Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2577

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
10/44828
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vreemdelingenbewaring / strafdetentie is geen bewaring in de zin van de Terugkeerrichtlijn / optellen verschillende perioden van vreemdelingenbewaring? / perioden van strafdetentie tellen in dit geval wel mee bij de belangenafweging naar nationaal recht / beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 10/44828, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. X.J. Polak, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser op 29 november 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 30 december 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, nadat de rechtbank het vorige beroep van eiser tegen het voortduren van zijn bewaring bij uitspraak van 21 december 2010 in de zaak met procedurenummer AWB 10/43097 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.3. De zaak is op 13 januari 2011 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen F. Topgüme, tolk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), gelezen in samenhang met het eerste lid van deze bepaling, verklaart de rechtbank het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontneming gegrond indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Volgens artikel 15, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Terugkeerrichtlijn) kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) indien er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

Volgens het vierde lid van dit artikel is de bewaring niet langer gerechtvaardigd en wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten, indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen.

Volgens het vijfde lid van dit artikel wordt de bewaring gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

Volgens het zesde lid van dit artikel kunnen de lidstaten de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

2.2. Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Op 29 november 2010 blijkt eiser wederom op grond van artikel 59 van de Vw 2000 in bewaring te zijn gesteld. Vermoedelijk heeft eiser daarvoor in strafrechtelijke detentie gezeten. Ten onrechte is het beroep in de zaak met procedurenummer AWB 10/41242 behandeld als een eerste beroep. De motivering van de uitspraak van 17 december 2010 is niet begrijpelijk.

Mr. Deen is de voorkeursadvocaat van eiser. Ten onrechte blijkt mr. Habets ook als gemachtigde van eiser op te treden.

Eiser zit in een vicieuze cirkel. Sinds 2006 verblijft hij afwisselend in strafrechtelijke detentie en vreemdelingenbewaring. Het is verweerder de afgelopen tien jaar niet gelukt om eiser uit te zetten. Er is geen zicht op uitzetting naar Turkije, zodat de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het is inhumaan dat eiser desondanks steeds opnieuw in bewaring wordt gesteld. De Turkse autoriteiten hebben op 26 juli 2007 duidelijk gemaakt dat aan eiser geen laissez-passer (hierna: lp) wordt afgegeven zolang hij de Turkse nationaliteit niet bezit. Op 25 juni 2010 heeft eiser een verzoek gedaan tot het herkrijgen van de Turkse nationaliteit. Het is aannemelijk dat het onderzoek dat thans in Turkije plaatsvindt, wordt verricht naar aanleiding van dit verzoek. Het is onwaarschijnlijk dat eiser binnen afzienbare tijd de Turkse nationaliteit herkrijgt.

Eiser betwist dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Bovendien heeft het handelen van verweerder geen invloed op het onderzoek en de besluitvorming in Turkije.

Het is in strijd met artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat eiser langer dan zes maanden in vreemdelingenbewaring wordt gehouden.

2.3. Verweerder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

De vreemdelingenbewaring van eiser is onderbroken door strafrechtelijke detenties. In de onderhavige procedure staat uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring ter beoordeling. Het is aan eiser om pogingen te ondernemen het land te verlaten. Eiser heeft niet voldaan aan zijn vertrekplicht. In haar uitspraak van 17 december 2010 heeft de rechtbank zicht op uitzetting aangenomen.

Op 22 december 2010 en 6 januari 2011 is gerappelleerd bij de Turkse autoriteiten. Er is mondeling navraag gedaan. Het onderzoek is nog niet afgerond.

Eiser zit nog geen zes maanden in bewaring in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De belangenafweging moet in het voordeel van verweerder uitvallen, omdat eiser niet meewerkt en ongewenst is verklaard.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1. In haar uitspraak van 17 december 2010 in de zaak met procedurenummer AWB 10/41242 heeft de rechtbank de hernieuwde inbewaringstelling van eiser rechtmatig geoordeeld. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak, zodat de rechtmatigheid van zijn hernieuwde inbewaringstelling vaststaat. De begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak van 17 december 2010 staat dan ook niet ter beoordeling, evenmin als de klacht van eiser dat zijn voorkeursadvocaat niet in de gelegenheid is gesteld om in de desbetreffende procedure als zijn gemachtigde op te treden.

2.4.2. Met betrekking tot de beroepsgrond dat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten het vijfde en zesde lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en nauwkeurig bepaalde normen over de maximale duur van de vreemdelingenbewaring, zodat deze artikelleden vanaf 24 december 2010 door eiser kunnen worden ingeroepen tegenover verweerder.

De rechtbank stelt vast dat eiser van 19 mei tot 22 juni 2010 in vreemdelingenbewaring heeft verbleven, dat hij van 22 juni tot 20 augustus 2010 strafrechtelijk gedetineerd is geweest, dat hij van 20 augustus tot 30 september 2010 in vreemdelingenbewaring heeft verbleven, dat hij van 30 september tot 29 november 2010 strafrechtelijk gedetineerd is geweest en dat hij sinds 29 november 2010 in vreemdelingenbewaring verblijft.

