Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2587

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
AWB 10-13310
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing schadevergoeding. Formele rechtskracht bewaringsuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/13310

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1958,

nationaliteit Turkse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.E.M. Later,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. C.W.M. van Breda.

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 19 februari 2010 heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 17 maart 2010 ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 6 april 2010 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 3 december 2010, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of het bestreden besluit van 17 maart 2010 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 19 juni 2007 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 juli 2007 (AWB 07/25760) is het beroep ingediend tegen de beslissing tot inbewaringstelling ongegrond verklaard. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij uitspraak van 11 september 2007 (AWB 07/32943) is het beroep gericht tegen het voortduren van de inbewaringstelling eveneens ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open. Op 26 september 2007 heeft verweerder de bewaring opgeheven. Eiser is bij besluit van 8 oktober 2008 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (hierna: Ranov), geldig van 15 juni 2007 tot 15 juni 2008, onder gelijktijdige verlening onder de beperking “voortgezet verblijf” voor de duur van vijf jaar tot 15 juni 2013. Op 19 november 2008 heeft eiser bij verweerder het verzoek om schadevergoeding ingediend.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu hij in het bezit is gesteld van voornoemde verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 15 juni 2007, de inbewaringstelling op 19 juni 2007 achteraf bezien als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Als gevolg daarvan heeft eiser schade ondervonden. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder de rechtbank in de procedure over eisers vreemdelingenbewaring verkeerd heeft voorgelicht, door ten onrechte het standpunt in te nemen dat eiser met stukken diende aan te tonen dat hij in 1985 een asielaanvraag had gedaan. Eiser heeft aangegeven dat dit vereiste in het ter zake doende beleid (WBV 2007/11) in het geheel niet werd gesteld. Het feit dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtens juist was, betekent volgens eiser niet dat nu geen schadevergoeding kan worden toegekend. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van € 95,- per dag voor het verblijf in een politiecel, een vergoeding € 70,- per dag voor het verblijf in het huis van bewaring en om € 5.000,- immateriële schadevergoeding.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen. Verweerder heeft gesteld dat de rechtbank onherroepelijk heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtens juist was en dat daarom geen sprake was van een onrechtmatige overheidsdaad. Verweerder heeft aangegeven dat de bewaring van eiser is opgeheven omdat de overgelegde burgemeesterverklaring voldoende aantoonde dat eiser mogelijk in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Ranov.

5. De rechtbank overweegt ten aanzien van haar bevoegdheid het volgende. De rechtbank, als vreemdelingenrechter, acht zich bevoegd om kennis te nemen van dit beroep, nu de rechtbank eveneens bevoegd is om te oordelen over de rechtmatigheid van het gestelde schadeveroorzakend besluit, te weten de beslissing tot inbewaringstelling en het voortduren daarvan.

6. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat uitgegaan dient te worden van het beginsel dat formele rechtskracht toekomt aan besluiten die niet meer in rechte aantastbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat, nu eiser niet is opgekomen tegen genoemde uitspraak van 9 juli 2007, waarbij het beroep ingediend tegen de beslissing tot inbewaringstelling ongegrond is verklaard, de beslissing tot inbewaringstelling in rechte onaantastbaar is geworden. Dit heeft tot gevolg dat thans van de rechtmatigheid van de beslissing tot inbewaringstelling moet worden uitgegaan, zowel wat de wijze van tot stand komen als wat de inhoud betreft. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen (uitspraken van 26 november 2008, 200800596/1, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BG5315" target="_blank" >BG5315</a> en van 30 september 2009, 200901962/1, LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BJ8924" target="_blank" >BJ8924</a>), kan slechts in uitzonderlijke gevallen reden bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken, namelijk indien door toedoen van het bestuursorgaan niet aan betrokkene kan worden toegerekend dat hij de procedure bij de administratieve rechter ongebruikt heeft gelaten of niet heeft voltooid of het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit uitdrukkelijk en tijdig heeft erkend.

7. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat van een erkenning van de onrechtmatigheid door het bestuursorgaan in de hiervoor bedoelde zin in deze zaak geen sprake is. Het feit dat eiser met terugwerkende kracht in aanmerking is gebracht voor een pardonvergunning waardoor achteraf sprake is geweest van rechtmatig verblijf gedurende de periode dat eiser in vreemdelingenbewaring was gesteld, behelst geen uitdrukkelijke en tijdige erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit tot inbewaringstelling. Evenmin is de rechtbank gebleken van een situatie dat door toedoen van verweerder aan eiser niet kan worden toegerekend dat hij geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de uitspraak van 9 juli 2007. De grief van eiser dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld omdat hij meteen heeft laten weten dat hij vóór 1 april 2001 een asielaanvraag heeft ingediend en verweerder de rechtbank onjuist heeft voorgelicht door ten onrechte van eiser te verlangen dat eiser deze asielaanvraag zelf met stukken diende te onderbouwen, had eiser in hoger beroep tegen de uitspraak van 9 juli 2007 kunnen inbrengen. De omstandigheid dat eiser geen hoger beroep heeft ingediend tegen deze uitspraak omdat hoger beroep van een vreemdeling bij de Afdeling naar zijn zeggen zelden tot een voor de vreemdeling gunstig resultaat leidt, dient voor zijn rekening en risico te komen. Dit geldt ook voor het feit dat eiser destijds een andere gemachtigde had. De omstandigheid dat geen hoger beroep open stond tegen de uitspraak van 11 september 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen het voortduren van de inbewaringstelling ongegrond is verklaard, levert naar het oordeel van de rechtbank evenmin een uitzonderlijk geval op om af te wijken van het uitgangspunt dat uitgegaan moet worden van de rechtmatigheid van het voortduren van de inbewaringstelling. Het onderwerp van geschil was in deze uitspraak ook overigens hetzelfde als die in de uitspraak van 9 juli 2007, en eiser had derhalve zijn grieven, zoals reeds overwogen, eerder in hoger beroep aan de orde kunnen brengen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat het besluit tot inbewaringstelling en het voortduren daarvan formele rechtskracht toekomt en dat derhalve van de rechtmatigheid daarvan moet worden uitgegaan. Voor vergoeding van de door eiser gestelde schade bestaat dan ook geen aanleiding.

8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden het bezwaar van eiser gericht tegen de niet-inwilliging van zijn verzoek om schadevergoeding ongegrond heeft verklaard.

9. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank dat op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is afgezien van het horen van eiser. Van de in artikel 7:2 van de Awb vervatte algemene hoorplicht kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in het bezwaarschrift van eiser, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, gelezen in samenhang met de motivering van het primaire besluit, na een eerste beoordeling daarvan, een wezenlijk nieuw licht werpen op het verzoek van eiser. Derhalve kon het bezwaar van eiser als kennelijk ongegrond worden beschouwd en bestond er voor verweerder, gelet op artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, geen plicht om eiser omtrent zijn bezwaar te horen.

10. Het beroep is derhalve ongegrond.

11. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

12. Over de mogelijkheid een rechtsmiddel aan te wenden overweegt de rechtbank als volgt. Uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 28 februari 2000 (gepubliceerd in JV 2000, 82) volgt dat voor de rechterlijke bevoegdheid tot beoordeling van schadeveroorzakend bestuursoptreden, dient te worden aangesloten bij de bevoegdheid kennis te nemen van het beweerdelijk schadeveroorzakend besluit zelve.

13. De rechtbank gaat op grond daarvan ervan uit dat in dit geval hoger beroep openstaat bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in ieder geval voor zover het gaat om de schade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van de beslissing tot inbewaringstelling. Er stond immers hoger beroep open tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2007 inzake deze beslissing tot inbewaringstelling. Voor wat betreft het voortduren van de inbewaringstelling stond geen hoger beroep open tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 september 2007. Voor zover eiser stelt schade te hebben geleden als gevolg van het voortduren van de inbewaringstelling, staat naar het oordeel van de rechtbank daarom in zoverre tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. Vanzelfsprekend is het overigens aan de hoger beroepsinstantie om over haar bevoegdheid te oordelen.

14. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. M.M.L. Wijnen als rechter in tegenwoordigheid van mr. M.R. Hoeksema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: