Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1534

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
373658
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie in verband met niet-beoordelen van de draagkracht in een eerdere procedure.

Is een fout van advocaat ook grond voor wijziging? Proceskostenveroordeling

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011/50
JPF 2011/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-6577

Zaaknummer: 373658

Datum beschikking: 4 januari 2011

Alimentatie

Beschikking op het op 13 augustus 2010 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. N.T. Vogelaar te Wateringen (gemeente Westland).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

-het verzoekschrift;

-het verweerschrift;

-de brief van de zijde van de man d.d. 19 november 2010 met bijlagen.

Op 30 november 2010 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen met hun advocaten. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief van de zijde van de man d.d. 7 december 2010 met bijlagen;

- de brief van de zijde van de vrouw d.d. 9 december 2010 met bijlage;

- de brief van de zijde van de man d.d. 14 december 2010 met bijlagen.

Feiten en verzoek

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1981 met elkaar gehuwd. De echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank d.d. 8 april 2009 is op 21 augustus 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking d.d. 17 maart 2010 heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage de door de man met ingang van 21 augustus 2009 aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van haar levensonderhoud bepaald op € 2.450,-- per maand.

Het verzoekschrift van de man strekt tot wijziging van voormelde beschikking, in die zin dat de man thans verzoekt de aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 2 juni 2008 vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De beschikking van het Hof d.d. 17 maart 2010 is op de voet van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 en 4 van het Burgerlijk Wetboek voor wijziging of intrekking vatbaar, wanneer zij door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven, dan wel indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord omdat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Nu de man zijn verzoek doet steunen op de stellingen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en dat het Hof bij zijn beschikking is uitgegaan van onvolledige gegevens, kan de man worden ontvangen in zijn verzoek.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat het verzoek van de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de man cassatieberoep heeft ingesteld tegen de beschikking van het Hof en op dit beroep nog niet is beslist. Zou de Hoge Raad de beschikking van het Hof vernietigen en de zaak verwijzen naar een ander Gerechtshof, dan ontstaat weliswaar een gecompliceerde situatie, maar er bestaat geen wettelijk beletsel om naast het instellen van cassatieberoep óók een wijzigingsverzoek in te dienen. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook beoordelen.

Wijziging omstandigheden

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een belangrijke wijziging van omstandigheden, nu de beide kinderen van partijen inmiddels zelfstandige woonruimten hebben betrokken.

Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de kinderen van partijen inmiddels op zichzelf wonen niet een zodanig relevante wijziging van omstandigheden is, dat moet worden overgegaan tot herbeoordeling van de vastgestelde onderhoudsbijdrage. In dit verband overweegt de rechtbank dat partijen ter zitting hebben verklaard dat de meerderjarige zoon van partijen ten tijde van de procedure bij het Hof bij de man inwoonde. Bij de vaststelling van de partneralimentatie is daarom geen rekening gehouden met de aanwezigheid van de zoon in het huishouden van de vrouw. De omstandigheid dat de zoon inmiddels een eigen woning heeft betrokken is dan ook geen wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vrouw. Voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat de omstandigheden aan zijn zijde zijn gewijzigd, nu hij sinds het vertrek van de zoon uit zijn woning een aanvullende bijdrage aan de zoon betaalt, overweegt de rechtbank dat een dergelijke wijziging van omstandigheden, die het gevolg is van een eigen keuze van de man en waarover de man geen overleg heeft gepleegd met de vrouw, niet noopt tot een herbeoordeling van de vastgestelde partneralimentatie.

Tussen partijen is niet in geschil dat de jongmeerderjarige dochter van partijen recentelijk de woning van de moeder heeft verlaten. Te verwachten valt dat de vrouw als gevolg van het vertrek van de dochter voor de gemeentelijke belastingen niet langer zal worden aangeslagen als een meerpersoonshuishouden en wellicht zal haar energieverbruik iets verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank is de daarmee gepaard gaande lastenverlichting echter zodanig klein dat het vertrek van de dochter niet kan worden aangemerkt als een rechtens relevante wijziging die moet leiden tot een hernieuwde vaststelling van de partneralimentatie.