Het standpunt van eiser dat hij sinds 2006 afwisselend in vreemdelingenbewaring en strafrechtelijke detentie heeft verbleven, vindt geen steun in de stukken voor zover eiser beoogt te stellen dat hij sinds 2006 onafgebroken van zijn vrijheid beroofd is geweest. Blijkens de voortgangsrapportage is een eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op 10 januari 2008 opgeheven, waarna blijkens een uittreksel justitiële documentatie van 28 september 2008 in de periode van 10 januari tot 2 april 2008 een aan eiser opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd. Dat eiser in de periode van 2 april 2008 tot 19 mei 2009 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, blijkt niet uit de stukken en is door eiser ook niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de perioden gedurende welke eiser strafrechtelijk gedetineerd is geweest niet kunnen gelden als perioden van bewaring in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Uit rechtsoverweging 40 tot en met 48 van het arrest van 30 november 2009 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) inzake Kadzoev (JV 2010/30) valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat vrijheidsontneming van de vreemdeling die berust op andere wetgeving dan nationale wetgeving die de lidstaten toestaat vreemdelingen in bewaring te houden met het oog op hun uitzetting naar het oordeel van het Hof van Justitie niet mag worden beschouwd als bewaring met het oog op verwijdering in de zin van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat alle perioden die hij ooit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht in het kader van de beoordeling van het beroep op artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn bij elkaar opgeteld moeten worden. Eiser heeft geen bepaling in de Terugkeerrichtlijn aangewezen waaruit blijkt of kan worden afgeleid dat, als de bewaring van een vreemdeling na een bepaalde periode wordt opgeheven en hij (al dan niet geruime tijd) later opnieuw in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, de eerdere periode van vreemdelingenbewaring meetelt bij de berekening van de totale duur van de bewaring. Wel acht de rechtbank het redelijk om de periode van 19 mei tot 22 juni 2010 en de periode van 20 augustus tot 30 september 2010 mee te tellen, omdat eiser vanaf 19 mei 2010 onafgebroken gedetineerd is geweest en het na de inbewaringstelling van 19 mei 2010 in gang gezette uitzettingstraject steeds is doorgelopen, ook in de perioden van onderbreking van de vreemdelingenbewaring door strafrechtelijke detentie.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de tijdvakken van 19 mei tot 22 juni 2010, van 20 augustus tot 30 september 2010 en van 29 november 2010 tot 13 januari 2011 (datum sluiting onderzoek) bij elkaar opgeteld moeten worden ter bepaling van de duur van de bewaring van eiser in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Daarvan uitgaande was ten tijde van de sluiting van het onderzoek sprake van ongeveer vier maanden bewaring in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn genoemde maximumtermijn van zes maanden is dan ook nog niet bereikt, zodat de hierop betrekking hebbende beroepsgrond faalt.

2.4.3. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de beroepsgrond dat voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

In haar uitspraak van 17 december 2010 heeft de rechtbank de beroepsgrond van eiser dat zicht op zijn uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt beoordeeld en verworpen.

In zijn arrest van 30 november 2009 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat alleen wanneer er een werkelijk vooruitzicht is dat de verwijdering kan slagen rekening houdend met de in artikel 15, leden 5 en 6, voorziene termijnen, sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering, en dat dit laatste vooruitzicht niet bestaat wanneer het weinig waarschijnlijk lijkt dat de betrokkene, gezien deze termijnen, in een derde land wordt opgevangen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, een onvoorwaardelijke en nauwkeurig bepaalde norm, zodat dit artikellid vanaf 24 december 2010 door eiser kan worden ingeroepen tegenover verweerder. Het belang hiervan is gelegen in de omstandigheid dat artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, een andere toetsingsmaatstaf inhoudt dan de tot nu toe volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te hanteren toetsingsmaatstaf of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Ook als zicht op uitzetting van een vreemdeling binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, kan het onder omstandigheden immers weinig waarschijnlijk lijken dat deze vreemdeling, gezien de in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn voorziene termijnen, kan worden uitgezet.

Dat bij de beoordeling van het zicht op uitzetting een andere toetsingsmaatstaf geldt dan ten tijde van de beoordeling van het vorige beroep van eiser, leidt niet tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van de voortzetting van de maatregel van bewaring. De Turkse autoriteiten hebben de aanvraag van verweerder om een lp voor eiser in behandeling genomen en er loopt thans een onderzoek in Turkije. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat eiser op 25 juni 2010 aan de Turkse autoriteiten kenbaar heeft gemaakt dat hij de Turkse nationaliteit wil herkrijgen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het weinig waarschijnlijk lijkt dat eiser binnen de in de Terugkeerrichtlijn voorziene termijnen kan worden uitgezet.

2.4.4. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in de ter toetsing voorliggende periode onvoldoende voortvarend te werk is gegaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder geen invloed kan uitoefenen op het onderzoek in Turkije.

2.4.5. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat voortduring van de maatregel van bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet in redelijkheid gerechtvaardigd is. In de jurisprudentie wordt veelal als uitgangspunt gehanteerd dat het belang van een vreemdeling bij invrijheidstelling na zes maanden zwaarwegender is geworden dan het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring. In haar uitspraak van 17 december 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrijheidsontneming van eiser met inbegrip van zijn strafrechtelijke detenties langer dan zes maanden voortduurt. Hetgeen onder 2.4.2. is overwogen vormt geen aanleiding om hier thans anders over te oordelen, omdat de niet geïmplementeerde Terugkeerrichtlijn niet ten nadele van eiser kan worden betrokken bij de beoordeling van het beroep. Hiervan uitgaande duurde de vrijheidsontneming van eiser ten tijde van de sluiting van het onderzoek bijna acht maanden voort. De belangenafweging valt desondanks in het voordeel van verweerder uit, omdat eiser pas op 25 juni 2010 (en niet kort na 26 juli 2007) een verzoek tot herkrijging van de Turkse nationaliteit heeft ingediend. De hierdoor ontstane vertraging van het uitzettingstraject komt voor rekening en risico van eiser, zodat ook het betoog dat eiser zich in een vicieuze cirkel bevindt niet kan leiden tot het daarmee beoogde doel. Voorts is van belang dat eiser criminele antecedenten heeft en ongewenst is verklaard.

2.5. Het beroep is derhalve ongegrond.

Er is geen grond voor schadevergoeding.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en B. Simi, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,