Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1596

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/2466 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat verweerder reeds een bedrag aan wettelijke rente aan eiser heeft toegekend, berekend vanaf 10 december 2002. Hierbij heeft verweerder in het nieuwe besluit op bezwaar van 4 mei 2010 zeer ruimhartig eisers brief van 15 oktober 2002 aangemerkt als een verzoek om herziening van zijn suppletie en de ingangsdatum van de rente vervolgens bepaald op de dag volgend op de termijn waarin uiterlijk had moeten worden beslist op eisers hiervoor genoemde verzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor een verdergaande toekenning van wettelijke rente.

Eiser heeft naar uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt ten aanzien van het onrechtmatige besluit van 2 december 1999 niet tijdig gebruik gemaakt van het daartegen openstaande rechtsmiddel. In meerdere uitspraken, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2005, LJN AU8837, heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat dit rechtsmiddel speciaal is gegeven om onrechtmatige besluiten te redresseren en daartoe zonodig de weg naar de onafhankelijke bestuursrechter te openen. Naar het oordeel van de rechtbank had een tijdige gebruikmaking van dat rechtsmiddel in redelijkheid van eiser kunnen worden verwacht. Dit brengt in het licht van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek mee dat de door eiser gestelde schade volledig het gevolg is van omstandigheden die aan hem moeten worden toegerekend, nu hij niet heeft gedaan hetgeen mogelijk en redelijkerwijs noodzakelijk was om de nadelige gevolgen van het onrechtmatige besluit te voorkomen of ongedaan te maken. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet onbillijk is dat op verweerder, buiten hetgeen reeds aan eiser is vergoed, geen verdergaande vergoedingsplicht meer rust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/2466 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[Eiser], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. H.J.M.G.M. van der Meijden,

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij brief van 23 maart 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 februari 2010, waarbij verweerder alsnog een schadevergoeding in de vorm van wettelijk rente van € 3922,23 heeft toegekend.

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft verweerder het besluit van 22 februari 2010 ingetrokken en een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente van € 7930,67 toegekend. Na aftrek van de reeds betaalde schadevergoeding is eiser een bedrag van € 4008,44 betaalbaar gesteld.

Bij brief van 1 juni 2010 heeft eiser te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het nieuwe besluit en aanvullende gronden van beroep ingediend. De gronden van beroep zijn nader aangevuld bij brief van 5 november 2010.

Verweerder heeft bij brief van 22 juni 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het bovengenoemde beroep heeft plaatsgevonden op

14 december 2010. Eiser en verweerder hebben schriftelijk te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn.

II OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is bij besluit van 2 december 1999 recht op suppletie toegekend over de periode van 1 juni 1999 tot en met 13 november 2003, berekend naar een percentage van respectievelijk 80 en 70. In deze beslissing is vermeld dat bij eiser gebreken zijn vastgesteld die verband houden met de uitoefening van de militaire dienst zoals bedoeld in artikel E11 van de Algemene militaire pensioenwet. De hieruit voortvloeiende invaliditeit is vastgesteld op 10%. Tegen het besluit van 2 december 1999 heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2 Na een daartoe strekkend verzoek van eiser medio 2006, is hem bij besluit van

18 september 2009 over de periode van 1 juni 1999 tot 1 december 2004 recht op suppletie toegekend naar een berekeningspercentage van 90,02, omdat in eisers situatie sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband.

1.3 Eisers verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente is bij separate beslissing van 18 september 2009 afgewezen.

1.4 Tegen dit laatstgenoemde besluit heeft eiser bij brief van 24 oktober 2009 bezwaar gemaakt.

1.5 Bij besluit op bezwaar van 22 februari 2010 is eiser een schadevergoeding in de vorm van wettelijk rente van € 3922,23 toegekend. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de ingangsdatum van de wettelijke rente is bepaald op 1 september 2006, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin uiterlijk had moeten worden beslist op eisers verzoek om herziening van zijn suppletie.

2.1Hangende het beroep heeft verweerder op 4 mei 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van eiser mede geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 4 mei 2010.

2.2 Nu het besluit van 4 mei 2010 in de plaats is getreden van het besluit van

22 februari 2010, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke toetsing van laatstgenoemd besluit. Voor zover daartegen gericht zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Ten aanzien van het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2010 overweegt de rechtbank als volgt.

