Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3495

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/24290
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublinverordening – artikel 19, tweede lid – overdrachtstermijn – geen opschortende werking van ten aanzien van andere vreemdeling getroffen interim measure

Zoals eerder overwogen door deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch in de uitspraak van 3 december 2010 (AWB 10/37367), volgt uit de tekst van artikel 19, tweede lid, Verordening dat de overdrachtstermijn niet wordt opgeschort door het aantekenen van bezwaar of beroep, tenzij in een nationale wettelijke regeling anders is bepaald. In het gestelde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 is geen bepaling aan te treffen, die inhoudt dat aan een getroffen interim measure de hier bedoelde opschortende werking toekomt. Voorts is van belang dat uit de tekst van Rule 39, opgenomen in de Rules of Court van het EHRM, volgt dat een interim measure slechts werking heeft ten aanzien van partijen in de procedure.

De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, waar verweerder naar heeft verwezen, doet aan het voorgaande niet af, nu er ten aanzien van de vreemdeling in die zaak op grond van Rule 39 een interim measure getroffen was.

Nu de interim measure van het EHRM d.d. 3 juni 2010 niet is getroffen ten aanzien van eiser, kan deze interim measure geen opschortende werking hebben voor de overdrachtstermijn van eiser. Derhalve is ingevolge het bepaalde in artikel 19, vierde lid, Verordening de overdrachtstermijn na ommekomst van zes maanden vanaf 23 maart 2010, derhalve op 23 september 2010 geëindigd.

Nu de overdrachtstermijn is verstreken is verweerder verantwoordelijk geworden voor de behandeling van verzoekers asielaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 24290

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 januari 2011

in de zaak van:

[naam eiser]

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 23 oktober 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 7 juli 2010 afgewezen omdat een ander land, in casu Griekenland, verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het besluit op 7 juli 2010 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 7 januari 2011 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

2.3 Indien een overnameverzoek op uit het Eurodacsysteem verkregen gegevens is gebaseerd, is de voor overname aangezochte lidstaat verplicht dit verzoek binnen twee maanden te beantwoorden nadat het aan hem is voorgelegd conform artikel 18, eerste lid, Verordening. Op grond van artikel 18, zevende lid, Verordening wordt de om overname verzochte lidstaat geacht met de overname van de asielzoeker in te stemmen indien hij niet reageert binnen de in artikel 18, eerste lid, genoemde termijn van 2 maanden.

2.4 Verweerder heeft in het onderhavige geval de Griekse autoriteiten op 22 januari 2010 verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 10, eerste lid, van de Verordening. Griekenland heeft niet tijdig gereageerd op het overnameverzoek, zodat Griekenland op grond van artikel 18, zevende lid, van de Verordening wordt geacht de overname van eiser te hebben aanvaard. Hiermee staat sedert 23 maart 2010 de verantwoordelijkheid van Griekenland vast.

2.5 Namens eiser is het volgende aangevoerd. De asielaanvraag van eiser is, anders dan in het bestreden besluit wordt overwogen, niet op 23 oktober 2009, maar op 31 juli 2009 ingediend met het invullen van het afspraakformulier voor asielaanvragen. Dit formulier moet gezien worden als zijnde een formulier als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Verordening. Het overnameverzoek van verweerder aan Griekenland, d.d. 22 januari 2010, is niet binnen de daarvoor in artikel 17, eerste lid, Verordening gestelde termijn van drie maanden ingediend en derhalve is Griekenland niet verantwoordelijk voor de aanvraag. Dat de Griekse autoriteiten het overnameverzoek fictief hebben gehonoreerd doet daaraan niet af, nu verweerder het overnameverzoek niet heeft voorzien van de juiste gegevens. Voorts heeft verweerder, indien er op grond van het vorenstaande al uitgegaan mag worden van de verantwoordelijkheid van Griekenland, nagelaten eiser aan Griekenland over te dragen binnen de daartoe in artikel 19, derde lid, Verordening gestelde termijn (hierna: overdrachtstermijn). Volgens verweerder is Griekenland sinds 23 maart 2010 verantwoordelijk voor de behandeling van eisers aanvraag. Op diezelfde datum is de overdrachtstermijn van zes maanden gaan lopen. Deze termijn is geëindigd op 23 september 2010 zonder dat deze door een in artikel 19, tweede lid, Verordening bedoeld beroep of bezwaar opgeschort is geweest. De interim measure van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 3 juni 2010, die volgens verweerder op eiser van toepassing is, heeft geen opschortende werking voor overdrachtstermijn van eiser, nu de interim measure niet rechtstreeks op eiser betrekking heeft. De brief van verweerder van 12 augustus 2010 brengt hierin geen verandering. In dit kader wordt verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 december 2010 (AWB 10/37367). Voorts zal eiser, indien hij wordt overgedragen aan Griekenland, in een situatie terechtkomen die in strijd is met artikel 3 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De situatie voor asielzoekers in Griekenland is nog altijd zeer slecht, hetgeen niet door verweerder wordt bestreden. Daarnaast dreigt voor asielzoekers, als eiser, in geval van overdracht aan Griekenland het gevaar door de Griekse autoriteiten gerefouleerd te worden. Onder deze omstandigheden, die verweerder bekend horen te zijn, had verweerder eisers asielverzoek in behandeling moeten nemen. In dit kader wordt verwezen naar de volgende uitspraken en de daarin genoemde rapporten:

- uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, d.d. 28 oktober 2010 (AWB 10/18048 en 10/18047);

- uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, d.d. 8 september 2010 (AWB 10/15795);

- uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, d.d. 9 juli 2010 (AWB 10/941 en 10/947);

- uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats d.d. 20 mei 2010 ( AWB 10/11151 en 10/11150).

