijbrief´ aan kunnen vragen om uit te kunnen reizen. Met deze vrijbrief was het mogelijk om 11 maanden en 29 dagen buiten Cuba te blijven. Via Frankrijk is eiser vervolgens op 13 november 2005 naar Rusland gereisd. Omdat hij inmiddels langer dan elf maanden buiten Cuba was geweest, kon hij niet meer terug naar Cuba om daar te werken. Hij is uiteindelijk twee jaar illegaal in Rusland gebleven. Telkens als hij door de politie werd aangehouden, moest hij geld betalen. Op 5 maart 2008 is hij gehuwd met een Moldavische vrouw genaamd [naam] in [plaats] in Rusland. Op 11 april 2008 zijn zij naar Cuba gegaan omdat zijn vrouw zwanger was en zodat zijn vrouw kennis kon maken met zijn familie. Vervolgens is eiser met zijn echtgenote naar Venezuela vertrokken om daar Russische wodka in Venezuela te verkopen. Dit is uiteindelijk niet van de grond gekomen. Zijn vrouw is vervolgens in juli 2008 naar Cuba teruggekeerd en heeft zich tot de immigratiedienst gewend om te vragen of ze in Cuba mocht wonen. Omdat eiser zelf niet in Cuba verbleef moest hij eerst terugkomen. Op 22 juli 2008 is zijn echtgenote bevallen. Eiser moest in Venezuela wachten op de juiste papieren omdat zijn paspoort was gestolen. Eenmaal terug op 30 juli 2008 begreep eiser dat hij nog maar maximaal 2 maanden in Cuba mocht blijven in verband met de overschrijding van zijn uitreistermijn van destijds. Eiser heeft op 1 juni 2008 in Venezuela een brief geschreven op een website van de stichter van de Christelijke bevrijdingsbeweging, de heer [naam], waarin hij zijn solidariteit uitte over de tirannie in Cuba. Op 3 oktober 2008 werd eiser bevolen zich te melden bij de immigratiedienst. Hij is daar samen met zijn vrouw heen gegaan en kreeg te horen dat ze wisten wat hij aan commentaar had gegeven en dat ze wisten wat hij deed en dat het nog wel eens lang zou kunnen duren eer hij zijn zoon zou zien. Vanwege de angst en de dreiging die daarvan uitging, heeft eiser geld gespaard om tickets te kopen om Cuba te verlaten. Zijn vrouw is vooruit gereisd naar Moldavië. Eiser werd een visum geweigerd en als hij al een visum voor Moldavië zou kunnen krijgen zou dat zeker nog een week of twee weken duren. Wegens geldgebrek had eiser geen alternatief dan in Nederland asiel te vragen. Hij heeft zijn echtgenote voor het laatst gezien op 19 oktober 2008 in Cuba.

Samengevat stelt eiser Cuba te hebben verlaten vanwege de problemen die hij ondervond door zijn politieke overtuiging en zijn problemen met de immigratiedienst en vreest dat hij bij terugkeer naar Cuba gedood zal worden.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Verweerder heeft het relaas van eiser ongeloofwaardig bevonden voor wat betreft de veronderstelde problemen met de Cubaanse autoriteiten, omdat eiser wisselende en inconsistente verklaringen heeft afgelegd over zijn detentie in 2004. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op 1 juni 2008 vanuit Venezuela een email heeft verzonden naar een criticaster van het Cubaanse regime. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zich vanwege de gestelde email en een gesprek daarover met zijn jeugdvriend, bij de Cubaanse immigratiedienst in oktober 2008 heeft moeten melden en door hen zou zijn bedreigd. Hierbij heeft verweerder van belang geacht dat eiser heeft gesteld in de periode 1 oktober 2008 tot zijn vertrek op 21 oktober 2008 geen problemen van welke zijde dan ook te hebben ondervonden. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Verweerder heeft zich voorts ambtshalve op het standpunt gesteld dat eiser evenmin voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning met de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Eiser had een aanvraag kunnen indienen voor duurzame terugkeer naar Cuba. Bovendien is gesteld noch gebleken dat eiser zich niet zou kunnen vestigen bij zijn gezin in Moldavië. Uit de Moldavische wetgeving blijkt dat gezinshereniging mogelijk is. Eiser heeft niet aangetoond dat hij zich heeft gewend tot de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM) voor facilitering van zijn vertrek.

2.3 De rechtbank stelt vast dat in de gronden van beroep van 8 september 2009 geen gronden zijn aangevoerd tegen de afwijzing van de asielaanvraag, dan wel tegen de ambtshalve weigering van de reguliere verblijfsvergunning. Eiser stelt immers in zijn beroepsgronden dat de overwegingen van verweerder geen betrekking hebben op de kern van het asielverzoek van eiser.

De kern van het asielverzoek betreft volgens eiser dat hij in 2005 een toekomst heeft willen opbouwen, het liefst buiten het Cubaanse systeem om, omdat hij werd tegen gewerkt in het ontplooien van activiteiten. Toen zijn werkzaamheden in Rusland onvoldoende succesvol bleken en er voor hem en zijn echtgenote in Venezuela geen perspectief was, heeft eiser zich weer tot Cuba gericht. Toen ontstond pas het probleem waardoor hij niet met zijn echtgenote in Cuba is gebleven dan wel kon blijven, aldus eiser. Eiser vreest voor verlies van zijn rechten als Cubaans staatsburger, omdat hij na zijn uitreis in 2005 niet tijdig is teruggekeerd uit Rusland, door de Cubaanse autoriteiten met achterdocht is benaderd en als dissident wordt beschouwd. Eiser stelt dat verweerder aan dit relaas, zijnde de kern van het relaas, niet lijkt te twijfelen. Verweerder heeft ten onrechte niet getoetst of deze vrees relevant is voor toelating op grond van artikel 29 Vw. Het betreft een zwaarwegendheidstoets die ten onrechte ontbreekt in het voornemen, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen.

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank treft verweerder geen verwijt ten aanzien van het niet hebben getoetst van de vrees van verlies van zijn rechten als Cubaans staatsburger, nu eiser hier eerst in beroep op heeft gewezen. Noch in de correcties en aanvullingen van 24 oktober 2008, noch in de zienswijze van 30 juni 2009 is dit namens eiser naar voren gebracht. In de correcties en aanvullingen van 24 oktober 2008 staat dat de werkelijke reden voor vertrek uit Cuba is dat eiser problemen had met de inlichtingendienst en dat de problemen op 15 september 2008 zijn ontstaan nadat eiser met een jeugdvriend had gesproken over de actuele politieke situatie in Cuba. Dit correspondeert met de hiervoor gegeven samenvatting van het asielrelaas dat eiser bij zijn aanvraag naar voren heeft gebracht, te weten dat eiser Cuba heeft verlaten vanwege de problemen die hij ondervond door zijn politieke overtuiging en zijn problemen met de immigratiedienst en vreest dat hij bij terugkeer naar Cuba gedood zal worden.

2.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aldus eerst in de gronden van beroep de onderbouwing van zijn aanvraag aangevuld, verduidelijkt of verbeterd, waarmee verweerder in de besluitvormingsfase geen rekening heeft kunnen en hoeven houden. De beroepsgrond richt zich derhalve niet tegen het bestreden besluit en valt buiten de omvang van het geschil.

2.6 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.7 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.