Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1863

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/6964
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat in de provincie Ghazni in Afghanistan geen sprake is van de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde uitzonderlijke situatie, gelet op het bericht van Human Rights Watch (HRW) van 26 juli 2010 over de uitgelekte documenten over Afghanistan op de site van Wikileaks, niet kon volstaan met de enkele verwijzing naar het ambtsbericht van juli 2010. Volgens het bericht van HRW hebben de Verenigde Staten het aantal burgerslachtoffers niet juist gerapporteerd en zijn zij te langzaam met het corrigeren van die informatie, hetgeen is geïllustreerd aan de hand van een tweetal voorbeelden. De door eiser aan dit bericht verbonden conclusie, namelijk dat hierin aanleiding moet worden gevonden voor twijfel aan de juistheid van de in het ambtsbericht van juli 2010 opgenomen informatie over burgerslachtoffers, deelt de rechtbank niet. Immers, zoals volgt uit de Werkinstructie totstandkoming algemene ambtsberichten wordt bij de opstelling van algemene ambtsberichten gebruikgemaakt van verschillende bronnen, waaronder publicaties van de organisaties van de Verenigde Naties, Amnesty International en HRW. Naast deze uit openbare bronnen afkomstige informatie wordt in de ambtsberichten ook gebruik gemaakt van informatie die op vertrouwelijke basis is ingewonnen. Het uitgangspunt om bij de opstelling van een algemeen ambtsbericht gebruik te maken van verschillende bronnen, bedoeld om de risico’s die aan elke bron kleven te mitigeren, hetgeen de betrouwbaarheid van het algemene ambtsbericht ten goede komt, is ook gehanteerd in het ambtsbericht van juli 2010. Voorts blijkt uit de in paragraaf 2.6.3 van het ambtsbericht van juli 2010 opgenomen voetnoten dat ook de informatie over de aantallen burgerslachtoffers gebaseerd is op publicaties die afkomstig zijn van diverse bronnen, waaronder het door HRW in zijn bericht aangehaalde onderzoek van de Verenigde Naties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 10/6964

Datum uitspraak: 20 januari 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. M. Pals,

tegen

de Minister van Justitie,

thans de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 maart 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 22 februari 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij brief van

23 maart 2010 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend en deze bij brief van

17 september 2010 nader aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en op

23 september 2010 een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

30 september 2010. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak ter behandeling naar de meervoudige kamer verwezen.

Bij brieven van 5 en 11 november 2010 heeft eiser nadere gronden ingediend. Verweerder heeft op 10 november 2010 een aanvullend verweerschrift ingezonden.

De rechtbank heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 15 november 2010.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.P.G. van Bel.

Bij brief van 16 november 2010 is het onderzoek opnieuw heropend om verweerder de gelegenheid te bieden een reactie te geven op door eiser bij brief van 11 november 2010 toegezonden stukken. Bij brief van 24 november 2010 heeft verweerder de rechtbank zijn reactie toegezonden. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft eiser bij brief van

30 november 2010 een reactie op deze brief gegeven.

Beide partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder nieuwe behandeling van het beroep ter zitting, zoals bedoeld in artikel 8:57 van de Awb.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 22 december 2010 gesloten.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende relaas ten grondslag gelegd.

Eiser is op vijfjarige leeftijd met zijn ouders in Pakistan gaan wonen, maar weet niet waarom zij Afghanistan hebben verlaten, omdat zijn vader daar niet over wilde spreken. Zijn vader heeft verklaard dat zij in Pakistan moesten blijven totdat het in Afghanistan veilig zou zijn. Eiser heeft tien jaar in Pakistan gewoond. Eiser heeft na het overlijden van zijn vader en zijn twee broers, vanwege de slechte veiligheidssituatie en de wens om te kunnen studeren Pakistan verlaten. Daarnaast vreesde hij voor zijn leven vanwege zijn lidmaatschap van de Hazara Demokratik Parti.

In de zienswijze heeft eiser aangevoerd dat hij naar aanleiding van telefonisch contact met zijn moeder inmiddels op de hoogte is van de reden van het vertrek naar Pakistan. Hij heeft zijn relaas als volgt aangevuld.

Eiser vreest in Afghanistan voor de gevolgen van eerwraak. Zijn opa was het hoofd van de streek Ghazni. Na de machtsovername door de Taliban is besloten niet alle wapens aan hen af te geven. Onder druk van martelingen en doodsbedreigingen door de Taliban heeft eisers opa namen doorgegeven van personen die betrokken zijn geweest bij deze beslissing. Hierdoor zijn deze personen door de Taliban opgepakt. Sindsdien staat eisers familie bekend als verraders, hetgeen ook aanleiding is geweest voor de moord op zijn vader.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en daaraan, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

Eiser heeft toerekenbaar geen documenten overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Daarom is het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op eiser van toepassing.

