Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1854

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
AWB 10-44852
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / 15c Definitierichtlijn / vestigingsalternatief / doorreis via Mogadishu / interim measure

Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu en dat de veiligheidssituatie aldaar zodanig slecht is dat er in de stad Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder eiser een vestigingsalternatief binnen Centraal- en Zuid-Somalië heeft kunnen tegenwerpen. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van gebieden in Somalië buiten Mogadishu niet is gebleken van een zodanig hoge mate van willekeurig geweld, dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Voorts is niet in geschil is dat de dreiging waaraan eiser in Mogadishu wordt blootgesteld niet op de persoon gericht is, maar enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot de in WBV 2010/19 genoemde groepen ten aanzien waarvan wordt aangenomen dat er geen vestigingsalternatief voorhanden is in Centraal- en Zuid-Somalië. Eiser heeft aangevoerd dat doorreis naar de gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië dient te geschieden via Mogadishu en dat dit levensgevaarlijk is, maar naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor eiser geen beletsel is om te reizen naar en toegang te verkrijgen tot het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu. Immers, de luchthaven waarop in het artikel van Vluchtelingenwerk Nederland van 17 december 2010 wordt gedoeld, betreft een andere dan de internationale luchthaven van Mogadishu. De internationale luchthaven van Mogadishu, van waaruit verder kan worden gereisd naar de gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië, is ongeveer twintig kilometer ten westen van de stad Mogadishu gelegen. Deze luchthaven ligt buiten het gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2010 (201009950/1/V3, www.raadvanstate.nl). De luchthaven is in handen van de TFG, gesteund door troepen van de AMISOM. Verder bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich vestigt in het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu. Uit de interim measures van 7 januari 2011 (o.a. nummer 75170/10), kan niet kan worden afgeleid dat de president van het EHRM van mening is dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Nu de interim measures slechts een tijdelijke belemmering voor eventuele uitzetting van eiser naar Somalië vormt, ziet de rechtbank daarin geen reden om te komen tot het oordeel dat met de weigering eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/44852

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2011

inzake

[de vreemdeling]

geboren op 30 april 1979,

van Somalische nationaliteit,

verblijvende te Barendrecht,

eiser,

gemachtigde mr. T.R. Hüpscher,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.J.M. Leijtens.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiser heeft op 30 december 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser op die datum het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder nummer AWB 10/44853.

De zaak met nummer AWB 10/44852 en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 10/44853) zijn, met instemming van partijen, gezamenlijk behandeld op de zitting van 11 januari 2011. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank allereerst stelt vast dat eisers eerder, te weten op 8 maart 2007, een asielaanvraag heeft ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 25 oktober 2007. Het tegen dit besluit namens eisers ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, bij uitspraak van 30 juni 2008 (AWB 07/43603) ongegrond verklaard. De procedure ten aanzien van voornoemde aanvraag is afgesloten met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2008 met zaaknummer 200805816/1, waarbij het door eisers ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 30 juni 2008 ongegrond is verklaard. Met deze uitspraak is de afwijzing van de eerste asielaanvragen van eiser in rechte vast komen te staan. Op 22 december 2010 heeft eiser vervolgens de onderhavige (herhaalde) aanvragen ingediend.

2. Ingevolge artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing (het ‘ne bis in idem’-beginsel). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

4. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag – en met het oog op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de Definitierichtlijn) – een beroep gedaan op de verslechterde veiligheidssituatie in Somalië en in het bijzonder in Mogadishu, waar hij vandaan komt. Daarbij heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 september 2010, LJN: BN8771, waarin is verwezen naar de UN Security Council van 31 december 2009, het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2010 inzake Somalië, een rapport van het US Department of State van 11 maart 2010, een rapport van Human Rights Watch van april 2010 en een rapport van Internal Displacement Monitoring Centre van 10 december 2009. Voorts heeft eiser in dit kader verwezen naar de op 20 september 2010 door leden van de Tweede Kamer gestelde vragen over de situatie in Mogadishu, met de daarop door de regering op 22 november 2010 gegeven antwoorden, waarbij onder meer het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 20 september 2010 inzake Somalië is aangehaald. Daarnaast heeft eiser verwezen naar Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV 2010/19), waarin is geconcludeerd dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ook heeft eiser verwezen naar een artikel van Vluchtelingenwerk Nederland van 17 december 2010 over doorreismogelijkheden via de luchthaven van Mogadishu. Bij brief van 10 januari 2011 heeft eiser nog verwezen naar een tweetal door het de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) getroffen interim measures van 7 januari 2011 (o.a. in zaaknummer 75170/10), waarbij de uitzetting van de betreffende vreemdelingen naar Somalië is verboden. Verder heeft eiser ter onderbouwing van zijn herhaalde aanvraag aangevoerd dat hij in Somalië niemand meer heeft en dat hij buiten Mogadishu niet kan leven, omdat dat voor hem onbekend gebied is. Tevens heeft eiser naar voren gebracht dat al zijn familieleden in Nederland wonen, dat hij graag met zijn familie wil samenleven en dat hij zorg draagt voor zijn zieke vader in Nederland. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat zijn ongewenstverklaring is opgeheven.

5. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechtbank, ongeacht of verweerder in de motivering van het thans voorliggende besluit buiten het kader van de nova is getreden, primair te onderzoeken of aan de onderhavige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, alvorens tot beoordeling van het door verweerder genomen besluit op de herhaalde aanvraag over te gaan. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten onder meer worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit van 25 oktober 2007, dan wel feiten en omstandigheden van vóór dit besluit die niet voor het nemen van dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van al eerder aangevoerde feiten en omstandigheden die niet vóór het besluit van 25 oktober 2007 konden en dus behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een inhoudelijke rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat besluit rusten.

6. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland, gepubliceerd in JV 1998/45.

7. De door eiser gestelde omstandigheden dat al zijn familieleden in Nederland wonen, dat hij graag met zijn familie wil samenleven en dat hij zorg draagt voor zijn zieke vader in Nederland, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Deze omstandigheden kunnen immers niet worden aangemerkt als asielgerelateerde gronden, zodat op voorhand is uitgesloten dat deze kunnen afdoen aan het eerdere besluit van 25 oktober 2007. Het staat eiser vrij om, indien hij meent op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aanspraak te maken op verblijf hier te lande, een aanvraag in te dienen tot verlening van een verblijfsvergunning op reguliere gronden, zoals overigens ook al is overwogen in voornoemde – in rechte vaststaande – uitspraak van deze rechtbank van 30 juni 2008 (AWB 07/43603).

8. De omstandigheid dat eisers ongewenstverklaring is opgeheven, kan – nu eiser ook ten tijde van zijn eerste asielprocedure niet tot ongewenst vreemdeling was verklaard – evenmin worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid ten opzichte van eisers eerste asielaanvraag.

9. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser aan onderhavige herhaalde asielaanvraag geen individuele nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, zodat wat dat betreft geen sprake is van nova zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.

10. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kan ook sprake zijn, indien de vreemdeling aantoont dat ten tijde van de totstandkoming van het besluit van gelijke strekking de algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst zodanig is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere besluit, dat niet op voorhand uitgesloten is dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan dat eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

11. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door eiser aangehaalde stukken over de veiligheidssituatie in Somalië, welke stukken dateren van na het besluit in de eerdere procedure, in onderlinge samenhang bezien, dat de algemene veiligheidssituatie in Somalië en in het bijzonder in Mogadishu, ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 30 december 2010 ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 25 oktober 2007 zodanig is verslechterd dat niet op voorhand is uitgesloten dat deze verslechterde situatie kan afdoen aan het eerdere besluit, in zoverre dat ziet op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aldus is sprake van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, zodat het besluit van 30 december 2010 kan worden getoetst, in zoverre daarin is geweigerd op voormelde grond aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

12. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat in Centraal- en Zuid-Somalië en in het bijzonder in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

13. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009, LJN: BI4791, kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji, LJN: BH3646, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008, in de zaak NA. tegen het Verenigd Koninkrijk,

LJN: BF0248, – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

14. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, hoewel niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu en dat de veiligheidssituatie aldaar zodanig slecht is dat er in de stad Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat eiser een vestigingsalternatief heeft. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder er in de besluitvorming op gewezen dat de dreiging waaraan eiser in Mogadishu wordt blootgesteld niet op de persoon is gericht, maar enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, zodat eiser zich aan deze dreiging kan onttrekken door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het gebied waar een uitzonderlijke situatie heerst. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat eiser niet behoort tot de in WBV 2010/19 onder paragraaf 7.2.2 genoemde groepen waarvoor in de regel wordt aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief binnen Centraal- en Zuid-Somalië. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat, hoewel de algemene situatie in geheel Somalië zorgwekkend is, in de gebieden buiten Mogadishu de geweldssituatie niet van dusdanige aard is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Voorts behoort het reizen naar en het toegang verkrijgen tot een gebied buiten Mogadishu voor eiser tot de mogelijkheden en kan worden verondersteld dat er elders in Centraal- en Zuid-Somalië een gebied is waar eiser zich redelijkerwijs kan vestigen, aldus verweerder.

15. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu en dat de veiligheidssituatie aldaar zodanig slecht is dat er in de stad Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

16. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder eiser een vestigingsalternatief binnen Centraal- en Zuid-Somalië heeft kunnen tegenwerpen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

17. In artikel 3.105a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. In de artikelen 3.35 en volgende van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: Vv) zijn deze nadere regels opgenomen.

18. In artikel 3.37d, eerste lid, van het Vv is bepaald dat bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 19, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in artikel 28 van die wet geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico op foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 bestaat en van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft.

19. Ingevolge artikel 3.37d, tweede lid, van het Vv wordt bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen.

20. De rechtbank stelt vast dat verweerder met voornoemde bepalingen uitvoering heeft gegeven aan artikel 8 van de Definitierichtlijn en dat die bepalingen in overeenstemming zijn met dit artikel.

21. Voorts staat in het op 15 december 2010 in de Staatscourant gepubliceerde (en niet kennelijk onredelijk te achten) beleid, zoals neergelegd in WBV 2010/19 (thans opgenomen in paragraaf C24/24.7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000), kort gezegd en voor zover van belang vermeld dat de uitzonderlijke situatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geldt voor de burgers verblijvend in Mogadishu en dat deze niet is gerelateerd aan individuele persoonlijke vrees. Gelet hierop kan er sprake zijn van een vestigingsalternatief voor de vreemdeling afkomstig uit Mogadishu in een ander deel van Somalië (inclusief Centraal- en Zuid-Somalië) indien de dreiging waaraan betrokkene in Mogadishu wordt blootgesteld niet op de persoon gericht is maar enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in voornoemd artikel.

22. Gelet op de bijzondere positie waarin niet-Somali minderheden, alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen in Centraal- en Zuid-Somalië verkeren, wordt – blijkens voornoemd beleid – ten aanzien van een vreemdeling behorend tot één van deze groepen in de regel aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië. Ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Mogadishu, niet-behorend tot bovengenoemde groepen, wordt er in beginsel van uitgegaan dat een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië aanwezig is als de gevreesde dreiging voor een onmenselijke behandeling enkel een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De toets of er in dat geval sprake is van een vestigingsalternatief zal, met inachtneming van het beleid inzake het vestigingsalternatief (paragraaf C4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000), op individuele basis plaatsvinden.

23. De rechtbank zal allereerst ingaan op de stelling van eiser dat zich ook in de gebieden buiten Mogadishu (in geheel Centraal- en Zuid-Somalië) een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat om die reden hem geen verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling en is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van gebieden in Somalië buiten Mogadishu niet is gebleken van een zodanig hoge mate van willekeurig geweld, dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De enkele verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 september 2010 (AWB 10/13957) – waartegen zijdens verweerder overigens hoger beroep is aangetekend – leidt niet tot een andersluidend oordeel. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 9 september 2010, LJN: BN6722, LJN: BN6714 en LJN: BN6705, 10 september 2010, LJN: BN7315, 4 oktober 2010 (201001119/1, www.raadvanstate.nl), 25 november 2010, LJN: BO6339 en 16 december 2010, LJN: BO8940, waarin de Afdeling – kort gezegd en voor zover van belang – heeft geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat de mate van het willekeurig geweld in Centraal- en Zuid-Somalië en meer in het bijzonder in de provincies Jubbada Hoose, Shabelle Hoose, Galgaduud, Hiraan, Middle Shabelle, alsmede in Kismayo, ten tijde van belang, zodanig hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn beschreven ernstige schade. Nu eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit valt af te leiden dat de situatie in Centraal- en Zuid-Somalië ten tijde van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in voornoemde uitspraken aan de orde was, kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat zich ook in de gebieden buiten Mogadishu een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

24. De rechtbank overweegt voorts dat niet in geschil is dat de dreiging waaraan eiser in Mogadishu wordt blootgesteld niet op de persoon gericht is, maar enkel een gevolg is van een extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot de in WBV 2010/19 genoemde groepen ten aanzien waarvan wordt aangenomen dat er geen vestigingsalternatief voorhanden is in Centraal- en Zuid-Somalië. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of reizen naar en het toegang verkrijgen tot een gebied buiten Mogadishu voor eiser tot de mogelijkheden behoort en of van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft.

25. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er voor eiser geen beletsel is om te reizen naar en toegang te verkrijgen tot het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu. Daarbij heeft verweerder allereerst verwezen naar het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van september 2010, waaruit blijkt dat Somaliërs die terugkeren naar Centraal- en Zuid-Somalië, voor zover bekend, geen hinder van de lokale autoriteiten ondervinden bij de inreis. Volgens verweerder is toegang tot Somalië mogelijk via het internationale vliegveld van Mogadishu. Dit vliegveld staat onder controle van de Transitional Federal Government (TFG), gesteund door troepen van de African Union Mission in Somalia (AMISOM). Vanaf het vliegveld van Mogadishu of andere plaats van inreis kan verder over land de beoogde plaats van alternatief verblijf worden bereikt. De verbindingsweg van het vliegveld wordt door AMISOM beschermd en kan als relatief veilig worden beschouwd. Verder blijkt uit het rapport van de UK Home office ‘Somalia: report of fact finding mission’ van 8 oktober 2010 dat ook het reizen binnen de door Al Shabaab gecontroleerde gebieden van Centraal- en Zuid Somalië mogelijk en relatief veilig is, aldus verweerder. Uit voornoemd ambtsbericht blijkt voorts dat binnen Somalië de bewegingsvrijheid niet wordt ingeperkt door regelgeving en dat de toegang tot de andere districten binnen Centraal- en Zuid-Somalië niet wordt ontzegd. Tussen de verschillende plaatsen in Somalië is transport met bijvoorbeeld bussen mogelijk. De veiligheidssituatie kan beperkingen opleggen om binnen Centraal- en Zuid-Somalië te reizen, maar uit het genoemd rapport van de UK Home Office blijkt dat het (willekeurig) geweld in de buiten gelegen gebieden minder intensief is dan in de stad Mogadishu en dat in de praktijk veel mensen reizen binnen Centraal- en Zuid-Somalië, ook binnen de door AL Shabaab gecontroleerde gebieden. Uit het rapport van UK Home Office blijkt verder dat Somalische burgers die geen banden hebben met de TFG over het algemeen geen problemen ondervinden bij het passeren van de controleposten. Reizigers kunnen hierbij worden gevraagd naar de reden van hun reis en bestemming, maar in de regel wordt toestemming verleend om hun weg te vervolgen.

26. In hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, namelijk dat volgens een artikel van Vluchtelingenwerk Nederland van 17 december 2010 blijkt dat doorreis naar de gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië dient te geschieden via Mogadishu en dat dit levensgevaarlijk is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor eiser geen beletsel is om te reizen naar en toegang te verkrijgen tot het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu. Immers, de luchthaven waarop in het artikel van Vluchtelingenwerk Nederland wordt gedoeld, betreft een andere dan de internationale luchthaven van Mogadishu. De internationale luchthaven van Mogadishu, van waaruit verder kan worden gereisd naar de gebieden in Centraal- en Zuid-Somalië, is ongeveer twintig kilometer ten westen van de stad Mogadishu gelegen. Deze luchthaven ligt buiten het gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2010 (201009950/1/V3, www.raadvanstate.nl). De luchthaven is in handen van de TFG, gesteund door troepen van de AMISOM. Ook overigens ziet de rechtbank in het artikel van Vluchtelingenwerk Nederland van 17 december 2010 geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor eiser geen beletsel is om te reizen naar en toegang te verkrijgen tot het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu.

27. Ten aanzien van de vraag of van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in het gebied buiten Mogadishu (in Centraal- en Zuid-Somalië) verblijft, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich in het (voornemen tot het) bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat kan worden verondersteld dat eiser zich redelijkerwijs kan vestigen in het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu. Daarbij heeft verweerder betekenis toegekend aan de algemene veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië en aan het feit dat eiser behoort tot de meerderheidsclan Marehan. Volgens verweerder blijkt uit het eerder genoemd ambtsbericht dat leden van deze clan wijdverspreid zijn binnen Centraal- en Zuid-Somalië, zodat eiser aansluiting zou kunnen vinden bij leden van zijn clan. Voorts acht verweerder in dit kader van belang dat eiser een volwassen man is. Gelet op al het voorgaande moet eiser volgens verweerder in staat worden geacht zich staande te houden in Somalië, waar hij voor zijn komst naar Nederland zijn hele leven heeft gewoond. Daarbij heeft verweerder tevens van belang geacht dat eiser in Nederland ook een periode zelfstandig heeft gewoond. In het bestreden besluit heeft verweerder voorts gemotiveerd uiteengezet dat hetgeen namens eiser in de zienswijze in dit verband naar voren is gebracht, te weten dat eiser alleen in Mogadishu heeft gewoond en dat hij de Somalische samenleving totaal is ontwend, niet leidt tot een ander oordeel.

28. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich vestigt in het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser dit standpunt van verweerder in de beroepsgronden nauwelijks heeft bestreden. Eiser heeft immers enkel verwezen naar de zienswijze waarop verweerder in het bestreden besluit genoegzaam is ingegaan.

29. Nu verweerder zich – gelet op het voorgaande – op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zich aan de bedreiging als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan onttrekken door zich te vestigen in het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië dat is gelegen buiten Mogadishu, heeft verweerder op goede gronden kunnen besluiten om eiser niet in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

30. Ten aanzien van de door eiser gedane beroep op een tweetal door de president van het EHRM getroffen interim measures van 7 januari 2011 (o.a. nummer 75170/10), overweegt de rechtbank tot slot als volgt. Voor zover al moet worden aangenomen dat deze door de president van het EHRM getroffen voorlopige maatregelen in de weg staan aan de uitzetting van eiser naar (Centraal- en Zuid-) Somalië, overweegt de rechtbank dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de president van het EHRM van mening is dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Nu de interim measures slechts een tijdelijke belemmering voor eventuele uitzetting van eiser naar Somalië vormt, ziet de rechtbank daarin geen reden om te komen tot het oordeel dat met de weigering eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

31. Nu de rechtbank in hetgeen overigens is aangevoerd evenmin aanleiding ziet om het bestreden besluit te vernietigen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Daarbij merkt de rechtbank op dat het eerst ter zitting gedane beroep op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 als zijnde te laat ingebracht buiten beschouwing dient te blijven vanwege strijd met de goede procesorde. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

32. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als rechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2011.

?