3.1Bij e-mail van 12 maart 2010 heeft eiser verweerder verzocht om terug te komen van zijn beslissing van 22 februari 2010. Eiser heeft in dat kader een brief van 15 oktober 2002 overgelegd.

3.2 Verweerder heeft eisers brief van 15 oktober 2002 aangemerkt als een verzoek om herziening van zijn suppletie en daarin aanleiding gezien de ingangsdatum van de wettelijke rente nader vast te stellen op 10 december 2002, zijnde de dag volgend op de termijn waarin uiterlijk had moeten worden beslist op eisers verzoek om herziening van zijn suppletie. Na aftrek van de reeds betaalde schadevergoeding is eiser bij besluit van 4 mei 2010 aanvullend een bedrag van € 4008,44 betaalbaar gesteld.

3.3 In dit geding staat de vraag centraal of dit nieuwe besluit van verweerder op juiste gronden berust. Het geschil tussen partijen spitst zich daarbij toe op de ingangsdatum van de wettelijke rente.

4.1 De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder in zijn besluit van 4 mei 2010 heeft erkend dat het besluit van 2 december 1999 onrechtmatig was, omdat in deze beslissing reeds is vastgesteld dat er sprake was van arbeidsongeschiktheid met dienstverband. Verweerder is van mening dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van het besluit van 2 december 1999 voor risico van eiser komen. Daartoe acht verweerder doorslaggevend dat eiser destijds geen rechtsmiddel tegen het besluit van 2 december 1999 heeft aangewend. Bovendien is eerst na geruime tijd een verzoek om herziening van de suppletie ingediend.

4.2 De rechtbank merkt voorts op dat bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aansluiting zoekt bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Naar constante jurisprudentie van de Raad - zie onder meer de uitspraak van de Raad van 15 december 2005, LJN AU8837 - is met de erkenning van de onrechtmatigheid van een besluit, tevens de toerekening van die onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan gegeven. Dit betekent dat op verweerder in beginsel de verplichting rust om de schade die het gevolg is van het onrechtmatige besluit te vergoeden.

5.1De rechtbank stelt voorop dat verweerder reeds een bedrag aan wettelijke rente aan eiser heeft toegekend, berekend vanaf 10 december 2002. Hierbij heeft verweerder in het nieuwe besluit op bezwaar van 4 mei 2010 zeer ruimhartig eisers brief van 15 oktober 2002 aangemerkt als een verzoek om herziening van zijn suppletie en de ingangsdatum van de rente vervolgens bepaald op de dag volgend op de termijn waarin uiterlijk had moeten worden beslist op eisers hiervoor genoemde verzoek.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor een verdergaande toekenning van wettelijke rente.

Eiser heeft naar uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt ten aanzien van het onrechtmatige besluit van 2 december 1999 niet tijdig gebruik gemaakt van het daartegen openstaande rechtsmiddel. In meerdere uitspraken, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2005, LJN AU8837, heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat dit rechtsmiddel speciaal is gegeven om onrechtmatige besluiten te redresseren en daartoe zonodig de weg naar de onafhankelijke bestuursrechter te openen. Naar het oordeel van de rechtbank had een tijdige gebruikmaking van dat rechtsmiddel in redelijkheid van eiser kunnen worden verwacht. Dit brengt in het licht van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek mee dat de door eiser gestelde schade volledig het gevolg is van omstandigheden die aan hem moeten worden toegerekend, nu hij niet heeft gedaan hetgeen mogelijk en redelijkerwijs noodzakelijk was om de nadelige gevolgen van het onrechtmatige besluit te voorkomen of ongedaan te maken. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet onbillijk is dat op verweerder, buiten hetgeen reeds aan eiser is vergoed, geen verdergaande vergoedingsplicht meer rust.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

7. In de omstandigheid dat verweerder in de loop van de beroepsprocedure het bezwaar van eiser alsnog gegrond heeft verklaard en een nieuw besluit heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 437,-- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 februari 2010 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 150,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 437,-.

Aldus vastgesteld door mr. C.C. de Rijke-Maas, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. A.P.J. Heesen.

RECHTER VERHINDERD TE TEKENEN

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.