Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2537

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
31-01-2011
Zaaknummer
201010182/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier / terugwerkende kracht / bij feitelijke verbreking relatie is GBA leidend

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2007 in zaak nr. 200609070/1 (www.raadvanstate.nl) heeft overgewogen, volgt uit het stelsel van de wet dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de staatssecretaris om een verblijfsvergunning in te trekken tevens heeft beoogd een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer werd voldaan aan de beperking waaronder die verblijfsvergunning was verleend. De staatssecretaris heeft zich, gelet op de informatie uit de GBA, terecht, in overeenstemming met het beleid weergegeven in 2.1.1, op het standpunt gesteld dat de relatie tussen de vreemdeling en de echtgenote op 16 februari 2006 feitelijk was verbroken en dat de vreemdeling op die datum niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan hem was verleend. Dat de vreemdeling en de echtgenote de relatie hebben hervat en de vreemdeling vanaf 7 juli 2006 weer bij de echtgenote is gaan wonen, doet niet af aan de omstandigheid dat de vreemdeling voor laatstgenoemde datum niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning was verleend. De staatssecretaris heeft derhalve terecht de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 16 februari 2006 ingetrokken. Voorts heeft de staatssecretaris terecht de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in 'verband houdend met voortgezet verblijf' afgewezen, aangezien de vreemdeling niet voldeed aan de in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 gestelde eis van drie jaar verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010182/1/V1.

Datum uitspraak: 21 januari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 september 2010 in zaken nrs. 09/12703 en 09/12706 in de gedingen tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 21 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en deze verblijfsvergunning ingetrokken.

Bij onderscheiden besluiten, verzonden op 11 maart 2009, heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet zonder aanvullende, op objectieve gegevens gebaseerde motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de huwelijksrelatie tussen de vreemdeling en zijn toenmalige echtgenote (hierna: de echtgenote) op 16 februari 2006 definitief is verbroken, nu niet is weersproken dat de vreemdeling vanaf 1 maart 2006 weer is gaan samenwonen met de echtgenote, hetgeen tot 10 mei 2007 heeft geduurd. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de onderscheiden besluiten van 11 maart 2009 zijn gestoeld op het feit dat de relatie tussen de vreemdeling en de echtgenote op 16 februari 2006 is verbroken en dat de vreemdeling eerst op 7 juli 2006 weer bij de echtgenote is gaan wonen. De vreemdeling is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij tussen 1 maart 2006 en 7 juli 2006 feitelijk met de echtgenote heeft samengewoond, zodat de staatssecretaris in voormelde besluiten terecht is uitgegaan van de informatie uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA), aldus de minister. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verbreking van de relatie definitief moet zijn, alvorens tot intrekking van de verblijfsvergunning kan worden overgegaan.

2.1.1. Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht.

Volgens paragraaf B2/9.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks)relatie, indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan verblijf was toegestaan feitelijk of juridisch is verbroken. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de desbetreffende vreemdeling en de hoofdpersoon niet meer op hetzelfde adres in de GBA staan ingeschreven of uit het feit dat de partners naar buiten toe verschillende adressen voeren.

2.1.2. De staatssecretaris heeft zich in de onderscheiden besluiten van 11 maart 2009, waarbij de onderscheiden besluiten van 21 oktober 2008 zijn gehandhaafd, terecht op het standpunt gesteld dat uit informatie uit de GBA is gebleken dat de vreemdeling en de echtgenote vanaf 16 februari 2006 tot 7 juli 2006 niet meer op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Volgens de staatssecretaris voldeed de vreemdeling in die periode niet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan hem is verleend. Eerst vanaf 7 juli 2006 heeft de vreemdeling zich volgens de staatssecretaris opnieuw ingeschreven op het adres van de echtgenote. De staatssecretaris heeft zich voorts in voormelde besluiten terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling bij brief van 11 februari 2009 overgelegde poststukken niet tot een ander standpunt leiden, zodat moet worden uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit de GBA. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de vreemdeling in de periode van 1 maart 2006 tot 7 juli 2006 post ontving op het adres van de echtgenote, maar de vreemdeling heeft eveneens stukken overgelegd waaruit blijkt dat tot september 2008 post voor hem naar het adres van de echtgenote is verzonden, terwijl de vreemdeling heeft verklaard dat het huwelijk met de echtgenote op 10 mei 2007 definitief is verbroken en hij volgens de GBA vanaf die datum niet meer bij de echtgenote woonde. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris derhalve terecht weersproken dat de vreemdeling vanaf 1 maart 2006 weer is gaan samenwonen met de echtgenote.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2007 in zaak nr. 200609070/1 (www.raadvanstate.nl) heeft overgewogen, volgt uit het stelsel van de wet dat de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid aan de staatssecretaris om een verblijfsvergunning in te trekken tevens heeft beoogd een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer werd voldaan aan de beperking waaronder die verblijfsvergunning was verleend. De staatssecretaris heeft zich, gelet op de informatie uit de GBA, terecht, in overeenstemming met het beleid weergegeven in 2.1.1, op het standpunt gesteld dat de relatie tussen de vreemdeling en de echtgenote op 16 februari 2006 feitelijk was verbroken en dat de vreemdeling op die datum niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan hem was verleend. Dat de vreemdeling en de echtgenote de relatie hebben hervat en de vreemdeling vanaf 7 juli 2006 weer bij de echtgenote is gaan wonen, doet niet af aan de omstandigheid dat de vreemdeling voor laatstgenoemde datum niet voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning was verleend. De staatssecretaris heeft derhalve terecht de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 16 februari 2006 ingetrokken. Voorts heeft de staatssecretaris terecht de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in 'verband houdend met voortgezet verblijf' afgewezen, aangezien de vreemdeling niet voldeed aan de in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 gestelde eis van drie jaar verblijf.

De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdeling tegen de onderscheiden besluiten van 11 maart 2009 van de staatssecretaris van Justitie alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 september 2010 in zaken nrs. 09/12703 en 09/12706;

III. verklaart de door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Schaaf

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011

523.

Verzonden: 21 januari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser