Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1937

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
Awb 10/43769 VRONTN/CM
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, Terugkeerrichtlijn, 'verlengingsbesluit', relatie met belangenafweging in M120, belangenafwegingdatering afhankelijk van uitdraai M120, Kadzoev arrest en belangenafweging (artikel 15, vierde lid, Terugkeerrichtlijn)

Samenvatting:

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten het vijfde en zesde lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en nauwkeurig bepaalde normen over de maximale duur van de vreemdelingenbewaring, zodat deze artikelleden vanaf 25 december 2010 door eiser kunnen worden ingeroepen tegenover verweerder. Richtlijnconforme toepassing van artikel 59 van de Vw 2000 heeft tot gevolg dat een bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 maximaal 18 maanden rechtmatig kan voortduren, waarbij na zes maanden een afweging moet worden gemaakt of verlenging in het licht van artikel 15, zesde lid, Terugkeerrichtlijn gerechtvaardigd is.

Het ‘besluit inzake de verlenging van de bewaringstermijn’ is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op enig rechtsgevolg nu aan de aan eiser opgelegde bewaring geen termijn was gebonden en deze dus ook zonder verlengingsbeslissing was blijven voortduren. Het zogenoemde verlengingsbesluit is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Gezien het voorgaande behelst het zogenoemde verlengingsbesluit d.d. 15 december 2010 naar het oordeel van de rechtbank derhalve niets meer dan een kenbare verlengingsmededeling met een daarbij horende belangenafweging. Deze belangenafweging kan naarmate de inbewaringstelling voortduurt op enig moment worden bevestigd dan wel worden bijgesteld.

Voorts merkt de rechtbank op dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder tot deze beslissing en belangenafweging is gekomen middels de brief van 15 december 2010 alvorens de implementatietijd van de Terugkeerrichtlijn was verstreken.

Eerst op 15 december 2010 heeft verweerder middels het verlengingsbesluit een kenbare beslissing genomen om de bewaring, die op 12 november 2010 zes maanden duurde met 12 maanden te verlengen. Daarnaast heeft verweerder in de M120 op 27 december 2010 een belangenafweging gemaakt. Op 17 januari 2011 heeft verweerder ter zitting desgevraagd betoogd dat dit niet betekent dat op 12 november 2010 geen belangenafweging is gemaakt. Het systeem van DT&V is echter zo dat wanneer een M120 wordt uitgedraaid naar aanleiding van een (vervolg)beroep, de datum van de belangenafweging wordt gesteld op de datum van de uitdraai. Nu namens eiser eerst op 23 december 2010 een vervolgberoep is ingesteld, is de belangenafweging op 27 december 2010 gesteld. Verweerder heeft toegezegd er op toe te zien dat dit systeem bij DT&V wordt gewijzigd. Verweerder heeft voorts aangegeven dat op 15 december 2010 het zogenoemde verlengingsbesluit is uitgegaan teneinde op tijd te voldoen aan de Terugkeerrichtlijn. Hoewel de rechtbank met eiser van oordeel is dat verweerder zorgvuldiger had kunnen handelen, is de rechtbank niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, nu de belangenafwegingen d.d. 15 december 2010, 27 december 2010 en 13 januari 2011 dezelfde inhoud dan wel strekking hebben en verweerder heeft aangegeven dat deze belangenafwegingen niet afwijken van de (niet-kenbaar gemaakte) belangenafweging op 12 november 2010.

Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 30 december 2010, Awb 10/43772, LJN: B0 9408. In de betreffende uitspraak is verwezen naar het arrest van 30 november 2009 (JV 2010/30) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof). De rechtbank onderschrijft de overweging dat de uitleg van artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn door het Hof een andere toetsingsmaatstaf inhoudt dan de tot nu toe volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling te hanteren toetsingsmaatstaf of zicht op uitzetting binnen een redelijke temrijn ontbreekt. Dit verschil richt zich naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, slechts op de zinsnede dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat wanneer het weinig waarschijnlijk lijkt dat de betrokkene gezien de termijnen in een derde land wordt opgevangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 10/43769 VRONTN/CM

uitspraak van de enkelvoudige kamer

op het beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

Naam,

geboren op (…),

van Iraakse nationaliteit,

alias (…),

thans verblijvende in detentiecentrum te Zeist,

justitienummer: (…),

eiser,

gemachtigde: mr. T.H. Meeuwis, advocaat te Dronten;

tegen

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

voorheen de Minister van Justitie,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.A. Vonk, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

