Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1600

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/240 WW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BT8586, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bouwplan, waarvoor een bouwvergunning en een artikel 19, eerste lid, WRO vrijstelling is verleend, is niet voorzien van een met een juiste feitelijke grondslag voorziene ruimtelijke onderbouwing. Ten onrechte is er geen onderzoek verricht naar de gevolgen van het bouwplan voor het zicht op de molen [molen]. Voorts overweegt de rechtbank dat het akoestisch onderzoek, alsmede het onderzoek naar de slagschaduw ten onrechte aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag zijn gelegd. Tenslotte overweegt de rechtbank dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de door gedeputeerde staten van Zuid-Holland afgegeven verklaring van geen bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/240 WW44

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[A] en [B], beiden wonende te [plaats], eisers,

gemachtigde H. Du Pré

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

Derde partij: [C] Projectontwikkeling regio West B.V., gevestigd te [plaats], vergunninghoudster,gemachtigde mr. H.S. Weeda.

I PROCESVERLOOP

Vergunninghoudster heeft op 31 januari 2005 een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend voor het oprichten van twee appartementencomplexen met in totaal acht appartementen op het perceel Goejanverwelledijk 26 tot en met 30 te Gouda, (hierna: het bouwplan).

Het ontwerpbesluit heeft vanaf 14 februari 2008 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen conform het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. Eisers hebben geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit ingediend.

Bij besluit van 29 april 2009 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), de gevraagde bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 2 december 2009, verzonden op 4 december 2009, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie Gouda van 23 november 2009, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 13 januari 2010, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De derde partij heeft bij brief van 9 april 2010 haar zienswijze op het beroep gegeven.

Het beroep is op 11 november 2010 ter zitting behandeld. Eiser [A] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T. Goerdat. Namens vergunninghoudster is verschenen haar gemachtigde.

II OVERWEGINGEN

bouwplan

Het bouwplan voorziet in de oprichting van een tweetal appartementencomplexen, bestaande uit twee bouwlagen met in totaal acht appartementen. Het bouwplan wordt gerealiseerd aan de Goejanverwelledijk te Gouda, buitendijks. Het bouwplan wordt ingesloten door de Hollandsche IJssel en de dijk. Op deze locatie was voorheen het transportbedrijf Stubbe gevestigd.

Aan de overzijde van de Hollandsche IJssel staat de molen [molen], alwaar eisers woonachtig zijn. Tevens is eiser [A] de molenaar van deze molen.

procedure en ontvankelijkheid

Het ontwerpbesluit tot verlening van de verzochte bouwvergunning met vrijstelling heeft van 14 februari tot en met 26 maart 2008 voor een ieder ter inzage gelegen. Tevens is in de publicatie in het huis-aan-huisblad de Goudse Post, van 13 februari 2008 vermeld dat gedurende deze termijn een ieder (bij voorkeur) schriftelijk zienswijzen kan indienen.

De rechtbank stelt vast dat zowel het besluit tot verlening van de vrijstelling, als het besluit tot verlening van de bouwvergunning, met de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) zijn voorbereid.

In artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d. van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar dient te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

Nu het besluit is voorbereid met toepassing van de uov, heeft verweerder ten onrechte onder het besluit van 29 april 2009 vermeld dat belanghebbenden tegen het besluit een bezwaarschrift konden indienen en tevens is ten onrechte de bezwaarprocedure doorlopen. Verweerder heeft dan ook het besluit van 2 december 2009 onbevoegd genomen. De rechtbank stelt vast dat thans ter beoordeling voorligt het besluit van 29 april 2009 waarbij verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, de gevraagde bouwvergunning heeft verleend.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht.

De rechtbank volgt eisers in hun betoog dat hen redelijkerwijs niet is te verwijten dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht. In de correspondentie met eisers, voorafgaand aan de terinzaggelegging van het ontwerpbesluit, is aan hen aangegeven dat de bouwhoogte van het bouwplan niet de nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods zou overschrijden. Niet in geschil is dat pas na ommekomst van de termijn voor het indienen van zienswijzen (eisers) duidelijk is geworden dat de nokhoogte van het bouwplan de nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods overschrijdt. De bezwaren van eisers zien op het (optimaal) functioneren van, alsmede het zicht op de molen [molen], hetgeen direct gerelateerd is aan het feit dat het bouwplan de nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods overschrijdt. Nu de bouwhoogte van de aanwezige bedrijfsloods niet kon worden afgeleid uit de bouwaanvraag noch uit de tekeningen die bij deze bouwaanvraag behoren, is de rechtbank van oordeel dat het eisers niet te verwijten is dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers ontvankelijk zijn in hun beroep.

