Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1653

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/4630 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging AOW-uitkering wegens detentie. Geen strijd met artikel 14 EVRM en het eerste en twaalfde protocol van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/4630 AOW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. drs. S.C. Blommendaal, advocaat te Maastricht,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 30 december 2009 heeft verweerder eisers ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) beëindigd met ingang van 1 januari 2010.

Bij besluit van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 juni 2010, ingekomen bij de rechtbank op 2 juli 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 6 december 2010 ter zitting behandeld. Eiser is niet ter zitting verschenen. Namens hem is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [B].

II OVERWEGINGEN

Eiser is sinds 2001 gedetineerd. Hij is in 2003 door het Gerechtshof Leeuwarden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Op 13 augustus 2006 heeft eiser de 65-jarige leeftijd bereikt, waarna hem een ouderdomspensioen is toegekend. Bij besluit van 30 december 2009 heeft verweerder het ouderdomspensioen van eiser beëindigd met ingang van 1 januari 2010.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser per 1 januari 2010, als gevolg van het op 1 juli 2009 in werking getreden artikel 8b van de AOW, vanwege zijn detentie geen recht meer heeft op ouderdomspensioen.

Eiser heeft aangevoerd dat de beëindiging van zijn ouderdomspensioen - gelet op hetgeen bepaald is in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), het Twaalfde Protocol bij het EVRM (hierna: TP) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) - een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht is. Eiser acht het bestreden besluit voorts in strijd met artikel 7 van het EVRM, nu dit artikel het opleggen van een sanctie met terugwerkende kracht verbiedt. Omdat verweerder hierop in het bestreden besluit niet is ingegaan, is dat besluit volgens eiser tevens onzorgvuldig genomen, althans onvoldoende gemotiveerd.

Ingevolge artikel 8b, eerste lid, van de AOW ontstaat geen recht op ouderdomspensioen voor de pensioengerechtigde, aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen indien de dag waarop het ouderdomspensioen zou ingaan, is gelegen in de periode dat hem zijn vrijheid is ontnomen.

Ingevolge artikel 64 van de AOW wordt, ten aanzien van de persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 8b van de AOW reeds rechtens was ontnomen, voor de toepassing van dat artikel als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 8b en eindigt het recht op ouderdomspensioen vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.

Ingevolge artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 1 van het TP moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Ingevolge het tweede lid mag niemand worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden.

Ingevolge artikel 1 van het EP heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom en zal aan niemand zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten volgens het artikel echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vult artikel 14 van het EVRM de materiële bepalingen van het EVRM aan. Het artikel heeft geen onafhankelijk bestaansrecht maar heeft alleen effect met betrekking tot het genot van de rechten en vrijheden zoals voorzien in de materiële verdragsbepalingen. Artikel 14 van het EVRM kan dan ook alleen worden toegepast als de feiten van het geding zich binnen de toepassingssfeer bevinden van deze materiële verdragsbepalingen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 30 september 2003 (LJN AP0734). Waar het gaat om de toepassing van artikel 14 EVRM in het kader van de sociale zekerheid, is er naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval sprake van een toereikend verband tussen het ingeroepen recht op gelijke behandeling en het op grond van artikel 1 van het EP beschermde recht op ongestoord genot van eigendom, als de belanghebbende voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor het (voort)bestaan van een recht op uitkering, met uitzondering van de voorwaarde waarvan hij de rechtsgeldigheid in verband met het vermeend discriminatoire karakter ervan bestrijdt. Nu het ouderdomspensioen eiser uitsluitend is geweigerd omdat hem rechtens zijn vrijheid was ontnomen, welk wettelijk criterium door hem als discriminatoir is bestempeld, is er in dit geval sprake van een verband met het recht op ongestoord genot van eigendom en zal de rechtbank mede aan de hand daarvan toetsen of er sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 18 juni 2004 (LJN AP4680).

