Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2165

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
157337 / HA RK 10-166
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek tijdens behandeling ter zitting van de rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van vervolgberoep bewaring. Bevoegde rechtbank? Samenstelling wrakingskamer uit rechters uit de rechtbank Maastricht toelaatbaar gelet op wrakingsprotocol rechtbank ’s-Gravenhage?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudend te MAASTRICHT

Meervoudige kamer

Procedurenummer: 157337 / HA RK 10-166

Beschikking van de meervoudige kamer, belast met wrakingszaken, van deze rechtbank op het mondelinge verzoek ingevolge artikel 8:15 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht van:

[naam verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters,

strekkend tot wraking van mr. [naam rechter], rechter.

1. Procesverloop

Tijdens de openbare behandeling ter zitting van de rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, op 20 december 2010 van het op 6 december 2010 ingestelde beroep tegen het voortduren van de vrijheidsbeneming van verzoeker, heeft de gemachtigde van verzoeker de behandelend rechter mr. [naam rechter] (hierna: de rechter) gewraakt.

De rechter heeft hierop de zitting geschorst. Vervolgens heeft de rechter van het wrakingsverzoek een proces-verbaal laten opmaken, waarvan verzoeker een afschrift heeft gekregen.

De rechter heeft de wrakingskamer bericht niet in de wraking te berusten. Tevens heeft zij de wrakingskamer schriftelijk haar standpunt doen toekomen, welk standpunt in afschrift aan verzoeker is doorgezonden.

Ter zitting van de wrakingskamer van 13 januari 2011 hebben verzoeker en zijn gemachtigde het wrakingsverzoek nader toegelicht. De rechter is niet verschenen.

2. Standpunten van partijen

De in het proces-verbaal, dat van het verzoek tot wraking ter zitting van 20 december 2010 is opgemaakt, opgenomen gronden voor de wraking en de daarop ter zitting van de wrakingskamer gegeven toelichting kunnen als volgt worden weergegeven.

Op 1 november 2010 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in het namens verzoeker ingestelde beroep tegen de hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring de dato 13 oktober 2010. Tegen deze uitspraak is op 8 november 2010 hoger beroep ingesteld. Op dezelfde datum is (vervolg)beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Een dergelijk beroep mag te allen tijde worden ingesteld. De rechter heeft geoordeeld dat de gronden van het vervolgberoep gericht zijn tegen de uitspraak van 1 november 2010 en heeft het vervolgberoep - volgens verzoeker ten onrechte - naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) doorgezonden. De rechtbank heeft het vervolgberoep niet op zitting behandeld en heeft daar ook geen uitspraak in gedaan. Verzoeker heeft in die procedure dus geen toegang tot de rechter gehad. Artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is daarmee geschonden. Indien wordt besloten de zitting achterwege te laten dient ingevolge artikel 96, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) binnen één week uitspraak te worden gedaan.

Ter zitting van 20 december 2010 heeft de raadsman van verzoeker zich primair op het standpunt gesteld dat indien niet wordt beslist op het vervolgberoep van 8 november 2010, de bewaring onrechtmatig is geworden. De rechter heeft volgens verzoeker geweigerd deze grond te behandelen. Daarmee heeft zij de schijn van partijdigheid gewekt. Zij heeft met deze weigering verweerder voorgetrokken.

De rechter heeft in haar schriftelijke reactie een toelichting gegeven op hetgeen aan de wraking vooraf ging.

3. Beoordeling

In artikel 71, eerste lid, van de Vw 2000 is de rechtbank te ’s-Gravenhage bevoegd verklaard voor beroepen tegen besluiten gegeven op grond van die wet.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen zijn de nevenzittingsplaatsen van de rechtbank te ’s-Gravenhage voor beroepen ingesteld tegen besluiten die zijn gegeven op grond van de Vw 2000, de hoofdplaatsen van de andere arrondissementen alsmede Haarlemermeer. Op grond daarvan heeft de behandeling van de zaak waarin verzoeker de wraking van de rechter heeft verzocht, plaatsgevonden voor de rechtbank ‘s-Gravenhage, zittinghoudende te Maastricht. Het verzoek tot wraking is conform de zaak waarin de wraking is verzocht, voorgelegd aan een wrakingskamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Maastricht.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de onderhavige wrakingskamer, die is samengesteld uit rechters uit de rechtbank Maastricht, niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot wraking. Uit het wrakingsprotocol van de rechtbank ’s-Gravenhage, in het bijzonder artikel 5.5, volgt volgens verzoeker dat alleen de wrakingskamer van die rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van wrakingsverzoeken in vreemdelingenzaken.

De wrakingskamer in haar onderhavige samenstelling acht zich bevoegd om kennis te nemen van het wrakingsverzoek van verzoeker. Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zijn de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. Hieruit volgt dat de rechters van de rechtbank Maastricht bevoegd zijn om als wrakingskamer zaken van de rechtbank ’s-Gravenhage te behandelen. Voorts biedt artikel 5.4 van het wrakingsprotocol van de rechtbank ’s-Gravenhage naar het oordeel van de wrakingskamer de ruimte om de kamer samen te stellen uit rechter-plaatsvervangers uit een ander gerecht.

Aan de orde is thans de vraag of sprake is van feiten en omstandigheden aan de zijde van de rechter waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden. De toepasselijke norm voor dit wrakingsverzoek is gelegen in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 6 van het EVRM, zoals vorm gegeven in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).

Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden.

Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling van de rechter (de partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter uit hoofde van haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, totdat het tegendeel komt vast te staan.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (de partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van (on)partijdigheid en de overtuiging van de verzoeker relevant, en is doorslaggevend of de twijfel over de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is (zie de uitspraak van het EHRM van 15 februari 2007, NJ 2007, 536).

De namens verzoeker aangedragen grond ziet op partijdigheid in objectieve zin.

Uit de dossiers van de procedures van verzoeker bij de vreemdelingenkamer, welke door de vreemdelingenkamer ter beschikking van de wrakingskamer zijn gesteld, is de wrakingskamer gebleken dat de beslissing tot doorzending van het vervolgberoep naar de Afdeling is genomen in de fase dat de zaak nog niet aan een rechter was toebedeeld. Deze beslissing is, zoals ook uit de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek naar voren komt, niet door haar genomen; eerst bij de voorbereiding van het op 6 december 2010 ingestelde beroep heeft zij kennis van deze beslissing gekregen.

De wrakingskamer is - met verzoeker - van oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot doorzending van het beroepschrift van 8 november 2010 is overgegaan. Verzoeker heeft met juistheid gesteld dat de in dit beroepschrift vervatte gronden, gericht tegen het voortduren van de bewaring, door de rechtbank (hadden) dienen te worden behandeld. Hierin kan evenwel geen grond voor wraking van de rechter zijn gelegen. Het betreft hier immers allereerst een procedurele beslissing, die in beginsel niet ter beoordeling van de wrakingskamer staat, en daarnaast betreft het ook een beslissing die niet door de gewraakte rechter is genomen en die haar niet kan worden toegerekend.

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat de rechter heeft geweigerd om op zijn, hierboven vermelde, primaire grond in te gaan, heeft de rechter in haar reactie vermeld, dat zij de gemachtigde van verzoeker bij de behandeling van het beroep ter zitting op 20 december 2010 na enige tijd heeft gevraagd verder te gaan met de gronden van het beroep van 6 december 2010, waarop gemachtigde stelde dat zij weigerde op de zaak in te gaan. Daarop heeft de rechter, aldus haar reactie, geantwoord dat hij het punt nu had gemaakt en dat zij er niet meer op in wilde gaan. Deze bewoordingen zijn ook opgenomen in de aantekeningen van de griffier, waarvan een handgeschreven afschrift is overgelegd aan de wrakingskamer en aan verzoeker.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit deze bewoordingen niet blijkt van een weigering van de rechter om op de betreffende grond in te gaan. Voorts blijkt niet dat de rechter heeft aangegeven te weigeren om in haar uitspraak deze grond te beoordelen en deze mee te laten wegen in haar beslissing. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de rechter aldus niet van partijdigheid blijkgegeven. Of en zo ja op welke wijze de rechter deze grond mee zal laten wegen in haar uitspraak is nog niet bekend. Het betreft hier echter een rechterlijke beslissing. Het bepalen van de omvang van het geding behoort tot de taak en bevoegdheid van de rechter en brengt geen schijn van vooringenomenheid mee. Het enkele feit dat verzoeker het inhoudelijk niet eens is met mogelijkerwijs te verwachten beoordeling van zijn standpunt dienaangaande kan niet de rechtens relevante vrees van partijdigheid onderbouwen. Het is niet aan de wrakingskamer om de motivering van de beslissingen van de rechter inhoudelijk te toetsen. Deze omstandigheden kunnen niet tot wraking leiden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat naar het oordeel van de wrakingskamer niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bij de rechter ten aanzien van verzoeker.

Gelet op bovenstaande dient het verzoek tot wraking van de rechter te worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, R.E. Bakker en F.L.G. Geisel, rechters, bijgestaan door mr. E.G.F. van de Sande, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2011.

w.g. E. van de Sande w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.