Niet beantwoorden alimentatiebeschikking aan wettelijke maatstaven

De man heeft daarnaast gesteld dat de beschikking van het Hof van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven, enerzijds nu het Hof de behoefte van de vrouw te hoog heeft vastgesteld en anderzijds nu het Hof niet heeft beoordeeld of de man voldoende draagkracht heeft om de vastgestelde onderhoudsbijdrage te voldoen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de door man overgelegde stukken niet blijkt dat de vrouw in de procedure die heeft geleid tot vaststelling van de bestreden partneralimentatie haar gestelde behoefte heeft verminderd. Weliswaar heeft de vrouw bij pleidooi in hoger beroep aangegeven dat zij bereid was in overleg te treden over de hoogte van haar behoefte, maar klaarblijkelijk heeft dit aanbod niet geleid tot enig overleg. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van de man dat het Hof de partneralimentatie hoger heeft vastgesteld dan de door de vrouw gestelde behoefte en dat de beschikking om die reden niet voldoet aan de wettelijke maatstaven. Anders dan de man klaarblijkelijk beoogt, ziet de rechtbank bovendien geen reden de stellingen die partijen in de procedure bij het Hof over en weer hebben betrokken ten aanzien van de behoefte van de vrouw opnieuw te wegen. Blijkens de rechtsoverwegingen 8 tot en met 16 heeft het Hof de argumenten van partijen genoegzaam afgewogen. De rechtbank oordeelt dan ook dat het Hof de netto behoefte van de vrouw zonder miskenning van wettelijke maatstaven heeft vastgesteld op € 3.388,-- en de behoeftigheid op € 2.450,-- bruto per maand.

De man stelt terecht dat het Hof niet heeft beoordeeld of de man beschikt over voldoende draagkracht om de vastgestelde onderhoudsbijdrage te voldoen. In dit verband overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde processtukken niet blijkt dat de man in de echtscheidingsprocedure een draagkrachtverweer heeft gevoerd, zodat het Hof naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden was tot een onderzoek naar de draagkracht van de man. Uit vaste rechtspraak (vgl. HR 7 oktober 1994, NJ 1995, 60 en HR 28 mei 2004, NJ 2004, 475, m.nt. S.F.M. Wortmann) volgt echter dat een procespartij óók een beroep kan doen op de stelling dat de beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, wanneer het aan hemzelf te wijten is dat in de eerdere beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De omstandigheid dat de man geen draagkrachtverweer heeft gevoerd en dat het Hof als gevolg daarvan de draagkracht van de man niet heeft beoordeeld, staat er derhalve niet aan in de weg dat de man zich thans op het standpunt stelt dat de door het Hof vastgestelde onderhoudsbijdrage van meet af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven. Nu het Hof de draagkracht van de man niet heeft beoordeeld, komt de rechtbank tot de conclusie dat de beschikking van het Hof niet voldoet aan de wettelijke maatstaven. Derhalve bestaat aanleiding om de draagkracht van de man alsnog te beoordelen.

Draagkracht man

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen van € 120.846,-- bruto per jaar, zoals dat blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2009. Op dit jaarinkomen moet echter conform de tremanormen een bedrag van € 12.170,-- ter zake van de fiscale bijtelling auto in mindering worden gebracht. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.234,-- per jaar.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 5.215,-- per maand.

De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- de fiscaal niet aftrekbare hypotheekrente van € 879,--;

- de premie levensverzekering van € 91,--;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,--;

- de premie zorgverzekering van € 119,--;

- de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 186,--.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

- de correcties jaaropgaaf van € 991,--. Naar de rechtbank ter zitting heeft begrepen wil de man op deze manier zijn daadwerkelijke maandelijkse lasten verdisconteren in de draagkrachtberekening. Naar het oordeel van de rechtbank ziet een en ander voorbij aan het systeem op basis waarvan de draagkracht van een alimentatieplichtige vastgesteld pleegt te worden. Voor zover de man lasten heeft die niet zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, dient hij deze uit zijn vrije ruimte te voldoen. De rechtbank gaat aan deze gestelde "correctiepost" dan ook voorbij.

- de werkelijke verwervingskosten van € 127,--. Nu de vrouw deze kostenpost heeft betwist en de man deze niet nader heeft onderbouwd, laat de rechtbank deze last buiten beschouwing.

- de bijdrage aan de meerderjarige zoon van partijen van € 903,--. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij de zoon volgens afspraak tussen partijen maandelijks een bedrag van € 200,-- betaalde. Daarnaast nam de man de kosten van de ziektekostenverzekering van de zoon ten bedrage van € 128,-- voor zijn rekening. Nu de zoon een eigen woning heeft betrokken, heeft de man zijn maandelijkse bijdrage verhoogd tot € 775,--. Naar het oordeel van de rechtbank strekt een dergelijke verhoging van de onderhoudsbijdrage van de zoon van partijen, die de man heeft doorgevoerd zonder voorafgaand overleg met de vrouw, niet ten nadele van de reeds vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw. De rechtbank houdt dan ook slechts rekening met de ouderbijdrage van € 200,-- waarover partijen in een eerder stadium overeenstemming hebben bereikt. Wanneer de man een aanvullende bijdrage wenst te voldoen, kan de man daarvoor zijn vrije ruimte aanwenden. Daarenboven houdt de rechtbank rekening met de door de man ten behoeve van de zoon te betalen premie zorgverzekering, nu niet in geschil is dat de man deze premie tot op heden heeft voldaan en hij heeft aangeboden deze premie ook in de toekomst te blijven betalen. De rechtbank houdt aldus rekening met een bedrag van € 328,-- als bijdrage aan de meerderjarige zoon van partijen.