De in het nader gehoor aangevoerde verklaringen voor het vertrek uit Afghanistan zijn ontoereikend voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Aan hetgeen eiser in aanvulling daarop in de zienswijze heeft aangevoerd hecht verweerder niet de waarde die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Ook aan de in de zienswijze gestelde vrees om bij terugkeer naar Afghanistan het slachtoffer te worden van seksueel misbruik dan wel gedwongen rekrutering door de Taliban gaat verweerder voorbij, nu eiser nimmer blijk heeft gegeven van deze vrees.

Volgens verweerder kan eiser voorts aan artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Definitierichtlijn) geen aanspraak op bescherming ontlenen, noch komt hij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Gelet op de door eiser in Pakistan verrichte werkzaamheden en de aanwezigheid aldaar van adequate opvang komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. In het navolgende zal op zijn beroepsgronden worden ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

8. Niet in geschil is dat eiser het door hem tijdens zijn reis vanuit Griekenland naar Frankrijk gebruikte reisdocument in Frankrijk heeft weggegooid. In geschil is of het ontbreken van dit document hem is toe te rekenen.

9. Volgens het door verweerder gevoerde, en in paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde, beleid behoort een vreemdeling zijn documenten zorgvuldig te bewaren en brengt het wegmaken van documenten in beginsel met zich dat dit toerekenbaar is. Verweerder heeft met toepassing van dit beleid de gevolgen van het weggooien van bedoeld document voor eisers rekening en risico mogen laten komen. Dat eiser op advies van anderen zijn reisdocument heeft weggemaakt om terugzending naar Griekenland te voorkomen heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Eiser heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid. In de omstandigheid dat eiser minderjarig is heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien voor een andere conclusie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van

29 december 2008 (JV 2009, 96).

10. Reeds hierom heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 bij de beoordeling van eisers aanvraag mogen betrekken. Hetgeen overigens in dit verband door partijen is aangevoerd behoeft, gelet hierop, geen bespreking.

11. Als zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, moet volgens paragraaf C14/3.4 van de Vc 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, van het asielrelaas, om het geloofwaardig te achten, een positieve overtuigingskracht uitgaan.

12. In het besluit van 25 januari 2010 heeft verweerder overwogen dat aan hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangevoerd niet de waarde kan worden gehecht die eiser hieraan gehecht wil zien. Daartoe is redengevend dat merkwaardig is dat eiser eerst nu in de procedure, nadat er een voornemen tot afwijzing van zijn asielaanvraag kenbaar is gemaakt, van zijn moeder zou hebben vernomen wat de reden van het vertrek naar Pakistan is geweest.

13. In beroep heeft eiser betwist dat het merkwaardig is dat hij eerst na kennisname van het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag heeft vernomen waarom hij op vijfjarige leeftijd met zijn familie Afghanistan heeft moeten verlaten. Daartoe voert hij aan dat, zoals in het nader gehoor is uiteengezet, zijn vader daarover niet wenste te praten en eiser het daarbij heeft gelaten.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen toereikende verklaring gegeven waarom hij zijn moeder niet eerder dan na kennisname van het voornemen heeft gevraagd naar de redenen van de verhuizing naar Pakistan. Dat zijn vader daarover niet wilde praten heeft verweerder ontoereikend kunnen achten, nu zijn vader reeds in 2007 is overleden. Verweerder heeft dan ook bevreemdend en ongerijmd kunnen achten dat eiser eerst nadat het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag aan hem kenbaar is gemaakt, deze informatie naar voren heeft gebracht. Gelet op het hiervoor onder 11 weergegeven beoordelingskader biedt hetgeen eiser daartegen in beroep heeft aangevoerd, onder 13 weergegeven, dan ook onvoldoende grond voor het oordeel dat het in het besluit van 25 januari 2010 besloten liggende standpunt – namelijk dat het in de zienswijze naar voren gebrachte relaas positieve overtuigingskracht mist – de toetsing in rechte niet kan doorstaan. Nu eiser voorts het standpunt van verweerder dat de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaringen onvoldoende zwaarwegend zijn om een verblijfsvergunning te verlenen op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 niet gemotiveerd heeft betwist, heeft verweerder in de verklaringen van eiser terecht geen aanleiding gezien voor vergunningverlening.

15. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het in de zienswijze naar voren gebrachte, en onderbouwde, betoog dat hij als jongere bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor rekrutering door de Taliban, seksueel misbruik en dwangarbeid. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

16. In het besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet eerder dan in de zienswijze blijk heeft gegeven van zijn vrees bij terugkeer voor rekrutering door de Taliban dan wel voor seksueel misbruik. Het is dan ook onduidelijk, aldus verweerder, waarop deze vrees is gebaseerd.