1. Procesverloop

Bij brief van 23 december 2010 is beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Het beroep strekt mede tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 januari 2011. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden, teneinde verweerder gelegenheid te geven om het zogenoemde verlengingsbesluit ten aanzien van eiser aan de rechtbank en de gemachtigde van eiser te versturen, nu dit document niet in het dossier zat. Verweerder heeft dit document op 4 januari 2011 aan de gemachtigde van eiser en aan de rechtbank doen toekomen. Nadat de gemachtigde van eiser hierop op 6 januari 2011 heeft gereageerd, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 januari 2011 gesloten.

Op 10 januari 2011 is het onderzoek heropend, aangezien het onderzoek niet volledig is geweest. Op 17 januari 2011 is het beroep opnieuw ter zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.H.C. de Vries.

2. Standpunten

Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Hiertoe heeft eiser

-samengevat weergegeven- het volgende aangevoerd.

Aan eiser is op 15 december 2010 een ‘besluit inzake de verlenging van de bewaringstermijn (verlengingsbesluit) uitgereikt. Nu deze brief volgens eiser dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vraagt eiser zich af of de regievoerder bevoegd was tot het nemen van dit verlengingsbesluit. Ook is het voor eiser onduidelijk hoe dit verlengingsbesluit zich verhoudt tot de belangenafweging die verweerder op 27 december 2010 in deze bewaringszaak heeft gemaakt. Eiser merkt op dat tegen het besluit van 15 december 2010 op grond van artikel 75, aanhef en onder a, Vw 2000 rechtstreeks beroep open staat bij de rechtbank.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het verlengingsbesluit prematuur is genomen en derhalve een wettelijke basis ontbeert: krachtens artikel 20 van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) dient de implementatie van deze richtlijn in nationale wetgeving op 24 december 2010 te zijn geschied. Deze richtlijn bevat geen overgangsbepalingen en heeft geen terugwerkende kracht.

Indien en voor zover kan worden aangenomen dat het verlengingsbesluit niet prematuur is genomen, dient nagegaan te worden of de Terugkeerrichtlijn in acht is genomen. Eiser verwijst naar artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 3 januari 2011, Awb 10/43410, waarin is geoordeeld dat voor een verlenging van de op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn gestelde maximale bewaringstermijn van zes maanden met ingang van 24 december 2010 nationale wetgeving vereist is en deze hierin niet voorziet, zodat de voortduring van de bewaring met ingang van 24 december 2010 onrechtmatig is geworden. Eiser stelt dat eensluidend in zijn zaak moet worden geoordeeld.

Ten aanzien van de door verweerder gemaakte belangenafweging d.d. 27 december 2010 bij het voortduren van de bewaringsmaatregel na zes maanden stelt eiser dat de genomen voorbereidingen door verweerder ten aanzien van zijn verwijdering niet voldoende zijn. Hierbij komt dat verweerder zich kennelijk geheel afhankelijk van de medewerking van eiser opstelt.

Voorts stelt eiser dat verweerder geen beperking in de duur van de verlenging van de bewaring van eiser heeft medegedeeld. Eiser verwijst hiertoe naar punt 13 en 16 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn, waarin kort weergegeven, evenredigheid tussen doel en middel moet zijn geboden inzake bewaring van onderdanen van derde landen die illegaal in een lidstaat verblijven. Met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 30 december 2010, Awb 10/43772, LJN: BO 9408, is eiser van mening dat artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn een andere toetsingsnorm inhoudt dan de tot nu toe volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) te hanteren toetsingsnorm inzake de vraag of zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser duidt met name op rechtsoverweging 2.4.2. van deze uitspraak: ‘Ook als zicht op uitzetting van een vreemdeling binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, kan het onder omstandigheden immers weinig waarschijnlijk lijken dat een vreemdeling, gezien de in artikel 15, vijfde en zesde lid van de Terugkeerrichtlijn voorziene termijnen, kan worden uitgezet.’ De rechtbank heeft voorts in deze uitspraak geoordeeld dat voortduring van de betreffende maatregel niet gerechtvaardigd was en dat daarmee het beroep tegen het voortduren van de maatregel gegrond was. Volgens eiser doet eenzelfde situatie zich in onderhavige zaak voor.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3. Overwegingen

Op 11 mei 2010 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 31 mei 2010 heeft de rechtbank een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat ter beoordeling of het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is.