wettelijke bepalingen

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Aangezien het geldende bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar, kan voorts ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO vrijstelling slechts worden verleend indien voor het gebied waarop het bouwplan betrekking heeft, door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit is genomen dan wel een ontwerp van een herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Bij besluit van 23 april 2008 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit vastgesteld voor de betreffende locatie. Dit besluit is op 12 juni 2008 in werking getreden en had een geldingsduur van één jaar. Voorts heeft de gemeenteraad bij besluit van 22 april 2009, dat in werking is getreden op 21 mei 2009, het voorbereidingsbesluit met een jaar verlengd.

vrijstelling

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Vreewijk-Oosterwei-Oud Goverwelle 1995". Het betrokken perceel heeft de bestemming "Bedrijven" met de nadere aanduiding "Transportbedrijf" en de bestemming "Waterkering". Volgens de bijbehorende planvoorschriften is de grond met de bestemming "Bedrijven" onder meer bestemd voor gebouwen ten behoeve van een transportbedrijf. Voor de bebouwing geldt een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 7 meter.

Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Immers, het bouwplan is in strijd met de doeleindenomschrijving en de ter plaatse geldende bouwhoogte. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

ruimtelijke onderbouwing

De ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van het bouwplan is opgenomen in een rapport van maart 2009, opgesteld door Visser en Wijtman Architekten. In de ruimtelijke onderbouwing is een uiteenzetting gegeven van het project met onder meer een omschrijving van de locatie. Voorts zijn de gemeentelijke en provinciale beleidskaders in deze ruimtelijke onderbouwing uiteengezet en wordt geconcludeerd dat het bouwplan past binnen deze beleidskaders. Tevens wordt aandacht geschonken aan de milieuaspecten die een rol spelen bij het bouwplan, te weten bodem, geluid, luchtkwaliteit, water, dijkbeheer, wet milieubeheer en externe veiligheid. In de ruimtelijke onderbouwing wordt voorts een uiteenzetting gegeven ten aanzien van de archeologie, de natuur en het landschap, de financiële aspecten en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bouwplan.

Met betrekking tot de molen [molen] is in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen dat er een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de te verwachten geluidsbelasting op de woningen door de molen alsmede een onderzoek naar de te verwachten hinder als gevolg van de door de molen te veroorzaken slagschaduw op de woningen. Voorts is ten aanzien van de molenbiotoop overwogen dat het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard (Hoogheemraadschap) reeds een keurvergunning heeft afgegeven voor het bouwplan waarbij is bepaald dat het bouwplan geen onoverkomelijke belemmering vormt voor de windvang van de molen. Ten slotte is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de ingebrachte zienswijzen.

In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat het bouwplan zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen.

standpunt eisers

Eisers kunnen zich niet met het bouwplan verenigen en hebben verkort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat door het bouwplan het functioneren van de molen binnen de molenbiotoop wordt aangetast. De gegarandeerde vrije windvang van de molen en het vrije zicht op de molen worden belemmerd. Voorts voeren eisers aan dat het bouwplan het functioneren van de molen belemmert, aangezien de molen zal zorgen voor aanzienlijk meer geluidsoverlast en slagschaduw op de te bouwen woningen dan thans uit de onderzoeken volgt. Eisers hebben gemotiveerd de aannames die ten grondslag liggen aan zowel het akoestische onderzoek als het slagschaduwonderzoek betwist. Voorts voeren eisers aan dat het bouwplan gesitueerd is buiten de bebouwingscontouren.

De rechtbank overweegt als volgt.

molenbiotoop

Ingevolge de nota "Regels voor Ruimte", opgesteld door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) geldt ten aanzien van ruimtelijk beleid binnen een molenbiotoop dat binnen een straal van 100 meter gerekend vanuit het middelpunt van de molen geen bebouwing mag worden opgericht. Echter in situaties waarin de vrije windvang en het zicht op de molen reeds beperkt zijn door bebouwing is afwijking van dit criterium mogelijk, mits de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder beperkt worden.

