Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1845

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
AWB 10-43890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring; artikel 15, vijfde en zesde lid, Terugkeerrichtlijn; implementatietermijn verstreken; terugkeerbesluit; verlengingsbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/43890

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2011

inzake

[de vreemdeling]

geboren op 28 december 1968,

nationaliteit Marokkaanse,

verblijvende te Rotterdam in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. D.H. van den Elzen,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

voorheen de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde S. Faddach.

Procesverloop

Op 23 december 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 11 januari 2010, 2 februari 2010, 23 maart 2010, 27 april 2010, 20 juli 2010, 24 augustus 2010, en 5 oktober 2010, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 22 december 2010 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 24 december 2010 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, gereageerd bij schrijven van 28 december 2010.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 januari 2011, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Anders dan de gemachtigde van eiser ziet de rechtbank, gelet op de voortgangsrapportage van verweerder, geen aanleiding eiseres te horen.

2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat het terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) van 17 december 2010 ondeugdelijk is, nu daarin geen termijn voor vertrek is geboden en eiser Nederland niet kan verlaten aangezien hij zich in bewaring bevindt. Ook is onvoldoende duidelijk welk rechtsmiddel tegen dit document kan worden ingediend. Gelet op het voorgaande moet de bewaring onrechtmatig worden geacht. Subsidiair is gesteld dat het verlengingsbesluit van 21 december 2010 dan wel de voortduring van de bewaring dient te worden getoetst aan de Terugkeerrichtlijn, nu deze sinds 25 december 2010 rechtstreekse werking heeft. De richtlijn is niet binnen de in artikel 20, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gestelde termijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Krachtens artikel 15, vijfde lid, van de richtlijn mag de bewaringsduur, behoudens een in de nationale wetgeving geregelde verlengingsbevoegdheid, maximaal zes maanden bedragen. Nu de nationale wetgeving niet in een dergelijke verlengingsbevoegdheid voorziet, is de bewaring vanaf 25 december 2010 onrechtmatig. Meer subsidiair is gesteld dat er geen sprake is van frustratie welke de verlenging van de bewaring zou rechtvaardigen.

3. Met betrekking tot hetgeen eiser heeft gesteld omtrent het terugkeerbesluit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn liep tot en met 24 december 2010, zodat deze inmiddels is verstreken. Hieruit volgt dat indien en voor zover in de Terugkeerrichtlijn sprake is van rechtstreeks werkende bepalingen, rechtzoekenden vanaf 25 december 2010 de handhaving van dergelijke bepalingen aan de nationale rechter kunnen vragen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 6, eerste lid, en 8, eerste, tweede en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, in samenhang bezien, dient een terugkeerbesluit te zijn genomen voorafgaand aan of uiterlijk gelijktijdig met het opleggen van een maatregel van bewaring. Genoemde bepalingen hebben in zoverre rechtstreekse werking.

4. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser bij besluit van 10 april 2007 tot ongewenst vreemdeling als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000 is verklaard alsmede dat hij tijdens zijn bewaring een asielaanvraag heeft ingediend. Deze aanvraag tot verkrijging van een verblijfsvergunning asiel alsmede het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring zijn afgewezen bij besluiten van 7 december 2010. De rechtbank overweegt dat een ongewenstverklaring, gelet op de definitie van terugkeerbesluit in artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en het bepaalde in artikel 67, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 61, eerste lid, en artikel 62, eerste en vierde lid, van de Vw 2000, kan worden aangemerkt als een terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn. Deze meeromvattende beschikking heeft van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft en de vreemdeling Nederland binnen de daartoe gestelde termijn eigener beweging dient te verlaten, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet. De hier bedoelde termijn bedraagt, gelet op het bepaalde in het eerste en vierde lid, van artikel 62 van de Vw 2000, in samenhang gelezen, maximaal vier weken, zodat deze inmiddels moet zijn verstreken.

5. Het als ‘terugkeerbesluit’ aangeduide document van 17 december 2010 alsmede het besluit tot afwijzing van eisers asielaanvraag van 7 december 2010 hebben in een geval als het onderhavige dan ook geen betekenis voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring, nu de inhoud hiervan een herhaling vormt van hetgeen eiser reeds zal zijn meegedeeld bij het besluit tot ongewenstverklaring. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de brief van 17 december 2010 behoeft dan ook geen bespreking. Het betoog van eiser faalt reeds hierom.

6. Ten aanzien van hetgeen is aangevoerd omtrent de verlengingsbeslissing van

21 december 2010 overweegt de rechtbank als volgt. Het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn strekt ertoe dat de duur van de vreemdelingenbewaring wordt beperkt tot een maximum van 6 of 18 maanden. Dit doel kan naar het oordeel van de rechtbank worden bereikt door de Vw 2000 uit te leggen in overeenstemming met de richtlijn. De Vw 2000 bevat geen maximumtermijn voor de vreemdelingenbewaring, zodat de beslissing van verweerder om de bewaring van eiser na zes maanden te laten voortduren niet in strijd is met de Vw 2000. De voortduring van de bewaring vanaf 25 december 2010 is evenmin in strijd met de Terugkeerrichtlijn, omdat de in artikel 15, zesde lid, van deze richtlijn genoemde situatie in het geval van eiser aan de orde is. Artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn schrijft bovendien niet voor dat de beslissing om de bewaring na zes maanden te laten voortduren wordt neergelegd in een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit. Het voornemen om de Vw 2000 zodanig te wijzigen dat beroep wordt opengesteld tegen een dergelijke beslissing, met hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank dienaangaande, berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een keuze van de wetgever en niet op een verplichting die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn. Dat de Vw 2000 geen expliciete bevoegdheidsgrondslag biedt voor het nemen van wat partijen aanduiden als een verlengingsbesluit, daargelaten of sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, betekent onder deze omstandigheden niet dat de bewaring van eiser sinds

25 december 2010 in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Hetgeen terzake door eiser is gesteld slaagt dan ook niet.

7. De rechtbank stelt vast dat niet weersproken is dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en evenmin dat verweerder met voldoende voortvarendheid aan de verwijdering van eiser werkt.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts de belangenafweging in het kader van het tijdsverloop in redelijkheid in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen. Zij verwijst hiervoor naar hetgeen te dien aanzien is overwogen in de uitspraak van 20 juli 2010 (AWB 10/24238). Deze overwegingen gelden onverkort, terwijl eiser geen gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

9. Het beroep is ongegrond. Het namens eiser ingediende verzoek om schadevergoeding komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2011.

?