17. Volgens het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 30 oktober 1991, in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN AD1522) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke individuele kenmerken (“special distinguishing features”), waaruit een verhoogd risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid (“mere possibility”) van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN BF0248) zijn evenbedoelde specifieke individuele kenmerken evenwel niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (LJN AZ5971).

18. Eiser heeft in de zienswijze, onder verwijzing naar het rapport ‘UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Afghanistan’ van de United Nations High Commissioner for Refugees van juli 2009 (hierna: de Eligibility Guidelines) en het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: het ambtsbericht) van maart 2009, aangevoerd dat hij als minderjarige bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor rekrutering door de Taliban en seksueel misbruik.

19. De rechtbank verstaat voormeld betoog van eiser in de zienswijze aldus dat hij, los van zijn individuele relaas, als jongere bij terugkeer naar Afghanistan het reële risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In dat licht bezien heeft verweerder met zijn hiervoor onder 16 weergegeven standpunt niet onderkend dat eiser een beroep heeft gedaan op de risico’s voor jongeren in Afghanistan in het algemeen en eiser dus niet gehouden was in een eerder stadium over de daaraan te ontlenen vrees te verklaren. In aanmerking genomen de hiervoor genoemde rechtspraak heeft verweerder zich in zijn besluitvorming ten onrechte niet uitgelaten over de vraag of jongeren in Afghanistan dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen en of eiser reeds vanwege het behoren tot deze groep aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Aldus heeft verweerder zijn besluit niet toereikend gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

20. In beroep heeft eiser, onder verwijzing naar het ambtsbericht van juli 2010 en een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 11 november 2010, gewezen op de positie van Hazara’s in de provincie Ghazni en betoogd dat hij wegens zijn Hazara-afkomst een verhoogd risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, zodat aannemelijk is dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan.

21. Het ambtsbericht van juli 2010 vermeldt in paragraaf 3.4.2 dat de situatie van Hazara’s, gelet op het door hen geleverde aandeel in de overwinning op de Taliban, is verbeterd en dat Hazara’s thans geen bijzondere risico’s in Afghanistan lopen op basis van etniciteit. Dat discriminerende incidenten kunnen voorkomen, vooral in gebieden waar zij een minderheid vormen, zij nog steeds geïntimideerd kunnen worden door krijgsheren van een andere etniciteit en in de provincies Ghazni schermutselingen hebben plaatsgevonden tussen Hazara’s en Kuchi’s, waarbij dodelijke slachtoffers vielen, brengt niet met zich dat het ambtsbericht van juli 2010 grond biedt voor het oordeel dat de Hazara’s in Afghanistan dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij reeds vanwege het behoren tot deze groep bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Voormelde brief van VluchtelingenWerk Nederland brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond faalt.

22. Ten aanzien van het beroep van eiser op subsidiaire bescherming ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn overweegt de rechtbank het volgende.

23. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, en artikel 18, van de Definitierichtlijn, verlenen de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of een staatloze ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade die bestaat uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

24. Volgens eiser is verweerder ten onrechte niet ingegaan op zijn betoog in de zienswijze dat de door hem aangedragen persoonlijke kenmerken, waaronder zijn minderjarigheid en zijn Hazara-afkomst, bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn betrokken moeten worden en dat voornoemde bepaling, in aanmerking genomen de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem van 28 juli 2009 (LJN BJ4189) en van 15 oktober 2009 (LJN BK0568), een ruimere dan de door verweerder daaraan toegekende betekenis heeft.

25. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2010 (JV 2010, 244) beoogt artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009, C-465/07, Elgafaji (JV 2009, 111), uitsluitend bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat elke burger louter door zijn aanwezigheid in het desbetreffende land of gebied een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde ernstige schade. Individuele risicofactoren, zoals etnische afkomst, missen in dat kader betekenis. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Verweerder is dus terecht, onder verwijzing naar het voornemen, voorbijgegaan aan eisers betoog dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een verderstrekkende dan de door verweerder voorgestane betekenis heeft. Van een motiveringsgebrek is geen sprake. De beroepsgrond faalt.

26. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat in Afghanistan en de provincie Ghazni geen sprake is van de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn bedoelde uitzonderlijke situatie niet kan volstaan met de enkele verwijzing naar het ambtsbericht van juli 2010. Hiertoe heeft eiser betoogd dat op basis van het ingeroepen bericht van Human Rights Watch van

26 juli 2010 over de uitgelekte documenten over Afghanistan op de site van Wikileaks (www.wikileaks.org) kan worden aangenomen dat het aantal burgerslachtoffers in Afghanistan hoger is geweest dan altijd werd verondersteld en dat de minister van Buitenlandse Zaken bij het opstellen van het ambtsbericht van juli 2010 niet is uitgegaan van de juiste aantallen burgerslachtoffers. In dat verband heeft eiser gewezen op uitspraken van de rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van

27 augustus 2010 (LJN BN5485), nevenzittingsplaats Utrecht van 6 oktober 2010 (LJN BO0370) en van 6 oktober 2010 (LJN BO0354) en nevenzittingsplaats Amsterdam van 13 oktober 2010 (LJN BO 2033) en 19 oktober 2009 (AWB 10/32235).