Namens eiser is ter zitting op 17 januari 2011 gesteld dat de zogenoemde M120 die verweerder na de heropening van het vervolgberoep op 13 januari 2011 heeft toegezonden niet als processtuk kan dienen, nu de rechtbank in de beslissing tot heropening specifiek heeft aangegeven waarvan zij wenst kennis te nemen. De zogenoemde M120 valt niet onder die onderwerpen.

De rechtbank kan deze stelling niet volgen, nu zij in het dictum van de beslissing tot heropening heeft bepaald dat het beroep wederom ter zitting zal worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert deze zinsnede dat in het onderhavige onderzoek ter zitting in principe diverse geschilpunten en stukken die partijen wensen naar voren te brengen kunnen worden behandeld. Voorts acht de rechtbank het niet in strijd met de goede procesorde om de betreffende M120 in het onderzoek te betrekken, temeer daar gemachtigde van eiser hier inhoudelijk op heeft kunnen reageren.

Aan eiser is op 15 december 2010 het zogenoemde verlengingsbesluit uitgereikt. Hierin staat onder meer vermeld dat deze beschikking betrekking heeft op de verlenging van de bewaringsmaatregel van eiser. Gelet op het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn ziet verweerder aanleiding om de termijn van bewaring met 12 maanden te verlengen, ingaande op 12 november 2010. Voorts is in het verlengingsbesluit nader gemotiveerd op welke gronden verweerder toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid om de maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 te verlengen.

De rechtbank stelt vast dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is bij het bepalen of (het voortduren van) de inbewaringstelling rechtmatig is. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van voornoemde richtlijn dient deze Terugkeerrichtlijn uiterlijk 24 december 2010 te zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Nu de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de Nederlandse nationale wetgeving is geïmplementeerd, komt aan de Terugkeerrichtlijn per

25 december 2010 directe werking toe voor zover bepalingen daaruit onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld en een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijf in Nederland, hier een beroep op doet. De toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn in onderhavige zaak is overigens door verweerder niet weersproken.

In artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is het volgende bepaald.

Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de bewaring niet langer gerechtvaardigd is en de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten wordt, indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen.

Volgens het vijfde lid van dit artikel wordt de bewaring gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

Volgens het zesde lid van dit artikel kunnen de lidstaten de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten het vijfde en zesde lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en nauwkeurig bepaalde normen over de maximale duur (van zes of achttien maanden) van de vreemdelingenbewaring, zodat deze artikelleden vanaf 25 december 2010 door eiser kunnen worden ingeroepen tegenover verweerder.

Nu de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd, dient artikel 59 van de Vw 2000 vanaf 25 december 2010 conform deze richtlijn te worden uitgelegd en toegepast. Artikel 59 van de Vw 2000 stelt geen maximale duur aan de bewaring. Wel dienen er op grond van dat artikel steeds een beoordeling en een belangenafweging plaats te vinden die leiden tot de beslissing of de bewaring rechtmatig kan voortduren dan wel dient te worden opgeheven. Door de directe werking van de Terugkeerrichtlijn wordt, gezien het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid van deze richtlijn een maximale duur aan de bewaring gesteld. Richtlijnconforme toepassing van artikel 59 van de Vw 2000 heeft tot gevolg dat een bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 maximaal 18 maanden rechtmatig kan voortduren, waarbij na zes maanden een afweging moet worden gemaakt of verlenging in het licht van artikel 15, zesde lid, Terugkeerrichtlijn gerechtvaardigd is.

Het ‘besluit inzake de verlenging van de bewaringstermijn’ is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op enig rechtsgevolg nu aan de aan eiser opgelegde bewaring geen termijn was gebonden en deze dus ook zonder verlengingsbeslissing was blijven voortduren. Het zogenoemde verlengingsbesluit is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hierbij merkt de rechtbank op dat artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn verweerder niet verplicht een beslissing om de bewaring na zes maanden te laten voortduren neer te leggen in een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit.