Niet in geschil is dat het bouwplan wordt opgericht binnen de molenbiotoop van de molen [molen]. Nu de vrije windvang en het zicht op de molen reeds zijn beperkt door de thans aanwezige opstallen ligt ter beoordeling voor of het bouwplan de vrije windvang en het zicht op de molen verder beperkt.

In de ruimtelijke onderbouwing is ten aanzien van de nokhoogte van de thans aanwezige opstallen het volgende opgenomen.

"Het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard heeft in het verleden medewerking verleend voor het bouwen van een loods met een nokhoogte van NAP + 7,50 meter (de bestaande bebouwing) en deze loods levert geen onoverkomelijke belemmering van de windvang op, zodat thans het Hoogheemraadschap bereid is medewerking te verlenen aan het bouwplan."

De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing een foutief beeld van de thans aanwezige bebouwing is gegeven. Immers, niet in geschil is dat de bestaande situatie afwijkt van de door het Hoogheemraadschap in het verleden vergunde situatie en dat de nokhoogte van het overgrote deel van de thans aanwezige bebouwing, de bedrijfsloods, geen NAP +7,50 meter is maar NAP + 7,09 meter. Voorts varieert de nokhoogte van de overige opstallen tussen NAP + 7,82 tot NAP + 8,48 meter.

Gezien het vorenoverwogene kan niet worden gesteld dat het besluit is gebaseerd op een van een juiste feitelijke grondslag voorziene ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft immers aan het thans bestreden besluit niet ten grondslag gelegd dat het bouwplan qua hoogte afwijkt van (het overgrote deel van) de thans aanwezige bebouwing en evenmin gemotiveerd waarom het bouwplan ondanks deze afwijking toch past binnen de provinciale beleidskaders ten aanzien van molenbiotopen. De bouwhoogte van de thans aanwezige opstallen is immers van invloed op de vraag of de windvang alsmede het zicht op de molen [molen] door het bouwplan worden beperkt.

Het beroep is in zoverre gegrond.

De rechtbank ziet echter aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

windvang

Ten behoeve van het bouwplan is een keurvergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Bij deze vergunningaanvraag worden door het Hoogheemraadschap de waterstaatkundige aspecten gewogen. Nu de molen [molen] zorgt voor het bemalen van de polder is de vraag of het bouwplan gevolgen heeft voor de windvang van de molen door het Hoogheemraadschap beoordeeld. Het Hoogheemraadschap heeft de aanvraag getoetst aan de door GS opgestelde Goedkeuringscriteria Molenbiotoop.

In 2005 heeft het Hoogheemraadschap vergunning verleend voor het bouwplan. Het Hoogheemraadschap is bij deze aanvraag ten onrechte uitgegaan van een nokhoogte van de thans aanwezige bedrijfsloods van NAP +7,50. Het Hoogheemraadschap heeft aan deze vergunning ten grondslag gelegd dat de thans aanwezige opstallen geen onoverkomelijke belemmering opleveren voor de windvang. De in 2005 verleende keurvergunning is vervallen nu vergunninghoudster van deze vergunning geen gebruik heeft gemaakt binnen de geldingsduur daarvan.

Vergunninghoudster heeft in 2008 een nieuwe vergunning gevraagd. Het Hoogheemraadschap is bij deze vergunningaanvraag uitgegaan van de daadwerkelijke hoogte van de thans aanwezige opstallen en heeft beoordeeld of deze afwijking ten opzichte van 2005 reden geeft om geen vergunning te verlenen of een lagere nokhoogte voor het bouwplan voor te schrijven. De aanvrager (vergunninghoudster) heeft bij het Hoogheemraadschap een tekening ingediend waarop is aangegeven dat het totale oppervlakte van de nog te realiseren bebouwing boven de molenstelling geen verslechtering oplevert ten opzichte van de bestaande situatie. Het Hoogheemraadschap heeft overwogen dat, nu er bij het bouwplan geen sprake is van een aaneengesloten front, er sprake zou kunnen zijn van een verbetering van de windvang. Om dit te beoordelen heeft het Adviesbureau Groen op 26 mei 2009 een rapportage uitgebracht aan het Hoogheemraadschap ten aanzien van de windbelemmering van het bouwplan. Uit dit rapport komt naar voren dat de windhinder in de nieuwe situatie gelijk blijft aan die van de oude situatie dan wel marginaal verbetert. Het Hoogheemraadschap heeft op 3 juni 2009 een vergunning afgegeven en heeft geconcludeerd dat er geen onoverkomelijke bezwaren zijn om medewerking te verlenen aan het bouwplan.

