Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2570

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
AWB 11-628
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, eerste beroep, terugkeerrichtlijn, meeromvattende beschikking als terugkeerbesluit

Artikel 3, 4, 7, 8 van de Terugkeerrichtlijn; Artikel 59, eerste lid, Artikel 8, onder f, g en h Vw.

Samenvatting:

De rechtbank deelt de opvatting van verweerder dat een meeromvattende beschikking, gelet op artikel 45 in samenhang met artikel 62 van de Vw, materieel neerkomt op een terugkeerbesluit. De rechtsvaststellingen en verplichtingen die uit een meeromvattende beschikking volgen voldoen namelijk aan de definitie van een terugkeerbesluit, als gegeven in artikel 3, aanhef en onder 4, van de Terugkeerrichtlijn: de illegaliteit van het verblijf wordt vastgesteld of verklaard en de terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

In artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat in een terugkeerbesluit een passende termijn wordt geboden voor vrijwillig vertrek. Die termijn kan variëren van zeven tot dertig dagen.

De bij de meeromvattende beschikking gegeven vertrektermijn van vier weken was ten tijde van de inbewaringstelling reeds verstreken. Deze termijn valt binnen de mogelijke termijnstelling van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is kort gezegd neergelegd dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien die termijn is verstreken zonder dat betrokkene het land heeft verlaten. Onder dergelijke maatregelen vallen de dwangmiddelen, geregeld in artikel 8, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals bewaring. Nu eiseres na verloop van de in de meeromvattende beschikking genoemde vertrektermijn Nederland niet heeft verlaten, heeft verweerder eiseres, in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn, in bewaring mogen stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 11/628

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1980], van Azerbeidzjaanse nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. S. Spans, advocaat te Utrecht,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C.O. Stiphout.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 januari 2011 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 januari 2011. Eiser heeft in persoon en bij gemachtigde, en verweerder heeft bij gemachtigde het woord gevoerd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld de meeromvattende beschikking te overleggen waaruit blijkt dat eiseres een vertrektermijn heeft opgelegd gekregen. Eiseres is in gelegenheid gesteld hierop te reageren. Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak verder buiten zitting af te doen. De rechtbank sluit thans het onderzoek en bepaalt dat de uitspraak heden wordt gedaan.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, vierde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

3. Eiseres heeft allereerst gesteld dat er ten tijde van het opleggen van de maatregel nog geen terugkeerbesluit was en dat daarom de bewaring onrechtmatig is en dient te worden opgeheven.

4. Verweerder heeft gesteld dat er weliswaar geen terugkeerbesluit is genomen in de zaak van eiseres, maar dat de afwijzing van haar herhaalde asielaanvraag van 3 september 2010, waarin de rechtsplicht Nederland te verlaten dermate specifiek is weergegeven en aan eiseres bekend is gemaakt, dat deze zogenoemde meeromvattende beschikking gelijk te stellen is aan een terugkeerbesluit.

5. Op 24 december 2010 is de implementatietermijn voor de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), verstreken. Niet in geschil is dat deze richtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd. Voor zover in dit geding van belang gaat het hier om bepalingen van de Terugkeerrichtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld dan wel rechten die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden. Verder is eiser een onderdaan van een derde land, althans geen burger van de Europese Unie, die illegaal verblijft in Nederland. Ook verder is er geen reden de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing te achten op dit geval. Daarom zal de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel direct toetsen aan de Terugkeerrichtlijn, waarbij voor zover nodig de nationale wetgeving richtlijnconform wordt uitgelegd of buiten toepassing wordt gelaten.

6. In artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is neergelegd dat, onverminderd het tweede tot en met vijfde lid, aan een vreemdeling een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd bij wijze van, kort gezegd, startpunt van de (door de lidstaat geïnitieerde) beëindiging van illegaal verblijf. In artikel 8, onder het kopje verwijdering, is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om het terugkeerbesluit uit te voeren. Onder dergelijke maatregelen vallen de dwangmiddelen, geregeld in artikel 8, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals bewaring. Uit artikel 8 volgt eenduidig dat voorbereiding van terugkeer en verwijdering in het kader van de Terugkeerrichtlijn de uitvoering van een terugkeerbesluit is. In artikel 15 is, zoals hiervoor overwogen, dwingend bepaald dat de maatregel van bewaring alleen kan worden opgelegd om de terugkeer van de desbetreffende vreemdeling voor te bereiden of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Dit systeem komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat aan de bewaring, tenzij een uitzondering in artikel 6, tweede tot en met vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn zich voordoet, of de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is, steeds een terugkeerbesluit ten grondslag moet liggen, nu immers de enige twee toegestane doelen van de bewaring de uitvoering van een terugkeerbesluit inhouden.

7. In haar uitspraak van 31 december 2010 (LJN: BO9498) heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van een beroepsprocedure tegen de maatregel de rechterlijke toets zich beperkt tot de constatering dat zo'n besluit er is. Of het besluit rechtmatig is en welk rechtskarakter het heeft, is in die uitspraak in het midden gelaten en verwezen naar een eventuele procedure tegen het terugkeerbesluit zelf.

8. Bij besluit van 3 september 2010 is de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Daaruit vloeit voort een vertrektermijn van vier weken, te rekenen vanaf 3 september 2010. Die termijn van vier weken was, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, ten tijde van de inbewaringstelling op 5 januari 2011 reeds verstreken. De rechtbank deelt de opvatting van verweerder dat een meeromvattende beschikking, gelet op artikel 45 in samenhang met artikel 62 van de Vw, materieel neerkomt op een terugkeerbesluit. De rechtsvaststellingen en verplichtingen die uit een meeromvattende beschikking volgen voldoen namelijk aan de definitie van een terugkeerbesluit, als gegeven in artikel 3, aanhef en onder 4, van de Terugkeerrichtlijn: de illegaliteit van het verblijf wordt vastgesteld of verklaard en de terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

In artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat in een terugkeerbesluit een passende termijn wordt geboden voor vrijwillig vertrek. Die termijn kan variëren van zeven tot dertig dagen. In de meeromvattende beschikking is een termijn gesteld van vier weken. Dit valt binnen de mogelijke termijnstelling van artikel 7, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In artikel 8, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is kort gezegd neergelegd dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien die termijn is verstreken zonder dat betrokkene het land heeft verlaten. Onder dergelijke maatregelen vallen de dwangmiddelen, geregeld in artikel 8, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, zoals bewaring. Nu eiseres na verloop van de in de meeromvattende beschikking genoemde vertrektermijn Nederland niet heeft verlaten, heeft verweerder eiseres, in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn, in bewaring mogen stellen.

9. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ten onrechte aan de bewaring ten grondslag heeft gelegd dat eiseres geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

10. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2011 blijkt dat verweerder abusievelijk de grond, geen vaste woon- of verblijfplaats, op het bewaringsformulier heeft vermeld. Nu de overige gronden van de maatregel van bewaring niet zijn aangevochten, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat deze de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.

11. Gelet op het voorgaande en artikel 94, vierde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D. Verduijn, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2011.

De griffier: De rechter:

mr. M.A. Beijl mr. D. Verduijn

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.