27. In het bericht van Human Rights Watch staat over de Wikileaks-documenten, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“US and NATO forces should immediately agree to investigate any previously undisclosed civilian casualty incidents in Afghanistan revealed in US military documents leaked to the media on July 25, 2010, Human Rights Watch said today. Initial media reports suggest that the roughly 90,000 leaked documents contain incidents of civilian deaths and injuries during combat operations that previously were not publicly acknowledged by US or NATO forces. Human Rights Watch’s preliminary analysis of the data in incidents the organization previously investigated indicates that the US underreported civilian casualties by US and NATO forces because of incorrect information in after-action reports, and was very slow to correct the information.”

28. In reactie hierop heeft verweerder zich in het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift op het standpunt gesteld zich niet te kunnen verenigen met de conclusie dat, op grond van dit bericht, getwijfeld dient te worden aan de juistheid van het ambtsbericht van juli 2010.

29. In de door het Ministerie van Buitenlandse Zaken opgestelde Werkinstructie totstandkoming algemene ambtsberichten zijn kwaliteitsnormen voor een algemeen ambtsbericht en de selectiecriteria van bronnen opgenomen. Deze werkinstructie vermeldt, voor zover thans van belang, het volgende:

“Een algemeen ambtsbericht is gebaseerd op informatie van openbare en vertrouwelijke bronnen. Bij de opstelling wordt gebruik gemaakt van informatie van verschillende organisaties van de Verenigde Naties, (niet-)gouvernementele organisaties, vakliteratuur en berichtgeving in de media. Ook liggen bevindingen ter plaatse en vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse vertegenwoordigingen in de regio aan het algemeen ambtsbericht ten grondslag. In het algemeen ambtsbericht wordt veelvuldig verwezen naar geraadpleegde bronnen. Daar waar openbare bronnen zijn vermeld, wordt de tekst in veel gevallen ook ondersteund door informatie die op vertrouwelijke basis is ingewonnen. Een overzicht van de geraadpleegde openbare bronnen is opgenomen in de literatuurlijst. Voor elk ambtsbericht worden in ieder geval de publicaties van gerenommeerde organisaties zoals Amnesty International, Human Rights Watch en International Crisis Group, evenals van de organisaties van de VN (waaronder rapporten van de Secretaris-generaal van de VN, UNHCR en UNICEF) geraadpleegd.

De bronnen die worden gebruikt bij het opstellen van een algemeen ambtsbericht moeten uiteraard zo betrouwbaar mogelijk zijn. Het toetsen van betrouwbaarheid is echter geen exacte wetenschap. Derhalve wordt in een algemeen ambtsbericht gebruik gemaakt van zoveel mogelijk relevante bronnen, om de informatie uit de verschillende bronnen wederzijds te kunnen toetsen.

Bij de selectie van bronnen voor een algemeen ambtsbericht dienen de beschikbare bronnen te worden getoetst op betrouwbaarheid. De bronnen in een algemeen ambtsbericht moeten voldoen aan een drietal uitgangspunten:

1. Goed geïnformeerd

2. Onafhankelijk

3. Divers

(...)

Uit het bovenstaande blijkt dat het belangrijk is voor een algemeen ambtsbericht zoveel mogelijk verschillende bronnen te gebruiken, zodat de risico’s die aan elke bron kleven worden gemitigeerd.”

30. In het ambtsbericht van juli 2010 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: “Dit ambtsbericht is gebaseerd op informatie van openbare en vertrouwelijke bronnen. Bij de opstelling is gebruik gemaakt van informatie van verschillende organisaties van de Verenigde Naties, niet-gouvernementele organisaties, vakliteratuur en berichtgeving in de media. (...) Bovendien liggen bevindingen ter plaatse en vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse vertegenwoordiging in Afghanistan aan dit algemeen ambtsbericht ten grondslag.”