- de rente en aflossing aan de Rabobank van respectievelijk € 75,-- en € 187,--. Nu de vrouw heeft betwist dat deze lasten strekken ten nadele van haar onderhoudsbijdrage en de man niet nader heeft onderbouwd waarom het noodzakelijk was een schuld aan te gaan, gaat de rechtbank aan deze kostenpost voorbij.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Aldus is aan de zijde van de man, rekening houdend met het door hem te verkrijgen fiscale voordeel, een bedrag van € 3.568,-- beschikbaar voor partneralimentatie.

Jusvergelijking

De rechtbank acht het niet redelijk als de vrouw als gevolg van de door de man te betalen partneralimentatie een groter vrij te besteden bedrag per maand overhoudt dan de man. Gelet hierop heeft de rechtbank een zogenaamde vergelijking van de jus van partijen gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank aan de zijde van beide partijen uitsluitend de noodzakelijke lasten in aanmerking genomen. Aan de zijde van de man heeft de rechtbank rekening gehouden met het hiervoor genoemde inkomen en de reeds genoemde lasten. Bovendien is gerekend met de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

Aan de zijde van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de door de man in productie 15 bij brief van 19 november 2010 opgevoerde inkomsten en lasten, nu de vrouw deze niet heeft betwist. Aldus neemt de rechtbank in aanmerking een bruto maandinkomen van € 2910,--, te vermeerderen met vakantiegeld en een belaste onkostenvergoeding van € 519,-- per jaar. De rechtbank neemt bovendien in aanmerking de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2340,-- per jaar een pensioenpremie van € 2792,-- per jaar.

De rechtbank houdt bovendien rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de navolgende lasten:

- de huurlasten van € 750,-- per maand;

- de premie zorgverzekering van € 130,-- per maand;

- de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 195,-- per maand.

In het licht van deze vergelijking stelt de rechtbank vast dat bij een bijdrage van € 2.300,-- de vrij besteedbare ruimte voor de man en de vrouw gelijk is. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man aan de vrouw een maandelijkse bijdrage van € 2.300,-- verschuldigd is.

Ingangsdatum

De man heeft verzocht de gewijzigde onderhoudsbijdrage vast te stellen met ingang van 2 juni 2008. Nu de omstandigheid dat het Hof geen rekening heeft gehouden met de draagkracht van de man valt te wijten aan de procesvoering door de man, terwijl de rechtbank bovendien aannemelijk acht dat de vrouw de door haar ontvangen onderhoudsbijdrage in overeenstemming met haar behoefte reeds heeft uitgegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding de door de man verschuldigde partneralimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. De rechtbank zal - in navolging van het door de vrouw gevoerde betoog - de gewijzigde onderhoudsbijdrage vaststellen met ingang van 13 augustus 2010, nu de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een vermindering van de partneralimentatie.

Proceskosten

De vrouw heeft verzocht de man in de proceskosten te veroordelen, omdat deze procedure het gevolg is van een door de advocaat van de man in de echtscheidingsprocedure gemaakte fout en zij daardoor onnodig op kosten wordt gejaagd.

Ingevolge artikel 289 Rv kan de rechtbank een proceskostenveroordeling uitspreken. In verzoekschriftprocedures tussen gewezen echtgenoten worden de proceskosten doorgaans gecompenseerd, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Indien kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij, kunnen deze als nodeloze kosten ten laste worden gebracht van de partij die deze heeft veroorzaakt. Hieronder vallen ook nodeloze kosten die zijn veroorzaakt doordat onnodig wordt geprocedeerd. De rechtbank verwijst daarvoor naar de conclusie van Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent bij HR 10 december 2010, LJN BO3344, par. 2.18 t/m 2.21.

Hoewel de rechtbank met de vrouw van mening is dat deze procedure had kunnen worden voorkomen wanneer de man reeds in de echtscheidingsprocedure een draagkrachtverweer had gevoerd, en hoewel het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand had gelegen dat de man de uitkomst van de tussen partijen aanhangige cassatieprocedure had afgewacht alvorens een nieuwe procedure te entameren, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van "nodeloze kosten" als hiervoor vermeld. In dit verband overweegt de rechtbank dat de wet niet uitsluit dat een wijzigingsprocedure wordt gestart alvorens de Hoge Raad heeft beslist over de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht. Daarenboven is de wijzigingsgrond van artikel 1:401 lid 4 BW uitdrukkelijk ook bedoeld voor die gevallen waarin een rechterlijke uitspraak niet aan de wettelijke maatstaven voldoet als gevolg van een fout van één van de procespartijen. De rechtbank oordeelt dan ook dat de man geen misbruik heeft gemaakt van het hem ten dienste staande procesrecht.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen en de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank: - met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 17 maart 2010 van het gerechtshof te 's-Gravenhage -:

bepaalt de door de man met ingang van 13 augustus 2010 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 2.300,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Don in tegenwoordigheid van mr. G. Kolkman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2011.