Tussen partijen is niet in geding en ook de rechtbank is van oordeel dat het ouderdomspensioen van eiser als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP moet worden aangemerkt en dat deze eigendom eiser door de werking van artikel 8b van de AOW is ontnomen. De rechtbank zal dan ook toetsen of aan de voorwaarden voor een inbreuk op het eigendomsrecht is voldaan.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB stelt de tweede volzin van artikel 1 van het EP aan de inbreuk op een bestaand uitkeringsrecht, naast het vereiste dat deze bij wet heeft plaatsgevonden, de voorwaarde dat een evenwichtige afweging wordt bewerkstelligd tussen het algemeen belang en de vereisten die voortvloeien uit het ingeroepen fundamentele recht en dat er een redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Aan de staat komt een ruime beoordelingsmarge toe bij de hantering van die criteria. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de CRvB van 22 december 1999 (LJN AA4300) en 5 maart 2009 (LJN BI0952).

De rechtbank constateert in de eerste plaats dat de inbreuk op de eigendom bij wet - de AOW - heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de wetgever tot het oordeel heeft kunnen komen dat deze inbreuk in het algemeen belang noodzakelijk was. De wetgever heeft met artikel 8b van de AOW immers beoogd een einde te maken aan de voordien bestaande, inmiddels maatschappelijk ongewenst geachte situatie dat ouderdomspensioen-gerechtigde gedetineerden hun ouderdomspensioen behielden, terwijl bij gedetineerden die een willekeurig andere sociale zekerheidsuitkering ontvangen, deze uitkering gedurende de detentieperiode wordt stopgezet. De wetgever wenste tevens een einde te maken aan de situatie dat de ouderdomspensioengerechtigde in detentie een uit publieke middelen gefinancierde socialeverzekeringsuitkering ontvangt, terwijl de Staat reeds in de kosten van het levensonderhoud voorziet. De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2007-2008, 31 525, nr.3). De rechtbank voelt zich in haar oordeel gesteund door de uitspraak van de CRvB van 18 juni 2004 (LJN AP4680), waarin de CRvB de vergelijkbare door de wetgever geformuleerde doelstellingen terzake van de WSG rechtens aanvaardbaar heeft geacht en de bijbehorende wettelijke bepalingen in zijn algemeenheid tevens geëigend heeft geacht om die doelstellingen te bereiken. Dat wat dat betreft de wetgever en in lijn daarmee ook de CRvB in het verleden anders aankeken tegen de positie van ouderdomspensioen-gerechtigde gedetineerden, doet aan het voorgaande niet af.

Uit de jurisprudentie van het EHRM en de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2009 (LJN BI0952)) blijkt dat de eerder genoemde proportionaliteitsrelatie ontbreekt indien op individuele belanghebbenden een onevenredige last wordt gelegd. Een inbreuk op het eigendomsrecht in het algemeen belang zonder enige vorm van compensatie - bijvoorbeeld in de vorm van een overgangsregeling - kan slechts in uitzonderlijke gevallen in overeenstemming worden geacht met artikel 1 van het EP.

Ten aanzien van het op 1 juli 2009 in werking getreden artikel 8b van de AOW wordt een en ander tot uitdrukking gebracht in de in artikel 64 van de AOW opgenomen overgangstermijn van zes maanden voor ouderdomspensioen-gerechtigden die op het moment van inwerkingtreding van artikel 8b van de AOW gedetineerd zijn. De CRvB heeft eerder aangegeven een dergelijke termijn in overeenstemming te achten met artikel 1 van het EP. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de CRvB van 18 juni 2004 (LJN AP4680) en 12 november 2004 (LJN AR6512).

Eiser acht deze overgangstermijn, gelet op het opbouwstelsel van de AOW en het feit dat het ouderdomspensioen een sterk eigendomsrecht is, disproportioneel. De rechtbank erkent dat het ouderdomspensioen een (enigszins) sterker eigendomsrecht is dan de sociale zekerheidsuitkeringen genoemd in de Wet Sociale Zekerheidsrechten gedetineerden (hierna: WSG), echter zij acht dat onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat de overgangstermijn disproportioneel is. De rechtbank overweegt daartoe dat het ouderdomspensioen een (op solidariteit gebaseerd) collectief basispensioen is dat wordt betaald via een omslagstelsel. Dit houdt in dat de ouderdomspensioenen worden betaald uit lopende premieontvangsten, oftewel de werkenden betalen voor de ouderdomspensioen-gerechtigden. Er is dus geen sprake van opbouw van pensioenvermogen of een levensverzekering. Voorts is de Staat in gevallen als het onderhavige niet verplicht een volledige compensatie te bieden en mag worden volstaan met het (tijdelijk of gedeeltelijk) eerbiedigen van bestaande rechten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2001, LJN AN6599).