31. Volgens het bericht van Human Rights Watch hebben de Verenigde Staten het aantal burgerslachtoffers niet juist gerapporteerd en zijn zij te langzaam met het corrigeren van die informatie. Human Rights Watch heeft deze conclusie geïllustreerd aan de hand van een tweetal voorbeelden – de bombardementen op Azizabad in augustus 2008 en op Balu Balak in mei 2009 – waarin onderzoek van de Verenigde Naties uitwees dat het dodental ten gevolge van deze luchtaanvallen hoger was dan de Verenigde Staten met hun berichtgeving deden voorkomen. De door eiser aan dit bericht verbonden conclusie, namelijk dat hierin aanleiding moet worden gevonden voor twijfel aan de juistheid van de in het ambtsbericht van juli 2010 opgenomen informatie over burgerslachtoffers, deelt de rechtbank niet. Immers, zoals volgt uit de Werkinstructie totstandkoming algemene ambtsberichten wordt bij de opstelling van algemene ambtsberichten gebruikgemaakt van verschillende bronnen, waaronder publicaties van de organisaties van de Verenigde Naties, Amnesty International en Human Rights Watch. Naast deze uit openbare bronnen afkomstige informatie wordt in de ambtsberichten ook gebruik gemaakt van informatie die op vertrouwelijke basis is ingewonnen. Het uitgangspunt om bij de opstelling van een algemeen ambtsbericht gebruik te maken van verschillende bronnen, bedoeld om de risico’s die aan elke bron kleven te mitigeren, hetgeen de betrouwbaarheid van het algemene ambtsbericht ten goede komt, is blijkens de hiervoor onder 30 weergegeven passage ook gehanteerd in het ambtsbericht van juli 2010. Voorts blijkt uit de in paragraaf 2.6.3 van het ambtsbericht van juli 2010 opgenomen voetnoten dat ook de informatie over de aantallen burgerslachtoffers gebaseerd is op publicaties die afkomstig zijn van diverse bronnen, waaronder het door Human Rights Watch in zijn bericht aangehaalde onderzoek van de Verenigde Naties.

Aldus slaagt de beroepsgrond niet.

32. Eiser heeft verder in beroep aangevoerd dat het ambtsbericht van juli 2010 geen informatie bevat over de veiligheidssituatie per provincie, hoewel hierom door verweerder, gelet op de gelijktijdig met het ambtsbericht gepubliceerde ‘terms of reference’, uitdrukkelijk is verzocht. Op basis van dit ambtsbericht is verweerder dan ook niet in staat om gedegen te oordelen of in een bepaalde provincie sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, van 18 december 2009 (09/22658).

33. Met betrekking tot deze beroepsgrond, waarmee eiser – naar de rechtbank begrijpt – beoogt te betogen dat het ambtsbericht van juli 2010 onvolledig is, overweegt de rechtbank het volgende.

34. In de terms of reference voor het algemeen ambtsbericht over Afghanistan heeft verweerder het Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor zover thans van belang, het volgende gevraagd:

“Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de algemene (veiligheids-)situatie in de diverse provincies – graag voor zoveel mogelijk provincies en graag tot op het districtsniveau – van Afghanistan?

(…) Ik verzoek u een beschrijving te geven van de veiligheidssituatie in Afghanistan en daarbij zoveel mogelijk per gebied aan te geven hoe de situatie zich in de verslagperiode heeft ontwikkeld.

(…) Kunt u op basis van de criteria, genoemd in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 20 juli 2007 (LJN BB0917) en 3 april 2008 (LJN BC8681), aangeven of er al dan niet sprake is van een gewapend conflict? Kunt u hierbij aangeven of dit voor het gehele land geldt? Zo nee, kunt u dan aangeven in welke gebieden er sprake is van een gewapend conflict? Ik verzoek u bij de beschrijving aan te geven welke provincies precies onder de aanduiding “noorden”, “noordoosten” etc. verstaan dienen te worden. Ik verzoek u alle provincies te beschrijven en steeds te motiveren waarom er naar uw mening al of niet in een bepaalde regio/provincie sprake is van een gewapend conflict.”

35. In paragraaf 2.6.5 van dat ambtsbericht is uiteengezet dat de slechte veiligheidssituatie tot gevolg heeft dat weinig betrouwbare informatie uit het veld beschikbaar is. De veiligheidssituatie verandert bovendien te snel om een goed overzicht van gevaarlijke gebieden te geven en dat is in dit ambtsbericht dan ook niet geprobeerd. In deze paragraaf is er, aldus het ambtsbericht, om deze reden voor gekozen om in algemene termen de veiligheidssituatie in verschillende delen van Afghanistan te beschrijven.

Vervolgens is in deze paragraaf per gebied de veiligheidssituatie beschreven.

36. Nu de minister van Buitenlandse Zaken in het ambtsbericht heeft toegelicht waarom gekozen is om de veiligheidssituatie per gebied te beschrijven, en vervolgens bij die beschrijving de verschillende provincies, waaronder Ghazni, zijn genoemd, alsook het feit dat in andere paragrafen, bijvoorbeeld in paragraaf 2.3.2, is ingegaan op de veiligheidssituatie in Ghazni, is de enkele omstandigheid dat in het ambtsbericht van juli 2010 geen gedetailleerd overzicht is gegeven van de algemene veiligheidssituatie per provincie, onvoldoende om hierin een aanknopingspunt te zien om dat ambtsbericht onvolledig te achten.

37. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet heeft onderkend dat hij, indien hij moet terugkeren naar Afghanistan, en in het bijzonder de provincie Ghazni, waaruit hij oorspronkelijk afkomstig is, een reëel risico loopt op ernstige schade, als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Eiser heeft daartoe in de bestuurlijke fase betoogd dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd. In dit verband heeft hij verwezen naar:

- het algemeen ambtsbericht van 31 januari 2007;

- de eerdergenoemde Eligibility Guidelines;

- het Anso Quarterly Data Report van september 2009 van de Afghanistan NGO Safety Office (hierna: ANSO);

- updates van de ANSO van april, juli en oktober 2010;

- de brief van VluchtelingenWerk Nederland aan de Tweede Kamer van 24 juli 2009;

- de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 10 juli 2008 (08/22619).

Ter nadere onderbouwing van de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan heeft eiser in beroep de volgende stukken ingeroepen:

- het Country of Origin Information Report van het Britse Home Office van november 2009;

- het rapport van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 maart 2010;

- het UK Country Report van april 2010;

- het beleid van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in België van 18 februari 2010;

- Terms of reference voor algemeen ambtsbericht Afghanistan, van Bureau Land en Taal van verweerder, gedateerd 3 augustus 2009;

- het rapport ‘Afghanistan, meer ontheemden’ van het Internal Displacement Monitoring Centre van 15 april 2010;

- het rapport ‘Shaping the war in Afghanistan: the situation in the spring of 2010’ van het Center for Strategic International Studies van 29 april 2010;

- het rapport van de VN Veiligheidsraad van 16 juni 2010;

- het algemeen ambtsbericht van 21 juli 2010;

- voormeld bericht van Human Rights Watch;

- het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (FSH) van 11 augustus 2010;

- een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 11 november 2010;

- een aantal nieuwsberichten over de veiligheidssituatie in Ghazni.

38. Verweerder heeft zich in het voornemen van 23 december 2009, dat is ingelast in het besluit van 25 januari 2010, op het standpunt gesteld dat eiser aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen aanspraak op bescherming kan ontlenen. Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat op grond van informatie uit gezaghebbende en objectieve bronnen, waaronder het ambtsbericht van 15 april 2009 (naar de rechtbank begrijpt wordt gedoeld op het ambtsbericht van maart 2009), blijkt dat in Afghanistan geen sprake is van een zodanige mate van geweld dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Afghanistan aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt slachtoffer te worden van dat geweld. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM zal vorenbedoelde situatie zich slechts in een "most extreme case of general violence" voordoen en het EHRM heeft het bestaan van een dergelijke situatie nog nooit aangenomen. Omdat het aangevoerde in de zienswijze verweerder niet heeft geleid tot een andere conclusie wordt vastgehouden aan het gestelde in het voornemen.

In reactie op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, heeft verweerder zich in het verweerschrift van 23 september 2010, in zijn brief van 24 november 2010 en ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven, uit het ambtsbericht van juli 2010, en de overige door eiser ingeroepen stukken, blijkt dat de gewelddadigheden zich hebben uitgebreid van het zuiden en het oosten van Afghanistan naar provincies die voorheen als rustig bekend stonden, in zowel West-, Noord-, Noordoost- als Centraal-Afghanistan. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de aard en de intensiteit van het geweld in Afghanistan, of in bepaalde regio’s in Afghanistan, dusdanig is dat moet worden geconcludeerd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

39. Het EHRM heeft in het arrest van 20 juli 2010 in zaak nr. 23505/09, N. tegen Zweden (JV 2010/373) in rechtsoverweging 52 ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan het volgende overwogen: “Whilst being aware of the reports of serious human rights violations in Afghanistan, as set out above, the Court does not find them to be of such a nature as to show, on their own, that there would be a violation of the Convention if the applicant where to return to that country.”

40. Alhoewel uit de ambtsberichten van maart 2009 en juli 2010 en uit de overige onder 37 genoemde stukken, in samenhang bezien, blijkt dat conflicten in Afghanistan zich hebben verspreid naar voorheen stabiele gebieden in Afghanistan, en Ghazni in het bijzonder, een verslechtering van de algemene veiligheidssituatie en een toename van het aantal veiligheidsincidenten is te constateren, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld ten tijde voor eiser van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico liep op ernstige schade, als vorenbedoeld. Gelet op voormeld arrest van het EHRM van 20 juli 2010, en voorts in aanmerking genomen dat uit de hiervoor vermelde stukken niet blijkt dat sindsdien een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Ghazni heeft plaatsgevonden dat ten aanzien van de situatie in die provincie thans tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen, is er geen grond voor het oordeel om het hiervoor onder 38 weergegeven standpunt van verweerder ontoereikend gemotiveerd te achten.