Deze keurvergunning is thans onherroepelijk.

Eisers hebben aangevoerd dat de door het Adviesbureau Groen opgestelde windvangberekening te beperkt is om de belemmering van de windvang van de molen [molen] vast te kunnen stellen en dat het onderzoek slechts deugdelijk kan worden uitgevoerd door middel van een windtunnel. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan het onderzoek van het Adviesbureau Groen dusdanige gebreken kleven dat verweerder dit, in navolging van het Hoogheemraadschap, niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De door eisers aangevoerde argumenten (ten aanzien van onder meer het aaneengesloten front en de wind waarover de molen met name draait) zijn, ook bezien tegen de achtergrond dat eiser uit hoofde van zijn functie van molenaar deskundig is op het gebied van de wind, daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het adviesbureau is gespecialiseerd op het gebied van molens en eisers geen stukken hebben overgelegd waaruit daadwerkelijk blijkt dat het bouwplan zal leiden tot beperking van de windvang.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in de thans aanhangige procedure, in navolging van het Hoogheemraadschap, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het bouwplan de windvang van de molen voldoende gewaarborgd is.

zicht op de molen

De rechtbank is van oordeel dat eisers met de door hen overgelegde tekeningen aannemelijk hebben gemaakt dat de nokhoogte van het bouwplan, alsmede de gewijzigde dakvorm van de bebouwing ter plaatse zou kunnen leiden tot een vermindering van zicht op de molen ten opzichte van de thans bestaande situatie. Bij de ruimtelijke onderbouwing had dan ook onderzoek moeten worden verricht naar de gevolgen van het bouwplan voor het zicht op de molen [molen], waarna vervolgens de resultaten van het onderzoek hadden moeten worden gerelateerd aan het provinciaal beleid te dien aanzien.

akoestisch onderzoek

Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat in opdracht van vergunninghoudster Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs een akoestisch onderzoek heeft verricht naar de geluidsbelasting op de woningen ten gevolge van de molen [molen]. Uit het rapport van 18 september 2006 volgt dat uitgaande van een gemiddelde situatie, het maximale toegestane geluidsniveau van 55 dB(A) niet zal worden overschreden. Voor bovengemiddelde situaties (incidentele situaties) zal het geluidsniveau niet meer dan 12 maal per jaar hoger zijn dan 55 dB(A). In de ruimtelijke onderbouwing wordt overwogen dat, gezien het beperkt aantal malen dat deze hogere geluidsniveaus optreden en de aanwezige achtergrondgeluidsniveaus bij de woningen tijdens deze situaties ook hoger zullen zijn, de akoestische situatie ter plaatse als acceptabel wordt beschouwd.

In het rapport van Cauberg-Huygen wordt in hoofdstuk 3 een omschrijving gegeven van de activiteiten van de molen [molen]. Bij de berekening van de overschrijding van de geluidsbelasting (paragraaf 5.1.1 van het onderzoek) wordt door de onderzoekers als uitgangspunt genomen dat als de molen overdag draait, de molen dan volle dagen draait van 12 uur (7/19 uur) en avonden van 4 uur (19/23 uur). Dit uitgangspunt wordt in het rapport niet onderbouwd.

Eisers hebben een overzicht overgelegd, gebaseerd op de maalstaten van de molen, waaruit blijkt hoeveel dagen/avonden en hoeveel uren de molen [molen] op de wieken draait. Uit het overzicht van eisers volgt dat gedurende een gemiddelde dagperiode de molen 7 uur draait en gedurende een gemiddelde avondperiode de molen 2,5 uur draait. Tevens volgt uit het overzicht dat de molen in de nachtelijke uren draait.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de bezwaren van eisers ten aanzien van het rapport van Cauberg-Huygen niet met de opstellers van het rapport zijn besproken.

De rechtbank is van oordeel dat de opstellers van het rapport ten aanzien van het aantal draaiuren per dag van de molen [molen] ten onrechte niet zijn uitgegaan van de maalstaten van de molen, zodat niet kan worden gesteld dat het onderzoek deugdelijk is uitgevoerd. Indien bij de door Cauberg-Huygen opgestelde berekening wordt uitgegaan van het daadwerkelijke aantal uren dat de molen [molen] op een dag/avond/nacht draait, is de te verwachten geluidsbelasting van de molen op de woningen vaker dan 12 maal per jaar hoger dan 55 dB(A).