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat de keuze van de wetgever voor een overgangstermijn van zes maanden - zoals neergelegd in artikel 64 van de AOW - in beginsel kan worden gebillijkt en dat daarmee is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

Gelet op bovenstaande overwegingen levert de beëindiging van eisers ouderdomspensioen geen ongerechtvaardigde inbreuk op het in artikel 1 van het EP neergelegde eigendomsrecht op. De rechtbank concludeert dan ook dat het beroep op artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 van het EP niet slaagt. Nu artikel 1 van het Twaalfde Protocol inhoudelijk geen andere maatstaf aanlegt dan artikel 14 van het EVRM, volgt daaruit dat ook het beroep op deze bepaling faalt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de CRvB van 30 juni 2010 (LJN BM9938).

Ten aanzien van eisers beroep op artikel 7 van het EVRM, eerst in de bezwaarfase gedaan, constateert de rechtbank dat verweerder hierop in het bestreden besluit niet is ingegaan. Dat maakt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. Het dient daarom in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank zal onderzoeken of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hiertoe overweegt zij als volgt.

Ingevolge artikel 7 van het EVRM - voor zover van belang - mag niemand worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat een besluit tot beëindiging van een uitkering niet valt aan te merken als een criminal charge. Omdat er geen sprake is van een punitieve sanctie, acht verweerder de beëindiging van het ouderdomspensioen niet in strijd met artikel 7 van het EVRM.

Eiser heeft zich, zoals ter zitting door zijn gemachtigde toegelicht, op het nadere standpunt gesteld dat het bestreden besluit weliswaar niet kan worden aangemerkt als 'criminal charge' - en zijn beroepsgrond in zoverre ingetrokken - maar dat het besluit wel als een punitieve sanctie moet worden aangemerkt, omdat het strijd oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit omdat er met de wetswijziging is ingegrepen in een lopend recht (eisers ouderdomspensioen) en eiser daarvan op het moment van zijn veroordeling niet op de hoogte kon zijn. Het punitieve karakter geldt volgens eiser temeer, nu het besluit in zijn geval voortvloeit uit een gevangenisstraf die voor de levenslange duur is opgelegd. Eiser acht dit in strijd met artikel 7 van het EVRM.

De rechtbank is met partijen van oordeel dat - in lijn met de jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2009, LJN BJ7968) - een besluit tot beëindiging van een uitkering niet valt aan te merken als een criminal charge. Dat brengt mee dat het beroep op artikel 7 van het EVRM niet kan slagen. De omstandigheden dat er is ingegrepen in een lopend recht, dat eiser dit als punitief ervaart en dat het in zijn geval - gelet op zijn levenslange gevangenisstraf - betekent dat deze situatie nooit meer zal omkeren, doet aan het voorgaande niet af.

Nu verweerder inmiddels toereikend op deze beroepsgrond is ingegaan en hij het recht van eiser op ouderdomspensioen gelet op bovenstaande overwegingen terecht heeft beëindigd met ingang van 1 januari 2010, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1,5 (zwaar) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 4 punten worden toegekend. Dat betekent dat de proceskosten worden begroot op een bedrag van € 2.622,--. Overigens wijst de rechtbank er op dat ook het in deze zaak betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,-- op de voet van artikel 8:41, vierde lid, van de Awb door verweerder aan eiser moet worden vergoed.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 2.622,--, welk bedrag aan eiser moet worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk, mr. M.J. van den Bergh en

mr. G.F. van der Linden-Burgers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Vonck

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.