41. Eiser heeft in beroep, voor zover thans van belang, aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Volgens eiser dient verweerder, gezien de verslechterde veiligheidssituatie, een categoriaal beschermingsbeleid te voeren voor asielzoekers afkomstig uit Afghanistan en dient verweerder dat zichtbaar te toetsen in het besluit. In dit verband heeft eiser gewezen op diverse rapporten, deels eerder genoemd onder 37, aangaande de slechte veiligheidssituatie in Afghanistan. Uit de brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gericht aan verweerder, van 19 maart 2009 volgt dat ook Zweden en Denemarken aanvullende humanitaire bescherming bieden.

42. Verweerder heeft in het besluit van 25 januari 2010 het standpunt ingenomen dat, hoewel de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd, geen categoriaal beschermingsbeleid behoeft te worden gevoerd voor asielzoekers afkomstig uit dat land. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de ons omringende landen, behoudens België, geen bijzonder beleid voeren ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Gezien de hoge mate van homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, wordt hieraan meer gewicht toegekend dan aan het gegeven dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan is verslechterd, aldus verweerder.

43. De rechtbank verstaat hetgeen onder 42 is weergegeven aldus dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de verslechterde veiligheidssituatie, maar dat het beleid van andere landen van de Europese Unie doorslaggevend is voor het standpunt van verweerder om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren.

Omdat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 april 2005 in zaak nr. 200500646/1, JV 2005, 210), niet is voorgeschreven welk relatief gewicht moet worden toegekend aan de indicatoren die in ieder geval worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, en in aanmerking genomen dat, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200900452/1, www.raadvanstate.nl), aan verweerder een ruime beoordelingsvrijheid toekomt terzake van de – uitsluitend door het nationale recht beheerste – vraag of aanleiding bestaat voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid aan de afstemming van zijn beleid op het beleid in de omringende EU-landen doorslaggevende betekenis kan toekennen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2003 in zaak nr. 200302726/1 (www.raadvanstate.nl) volgt voorts dat de beoordelingsvrijheid die verweerder bij de aanwending van zijn bevoegdheid tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid toekomt, niet toelaat dat hij in rechte gehouden wordt geacht om – al dan niet naar aanleiding van hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd – gespecificeerd te motiveren op welke wijze de in artikel 3.106 van het Vb 2000 neergelegde indicatoren door hem in zijn beoordeling zijn betrokken.

Uit de door eiser aangehaalde brief van 19 maart 2009 volgt weliswaar dat Zweden een speciaal beschermingsbeleid voert ten aanzien van alleenstaande vrouwen en dat Denemarken op basis van aanvullende bescherming om humanitaire redenen asielzoekers een asielstatus heeft verleend, maar daaruit volgt niet dat deze landen een beleid van categoriale bescherming, als voorheen in Nederland gold, voeren.

De door eiser genoemde uitspraken nopen niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken zijn in hoger beroep vernietigd of hebben, omdat ze niet op de hoofdzaak zien, een voorlopig karakter.

44. Zoals volgt uit het in het besluit van 25 januari 2010 ingelaste voornemen heeft verweerder tevens geweigerd eiser een verblijfsvergunning onder de beperking als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, omdat eiser zich volgens verweerder zelfstandig kan handhaven in Pakistan.

45. Volgens het terzake gevoerde beleid, neergelegd in paragraaf B14/2.2 van de

Vc 2000, moet, om te bepalen of bij terugkeer de aanwezigheid van adequate opvang noodzakelijk is, worden bepaald of aannemelijk is dat de minderjarige zich zelfstandig kan handhaven. Indien dat aannemelijk is, behoeft geen adequate opvang voorhanden te zijn in het land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan. Uit dat beleid volgt voorts dat, indien de vreemdeling ten tijde van de beslissing zestien jaar of ouder is, van belang is of uit overige omstandigheden, gelegen in de persoon zelf, aannemelijk is dat hij zich zelfstandig kan handhaven in het buitenland, naar ter plaatse geldende normen. Hiervan is sprake indien de vreemdeling voor zijn komst naar Nederland voor zichzelf heeft gezorgd en niet aannemelijk is dat dit serieuze problemen heeft opgeleverd of dat serieuze problemen te verwachten waren.

46. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar voormeld beleid, op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser, die ouder is dan zestien jaar, niet in aanmerking komt voor bedoelde verblijfsvergunning, nu eiser in Pakistan gedurende vier tot vijf maanden als leerling-kok heeft gewerkt en zich aldaar staande heeft kunnen houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder van eiser verwachten dat hij deze werkzaamheden ook bij terugkeer naar Afghanistan weer zou kunnen oppakken en zich daar staande zou kunnen houden. Ten aanzien van de stelling dat zijn verdiensten destijds net voldoende waren om de huur van de kamer te betalen heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit niet afdoet aan de mogelijkheid om weer door middel van dergelijke werkzaamheden in zijn eigen onderhoud te voorzien.

In het voorgaande heeft verweerder aanleiding kunnen zien om eiser een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling te weigeren. De beoordeling van het standpunt van verweerder dat in Pakistan adequate opvang aanwezig is, en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, onder meer over de toegang tot Pakistan, kan gelet daarop achterwege blijven.