De rechtbank is tevens van oordeel dat de overige bezwaren van eisers ten aanzien van het rapport van Cauberg-Huygen met de opstellers van het rapport hadden moeten worden besproken alvorens dit rapport aan de ruimtelijke onderbouwing (en vervolgens aan de verleende bouwvergunning en vrijstelling) ten grondslag kon worden gelegd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de rapportage niet blijkt dat Cauberg-Huygen deskundig is ten aanzien van windmolens en dat eiser [A] uit hoofde van zijn functie van molenaar wel als deskundige te dien aanzien kan worden aangemerkt.

onderzoek slagschaduw

In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat vergunninghoudster Van Grinsven Advies heeft verzocht een slagschaduwonderzoek te verrichten. In het rapport van juni 2008 wordt geconcludeerd dat de te verwachten jaarlijkse hinderduur door slagschaduw van de molen [molen] op de nieuw te bouwen appartementen maximaal circa 23 uur is en dat het gemiddelde aantal uren per jaar waarop bij een appartement gedurende meer dan 20 minuten hinder kan optreden minder dan zeventien zal zijn. De te verwachte hinder door slagschaduw voldoet aan de gangbare norm uit het Activiteitenbesluit die geldt voor nieuwe inrichtingen, aldus Van Grinsven.

Eisers hebben eveneens ten aanzien van dit onderzoek een aantal aannames gemotiveerd betwist. De rechtbank is eveneens ten aanzien van dit onderzoek van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om de opstellers van het rapport op de bezwaren van eisers te laten reageren. Ook te dien aanzien is de rechtbank van oordeel dat uit de rapportage niet volgt dat Van Grinsven deskundig is ten aanzien van windmolens en eiser [A] uit hoofde van zijn functie van molenaar wel als deskundig is te beschouwen. De rechtbank is van oordeel dat dit onderzoek dan ook niet zonder meer aan de ruimtelijke onderbouwing (en vervolgens aan de verleende bouwvergunning en vrijstelling) ten grondslag had mogen worden gelegd.

bebouwingscontouren

Het bouwplan behelst herontwikkeling van de bedrijfslocatie van het transportbedrijf [D], waarbij ongewenste bedrijfsbebouwing wordt vervangen door gewenste woonbebouwing. De rechtbank is van oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd dat het bouwplan, ondanks het feit dat het bouwplan buiten de bebouwingscontouren is gesitueerd, toch past binnen het provinciaal beleid. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat GS met de afgifte van de verklaring van geen bezwaar op 17 maart 2009 met deze motivering van de ruimtelijke onderbouwing hebben ingestemd.

resumerend ruimtelijke onderbouwing

Gezien het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesteld dat het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

verklaring van geen bezwaar

GS hebben op 17 maart 2009 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Verweerder stelt dat GS met deze verklaring van geen bezwaar hebben aangegeven dat het bouwplan past binnen de provinciale beleidskaders en dat GS hiermee tevens hebben ingestemd met een eventuele beperking van het zicht op de molen.

GS hebben met de brief van 17 maart 2009 volstaan met de mededeling dat zij, de VROM-inspecteur gehoord, de benodigde verklaring van geen bezwaar afgeven en dat zij instemmen met de weerlegging van de naar voren gebrachte zienswijzen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat GS met deze verklaring van geen bezwaar hebben ingestemd met een eventuele beperking van het zicht op de molen, nu dit in de verklaring niet is terug te vinden. Noch heeft GS gemotiveerd dat het bouwplan past binnen de nota "Regels voor Ruimte" dan wel een deugdelijke motivering gegeven voor een afwijking hiervan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij het thans bestreden besluit geen gebruik heeft mogen maken van deze verklaring van geen bezwaar van GS. Nu de rechtbank tevens heeft geoordeeld dat het bouwplan niet is voorzien van een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing zal ook te dien aanzien aan GS een nieuwe verklaring van geen bezwaar moeten worden gevraagd.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank erop dat, de rechtbank in de overwegingen van deze uitspraak een aantal beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Om te voorkomen dat deze verwerping in rechte komt vast te staan, kan tegen deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld.

II BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten€ 150,-, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. L. Koper, mr. G.P. Verbeek, en mr. A.C.M. van Wesenbeeck in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.