Anders dan eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat de rechtsmiddelverwijzing onder de brief van 15 december 2010 van verweerder onjuist is. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000. Uit die bepaling kan worden afgeleid dat een maatregel tot vrijheidsontneming volgens de wetgever geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Als een dergelijke maatregel wel een besluit zou zijn, zou artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000 zinledig zijn voor zover betrekking hebbend op maatregelen tot vrijheidsontneming. In de Vw 2000 ontbreekt vooralsnog een bepaling die brieven als die van 15 december 2010 voor de toepassing van de Awb gelijkstelt met een besluit. Een beroepsrecht inzake het verlengingsbesluit is ook niet noodzakelijk om het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn te waarborgen, omdat eiser op ieder door hem gewenst moment op de voet van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000 beroep kan instellen tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring, zoals eiser op 23 december 2010 heeft gedaan.

Gezien het voorgaande behelst de brief van 15 december 2010 naar het oordeel van de rechtbank derhalve niets meer dan een kenbare verlengingsmededeling met een daarbij horende belangenafweging. Deze belangenafweging kan naarmate de inbewaringstelling voortduurt op enig moment worden bevestigd dan wel worden bijgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank behoudt de jurisprudentie omtrent de belangenafweging haar gelding onder de Terugkeerrichtlijn, nu zij overeenkomt met hetgeen is verwoord in punt 13 en 16 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn, waarin het belang van evenredigheid tussen doel (verwijdering) en middel (vreemdelingenbewaring) wordt benadrukt. Voorts merkt de rechtbank op dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder tot deze beslissing en belangenafweging is gekomen middels de brief van 15 december 2010 alvorens de implementatietijd van de Terugkeerrichtlijn was verstreken.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. Op 12 november 2010 duurde de vreemdelingenbewaring van eiser zes maanden, terwijl de termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn toen nog niet was verstreken. Van strijd van de voortduring van de bewaring van eiser met de Terugkeerrichtlijn kan in de periode van 31 mei 2010 tot en met 24 december 2010 dan ook geen sprake zijn.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het voortduren van bewaring in de periode van 31 mei 2010 tot en met 24 december 2010 overweegt de rechtbank als volgt.

Eerst op 15 december 2010 heeft verweerder middels het verlengingsbesluit een kenbare beslissing genomen om de bewaring, die op 12 november 2010 zes maanden duurde met 12 maanden te verlengen. Daarnaast heeft verweerder in de M120 op 27 december 2010 een belangenafweging gemaakt. Op 17 januari 2011 heeft verweerder ter zitting desgevraagd betoogd dat dit niet betekent dat op 12 november 2010 geen belangenafweging is gemaakt. Het systeem van DT&V is echter zo dat wanneer een M120 wordt uitgedraaid naar aanleiding van een (vervolg)beroep, de datum van de belangenafweging wordt gesteld op de datum van de uitdraai. Nu namens eiser eerst op 23 december 2010 een vervolgberoep is ingesteld, is de belangenafweging op 27 december 2010 gesteld. Verweerder heeft toegezegd er op toe te zien dat dit systeem bij DT&V wordt gewijzigd. Verweerder heeft voorts aangegeven dat op 15 december 2010 het zogenoemde verlengingsbesluit is uitgegaan teneinde op tijd te voldoen aan de Terugkeerrichtlijn.

Hoewel de rechtbank met eiser van oordeel is dat verweerder zorgvuldiger had kunnen handelen, is de rechtbank niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, nu de belangenafwegingen d.d. 15 december 2010, 27 december 2010 en 13 januari 2011 dezelfde inhoud dan wel strekking hebben en verweerder heeft aangegeven dat deze belangenafwegingen niet afwijken van de (niet-kenbaar gemaakte) belangenafweging op 12 november 2010.