47. Uit hetgeen hiervoor onder 19 is overwogen, volgt dat het beroep gegrond is. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De rechtbank ziet in hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

48. Eiser heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de in rechtsoverweging 18 genoemde stukken, dat hij als minderjarige bij terugkeer naar Afghanistan het reële risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

49. In de Eligibility Guidelines is, in paragraaf 4.3, over kinderen het volgende vermeld:

“Children are reportedly being killed, exploited and ill-treated in ever-increasing numbers in Afghanistan as the violence across the country worsens. Allegations of recruitment of children by armed groups, including those associated with the Taleban, have been received from all regions, particularly from the south, south-east and east. Recruitment is also reported to be prevalent in areas with high concentrations of returnees or IDPs, particularly in the south and south-eastern provinces. Recently, allegations were received of children living in the southern border areas that were being approached and offered money to carry out activities on behalf of armed groups. A study conducted by the United Nations Assistance Mission in Afghanistan (UNAMA) also documented cases of children being used by the Taleban to carry out suicide attacks. There are also concerns that due to inadequate age-verification procedures in its recruitment processes, children have been found in the ranks of the Afghan National Police. Children have been captured, arrested and detained by Afghan law enforcement agencies and international military forces because of their alleged association with armed groups. There is evidence of children being ill-treated, detained for long periods of time by the National Directorate of Security and prevented access to legal assistance, in contravention of the provisions of the Afghan Juvenile Code and international standards on juvenile justice.”

Het ambtsbericht van maart 2009 vermeldt over de rekrutering van kinderen het volgende:

“In Logar circuleerde een nachtbericht van de Taliban dat families opriep een zoon af te

staan. Ook in Noord-Helmand (Musa Qala) zijn gevallen van gedwongen rekrutering bekend.”

In het ambtsbericht van juli 2010 is over de ronseling van kinderen het volgende vermeld:

“Ook waren er gedurende de verslagperiode berichten dat Taliban mensen, waaronder in toenemende mate kinderen, gedwongen ronselden, al dan niet voor een enkele operatie.”

Over seksueel misbruik vermeldt voormelde paragraaf van de Eligibility Guidelines het volgende:

“Incidents of sexual violence against children and cases of impunity of perpetrators have increased since December 2007. In March and April 2008, both the AIHRC and the Afghan Women Network (AWN) reported an increase in child rape. According to the Institute of War and Peace Reporting, the abduction of children for sexual exploitation has continued to increase, particularly in the North. In this respect, it is worth mentioning the practice of bacha bazi (boy play), i.e. keeping young boys for sexual pleasure, particularly by older and powerful men. This is a practice that has a degree of social acceptance and may be a flaunted symbol of status, as boys (known as halekon in the South of the country, and bacha bi reesh, “boys without beards” in other areas) are sometimes shared with other men at parties and gatherings. Children subjected to this practice need to be considered by adjudicators as victims and survivors of rape, rather than persons freely exercising a sexual preference. In most of the cases, children are driven into this practice by poverty, coercion or force.”

Het ambtsbericht van maart 2009 vermeldt met betrekking tot seksueel misbruik van kinderen het volgende:

“Ook verschijnen geregeld berichten over seksueel misbruik van kinderen, door ANP agenten, warlords of Taliban. In sommige zuidelijke regio’s is het risico voor jonge jongens het slachtoffer te worden van seksueel geweld groter dan voor jonge meisjes. Het komt vaak voor dat krijgsheren jongens misbruiken. Dit is algemeen bekend en de daders ondervinden geen represailles. Het gaat met name om Kandahar, Helmand en Uruzgan, maar het komt ook elders in Afghanistan voor.”

50. In de door eiser ingebrachte stukken, in samenhang bezien, kan worden afgeleid dat situatie van kinderen in Afghanistan zorgelijk is en dat het risico bestaat slachtoffer te worden van gedwongen rekrutering (met name in de zuidelijke en oostelijke provincies) of seksueel geweld (in het zuiden, maar ook in het noorden van Afghanistan). Hoewel in de stukken wordt vermeld dat kinderen geregeld het slachtoffer worden van seksueel geweld en gedwongen rekrutering, volgt daaruit niet dat kinderen in Afghanistan systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen en eiser reeds vanwege het behoren tot deze groep, ook als daarbij in aanmerking moet worden genomen dat de familie van eiser in Pakistan verblijft, aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Verweerders standpunt ter zitting dat er geen grond is om eiser, als jongere, in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan aldus de toetsing in rechte doorstaan.

51. De rechtbank acht, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 437,00, wegingsfactor 1) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 25 januari 2010;

III. laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;

IV veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1092,50, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Horsthuis, voorzitter, en mr. D.S.M. Bak en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).