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn voor het indienen van het overnameverzoek niet is overschreden. De vorengenoemde termijn gaat eerst lopen op het moment dat het asielverzoek is ingediend door middel van het daartoe bestemde formulier of een door de autoriteiten opgemaakt proces-verbaal. Eisers asielaanvraag vond plaats op 23 oktober 2009 met het ondertekenen van de asielaanvraag. Griekenland is op 22 januari 2010, derhalve binnen de termijn van drie maanden, verzocht eiser over te nemen. Daarnaast is verweerder van mening dat er terecht generieke werking is verbonden aan de interim measure van 3 juni 2010. Hoewel nergens expliciet is bepaald dat aan een interim measure opschortende werking kan worden toegekend, volgt dit uit artikel 19, tweede lid, Verordening, nu het EHRM gezien kan worden als een in dat artikellid genoemd gerecht. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage van 22 december 2010 (LJN: BO9889). De overdrachtstermijn is derhalve opgeschort door de interim measure van 3 juni 2010. Voorts heeft eiser met de stukken waar hij naar verwezen niet aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan er ten opzichte van Griekenland niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder beroept zich daarbij op recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin de Afdeling heeft overwogen dat er thans geen concrete aanknopingspunten zijn op basis waarvan er ten opzichte van Griekenland niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De door eiser aangevoerde rapporten die thans niet door de Afdeling zijn beoordeeld kunnen niet tot een andere conclusie leiden, nu ze in de lijn liggen met de reeds door de Afdeling beoordeelde rapporten. Er bestaat derhalve geen aanleiding om de asielaanvraag met toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening in behandeling te nemen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder niet heeft voldaan aan de termijn voor het indienen van een overnameverzoek, overweegt de rechtbank als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 17, eerste lid, Verordening wordt een verzoek om overname zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het asielverzoek gedaan, bij gebreke waarvan de lidstaat waarbij het asielverzoek is ingediend verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

2.9 Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

2.10 Eiser kan, gelet op het voorstaande, niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij op 31 juli 2009, met het ondertekenen van een afspraakformulier voor asielaanvragen, zijn asielverzoek heeft ingediend. Het ondertekenen van het voornoemde formulier en het nemen van vingerafdrukken is geen asielverzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, Verordening. De indiening van het asielverzoek vond plaats door het ondertekenen van de asielaanvraag op 23 oktober 2009. Verweerder heeft op 22 januari 2010, dus binnen de termijn van drie maanden na indiening van het asielverzoek, Griekenland om overname verzocht. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.11 Voorts heeft eiser aangevoerd dat Griekenland niet langer verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, omdat de overdrachtstermijn reeds is verstreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

2.12 Ingevolge artikel 19, derde lid, Verordening wordt de asielzoeker overeenkomstig nationale wetgeving door de lidstaat waar het verzoek is ingediend, na overleg tussen de betrokken lidstaten overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of vanaf de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft.

2.13 Ingevolge artikel 19, tweede lid, Verordening heeft het door de asielzoeker ingediende beroep of bezwaar, tegen de beslissing tot overdracht, geen opschortende werking voor de overdracht, tenzij het gerecht of de bevoegde instantie, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, naar gelang van het geval een andersluidende beslissing neemt.

2.14 Ingevolge artikel 19, vierde lid, Verordening berust, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend.

2.15 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de overdrachtstermijn is aangevangen op 23 maart 2010, zijnde de datum waarop de Griekse autoriteiten fictief het overnameverzoek van verweerder hebben gehonoreerd.

2.16 Ter beantwoording ligt voor de vraag of de interim measure van 3 juni 2010, waarnaar verweerder heeft verwezen, de overdrachtstermijn van artikel 19, tweede lid, Verordening heeft opgeschort.

2.17 Zoals eerder overwogen door deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch in de uitspraak van 3 december 2010 (AWB 10/37367), volgt uit de tekst van artikel 19, tweede lid, Verordening dat de overdrachtstermijn niet wordt opgeschort door het aantekenen van bezwaar of beroep, tenzij in een nationale wettelijke regeling anders is bepaald. In het gestelde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 is geen bepaling aan te treffen, die inhoudt dat aan een getroffen interim measure de hier bedoelde opschortende werking toekomt. Voorts is van belang dat uit de tekst van Rule 39, opgenomen in de Rules of Court van het EHRM, volgt dat een interim measure slechts werking heeft ten aanzien van partijen in de procedure.

De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, waar verweerder naar heeft verwezen, doet aan het voorgaande niet af, nu er ten aanzien van de vreemdeling in die zaak op grond van Rule 39 een interim measure getroffen was.

2.18 Nu de interirm measure van het EHRM d.d. 3 juni 2010 niet is getroffen ten aanzien van eiser, kan deze interim measure geen opschortende werking hebben voor de overdrachtstermijn van eiser. Derhalve is ingevolge het bepaalde in artikel 19, vierde lid, Verordening de overdrachtstermijn na ommekomst van zes maanden vanaf 23 maart 2010, derhalve op 23 september 2010 geëindigd.

2.19 Gelet op het vorenstaande is verweerder ten gevolge van het verstrijken van de overdrachtstermijn op grond van artikel 19, vierde lid, Verordening verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder dient derhalve over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van deze aanvraag.

2.20 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.21 Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd behoeft, mede gelet op de uitspraak van het EHRM d.d. 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. vs. België (nr. 30696/09), geen verdere bespreking.

2.22 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient verweerder dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te betalen aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 7 juli 2010,

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak,

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, in tegenwoordigheid van D.B. Benhayon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.