Ten aanzien van de gemaakte belangenafwegingen door verweerder overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel de Vw 2000 geen maximum aan de duur van de bewaring stelt, betekent volgens vaste jurisprudentie en ook volgens het beleid van verweerder dit evenwel niet dat de bewaring onbeperkt zou mogen voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter. In de jurisprudentie wordt er van uitgegaan dat na zes maanden of langer het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de bewaring voort te zetten. Onder omstandigheden kan die termijn evenwel langer dan wel korter zijn. De termijn van zes maanden kan onder meer worden overschreden indien het belang van verweerder aanmerkelijk groter is dan in het algemeen het geval is. De rechtbank is van oordeel dat de voortduring van de bewaring bij afweging van alle betrokken belangen in dit geval in de genoemde periode nog gerechtvaardigd was. Het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring dient zwaarder te wegen dan het belang van eiser bij invrijheidstelling. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat de nodige documenten ter verwijdering van eiser uit het land van herkomst op zich laten wachten. Voorts kan eiser worden tegengeworpen dat hij het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit frustreert, aangezien hij geen enkele poging heeft gedaan om documenten aan te leveren ter vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit. Ook heeft eiser geweigerd het aanvraagformulier voor een laissez-passer in te vullen en te ondertekenen. Voorts is in deze periode niet gebleken dat zicht op verwijdering ontbreekt. Volgens bestendige jurisprudentie dient de vertraging ten aanzien van voorgenomen verwijdering van eiser die hierdoor ontstaat voor rekening en risico van eiser te komen. Tevens heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat met eiser regelmatig vertrekgesprekken zijn gehouden, laatstelijk op 6 december 2010.

Voorts overweegt de rechtbank, nu eiser een beroep op de Terugkeerrichtlijn heeft gedaan, het voortduren van de bewaring vanaf 25 december 2010 conform artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn dient te worden getoetst.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de belangenafweging neergelegd in de brief van 15 december 2010 en de recentere belangenafwegingen van respectievelijk 27 december 2010 en 13 januari 2011 die zien op het feit dat eiser frustreert, kunnen worden geschaard onder de eerste voorwaarde genoemd in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Hetgeen is tegengeworpen inzake de omstandigheid dat er een onderzoek loopt bij de Iraakse vertegenwoordiging kan worden geschaard onder de tweede voorwaarde, genoemd in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank acht deze uitleg niet onjuist en is van oordeel dat verweerder in redelijkheid kon besluiten dat de verlengde bewaring kon voortduren.

Voor zover eiser, met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 30 december 2010, Awb 10/43772, LJN: B0 9408, stelt dat artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn een andere toetsingsnorm inhoudt dan de tot nu toe volgens vaste Afdelingsjurisprudentie te hanteren toetsingsnorm of zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat derhalve opheffing van de bewaring geboden zou zijn, overweegt de rechtbank als volgt.

In de betreffende uitspraak is verwezen naar het arrest van 30 november 2009 (JV 2010/30) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat alleen wanneer er een werkelijk vooruitzicht is dat de verwijdering kan slagen rekening houdend met de in artikel 15, leden 5 en 6 voorziene termijnen, sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering en dat dit laatste vooruitzicht niet bestaat wanneer het weinig waarschijnlijk lijkt dat de betrokkene gezien deze termijnen in een derde land wordt opgevangen.

De rechtbank onderschrijft de overweging dat de uitleg van artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn door het Hof een andere toetsingsmaatstaf inhoudt dan de tot nu toe volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling te hanteren toetsingsmaatstaf of zicht op uitzetting binnen een redelijke temrijn ontbreekt. Dit verschil richt zich naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, slechts op de zinsnede dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat wanneer het weinig waarschijnlijk lijkt dat de betrokkene gezien de termijnen in een derde land wordt opgevangen.

In aanmerking genomen dat de in artikel 15, zesde lid, aanhef, onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn genoemde situaties aan de orde zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de beroepsgrond dat voortduring van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn slaagt, nu eiser niet heeft onderbouwd waarom de verwijdering binnen 12 maanden op voorhand reeds weinig waarschijnlijk is.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat er op 6 januari 2011 nog een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij de (voorbereiding van de) verwijdering van eiser en dat er tevens een redelijk vooruitzicht is op verwijdering.

Bij afweging van alle betrokken belangen is het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd.

Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.T. de Gooijer-Janse, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: