Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1754

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 44956
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

lichter middel; artikel 15, eerste lid, Terugkeerrichtlijn

De rechtbank stelt vast dat eiser ongeveer twintig jaar in Nederland verblijft waarvan de laatste vijf jaar op een in het GBA ingeschreven en bij verweerder bekend adres. De stelling dat eiser sinds 2005 geen rechtmatig verblijf meer heeft en dat eiser alles heeft geprobeerd om zijn verblijf in Nederland nadien te bestendigen, maakt, nu verweerder de mogelijkheid van een lichter middel niet daadwerkelijk heeft onderzocht, naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat een lichter middel niet effectief kan worden toegepast. De omstandigheid dat eiser criminele antecedenten heeft – verweerder verwijst daarbij naar veroordelingen terzake rijden onder invloed – maakt zonder nadere onderbouwing evenmin dat een lichter middel niet effectief zou kunnen worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus onvoldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet kon volstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10 / 44956

V-nr: 130.102.1565

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 januari 2011

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1961, van gestelde Marokkaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn , werkzaam bij de Immigratie en Naturalisatiedienst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig

M. Essebai, als tolk in de Arabische taal.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt dat de bewaring met ingang van heden wordt opgeheven. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1140,- (zegge: elfhonderdenveertig euro) aan eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder als in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 874,- als kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Motivering

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat volstaan kon worden met een lichter middel. Ingevolge artikel 8:69, tweede lid van de Awb, de rechtsgronden ambtshalve aanvullend, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Tri luidt:

Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 15, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Tri voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zodat de rechtbank direct zal treden in de vraag of eisers bewaring hiermee in overeenstemming is te achten.

De artikelen 6 tot en met 8 van de Terugkeerrichtlijn behelzen een gelaagde aanpak van het doen terugkeren van een illegaal verblijvende vreemdeling. Er dient een terugkeerbesluit te worden uitgevaardigd waarin de vreemdeling wordt aangekondigd dat hij, bij voorkeur vrijwillig binnen een daartoe gestelde termijn, de lidstaat dient te verlaten. Pas daarna kan de lidstaat overgaan tot het binnen de grenzen van proportionaliteit uitoefenen van dwang om de vreemdeling te verwijderen. Uit deze bepalingen, gelezen in samenhang met de aanhef van artikel 15, eerste lid van de Terugkeerrichtlijn, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat alvorens tot bewaring kan worden overgegaan, eerst bezien dient te worden of een minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend kan worden toegepast om de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling te verzekeren. Dit uitgangspunt is eveneens verwoord in overweging 16 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn.

Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ dienen lidstaten het doel en de strekking van een richtlijn in hun uitvoeringspraktijk zoveel mogelijk te verwezenlijken (onder meer

11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, r.o. 26 en 27, LJN: AV5152). Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder in iedere zaak dient na te gaan of zich de situatie voordoet dat met een minder dwingend middel dan bewaring kan worden volstaan om de illegaal verblijvende vreemdeling te verwijderen. Naast verweerder heeft voorts ook de rechter, als overheidsinstantie en binnen het kader van zijn bevoegdheden, de nakoming van de verplichtingen uit de richtlijn te verzekeren (onder meer 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, r.o. 24, en 8 oktober 1987, C-80/86, Kolpinghuis, Jur. 1987, 3696, r.o. 12). Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat ook de rechter, mits aangevoerd, dient na te gaan of zich de situatie voordoet dat met een minder dwingend middel dan bewaring kan worden volstaan. Voor een terughoudende toets met betrekking tot de vraag of een lichter middel geïndiceerd is, is naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 25 december 2010 dan ook geen plaats (30 december 2010, Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, AWB 10/43573 r.o. 3.5).

In de onderhavige zaak is niet gebleken dat verweerder alvorens de maatregel van bewaring op te leggen, de mogelijkheid van een lichter middel heeft overwogen. In het proces-verbaal van het artikel 59 gehoor op 31 december 2010 wordt over een lichter middel immers niets vermeld. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat er wel is gekeken naar de mogelijkheid een lichter middel toe te passen, maar dat dit niet effectief is te achten in het onderhavige geval, omdat dat eiser eerder niet aan een vertrekplicht voldeed en criminele antecedenten heeft.

De rechtbank stelt vast dat eiser ongeveer twintig jaar in Nederland verblijft waarvan de laatste vijf jaar op een in het GBA ingeschreven en bij verweerder bekend adres. De stelling dat eiser sinds 2005 geen rechtmatig verblijf meer heeft en dat eiser alles heeft geprobeerd om zijn verblijf in Nederland nadien te bestendigen, maakt, nu verweerder de mogelijkheid van een lichter middel niet daadwerkelijk heeft onderzocht, naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat een lichter middel niet effectief kan worden toegepast. De omstandigheid dat eiser criminele antecedenten heeft – verweerder verwijst daarbij naar veroordelingen terzake rijden onder invloed – maakt zonder nadere onderbouwing evenmin dat een lichter middel niet effectief zou kunnen worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus onvoldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet kon volstaan.

De rechtbank oordeelt derhalve dat de inbewaringstelling vanaf meet af aan onrechtmatig is te achten.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. C.E. van Diepen mr.R.H.G. Odink

griffier rechter

afschrift verzonden op:

Conc.: LvD

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.