Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1436

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
381825 - KG ZA 10-1516
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, vordering tot verbod tenuitvoerlegging vervangende hechtenis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 381825 / KG ZA 10-1516

Vonnis in kort geding van 19 januari 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.J.R. Roethof te Arnhem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. V. van Dam te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 11 januari 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 22 december 2006 is eiseres aangehouden op de luchthaven Schiphol op verdenking van drugssmokkel. Op dat moment bediende zij zich van het paspoort op naam van mevrouw [Y.] (hierna: '[Y.]').

1.2. In verband met de drugssmokkel heeft het openbaar ministerie tegen eiseres vervolging ingesteld. Zowel bij haar aanhouding als bij de verhoren door de rechter-commissaris en de raadkamer voorafgaande aan de verlening van de bevelen tot toepassing van voorlopige hechtenis heeft eiseres gebruik gemaakt van de persoonsgegevens van [Y.].

1.3. Op 4 januari 2007 is aan eiseres in persoon een dagvaarding betekend om op 7 maart 2007 te verschijnen voor de politierechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de politierechter).

1.4. Bij vonnis van 7 maart 2007 is eiseres, die nog altijd gebruik maakte van de persoonsgegevens van [Y.], tijdens een op tegenspraak gehouden terechtzitting door de politierechter veroordeeld tot onder meer een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Dit vonnis is op 22 maart 2007 onherroepelijk geworden.

1.5. Vervolgens heeft de reclassering voor de uitvoering van de werkstraf eiseres opgeroepen onder de door haar opgegeven personalia op het door haar opgegeven adres, derhalve op naam van [Y.] en op het adres van [Y.].

1.6. De opgelegde werkstraf is niet verricht. Op 18 september 2007 heeft het openbaar ministerie de werkstraf omgezet in de vervangende hechtenis van 120 dagen. De kennisgeving van deze omzetting is verzonden aan [Y.].

1.7. [Y.] heeft bezwaar gemaakt tegen deze omzetting. Bij beschikking van 14 november 2007 heeft de politierechter geoordeeld dat [Y.] niet degene is die bij vonnis van 7 maart 2007 is veroordeeld tot een taakstraf en hij heeft het bezwaar van [Y.] gegrond verklaard.

1.8. Op 27 augustus 2010 is eiseres aangehouden en in verzekering gesteld in verband met het opzettelijk gebruikmaken van een niet op haar naam gesteld paspoort op 22 december 2006. Bij die gelegenheid is aan eiseres meegedeeld dat de nog niet verrichte werkstraf is omgezet in vervangende hechtenis.

1.9. Bij vonnis van 7 september 2010 heeft de politierechter eiseres veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, wegens het opzettelijke gebruikmaken van een niet op haar naam gesteld reisdocument. Tegen deze beslissing heeft eiseres hoger beroep ingesteld. Op dit beroep is nog niet beslist.

1.10. Bij bezwaarschrift van 10 september 2010 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de omzetting van de op 7 maart 2007 uitgesproken werkstraf.

1.11. Bij beschikking van 7 oktober 2010 heeft de politierechter eiseres in haar bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. In deze beschikking heeft de politierechter onder meer overwogen dat eiseres niet binnen de bij wet voorgeschreven termijn bezwaar heeft gemaakt tegen die omzetting. In zijn oordeel heeft de politierechter mede betrokken dat niet is gesteld of gebleken dat eiseres harerzijds iets heeft ondernomen om tot het verrichten van de aan haar opgelegde werkstraf te komen.

2. Het geschil

2.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde op straffe van een dwangsom te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis waarin de taakstraf is omgezet in een gevangenisstraf.

2.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan.

Het vonnis van 7 maart 2007 is gewezen tegen [Y.] en kan dan ook niet tegen eiseres ten uitvoer worden gelegd. Dit geldt temeer nu [Y.] volgens eiseres herziening van dat vonnis heeft gevraagd, zodat dat vonnis is komen te vervallen.

Voorts is eiseres pas op 27 augustus 2010 bekend geworden met de omzetting van de bij dat vonnis opgelegde werkstraf. Gelet op artikel 22i Wetboek van Strafrecht kon het openbaar ministerie op dat moment echter geen bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis meer geven, aangezien de termijn daarvoor was verstreken.

Eiseres is dan ook in haar bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Daar komt bij dat eiseres voor het gebruik van het paspoort van [Y.] wordt vervolgd in een andere procedure. Het is dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid om over te gaan tot tenuitvoerlegging van de omgezette werkstraf, aangezien eiseres daardoor als het ware dubbel wordt gestraft voor het gebruik van dat paspoort.

Voorts geldt dat de drugssmokkel dateert uit 2006 en eiseres sindsdien in geheel andere persoonlijke omstandigheden verkeert. Eiseres heeft een gezin met drie kinderen en daarnaast werkt zij 30 à 35 uur in de week. De belangen van eiseres bij het zorgen voor haar gezin en het behoud van haar baan dienen zwaarder te wegen dan het belang van gedaagde bij tenuitvoerlegging van de omzetting van de werkstraf. Eiseres moet minst genomen in de gelegenheid worden gesteld de werkstraf alsnog uit te voeren. Gelet op het voorgaande heeft eiseres een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vordering.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Aangezien eiseres kennelijk van mening is dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt, is de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - bevoegd tot kennisneming van de vordering. Eiseres is in haar vordering ook ontvankelijk, nu voor hetgeen zij wil bereiken - een verbod op tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis - geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang meer ter dienste staat. Bij beschikking van 7 oktober 2010 is eiseres immers niet-ontvankelijk verklaard in haar op de voet van artikel 22g Wetboek van Strafrecht (Sr) ingediende bezwaarschrift en ingevolge artikel 22h jo 14j Sr staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open.

3.2. Bij de beoordeling van de vraag of gedaagde gerechtigd is over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis staat voorop dat het openbaar ministerie - orgaan van gedaagde - op grond van art 553 en 561 Wetboek van Strafvordering verplicht is om onherroepelijk geworden uitspraken van de strafrechter zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er voorts in beginsel aan in de weg dat de burgerlijke rechter de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken beoordeelt. De hiervoor genoemde verplichting van het openbaar ministerie kan in beginsel dus niet, laat staan in volle omvang, worden getoetst.

3.3. Voor het maken van een uitzondering op deze toedeling van bevoegdheden kan grond bestaan in het (zeer uitzonderlijke) geval waarin een dadelijke en/of onverkorte tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke uitspraak strijdig is met fundamentele rechten van een veroordeelde. Deze kan zich in zo'n geval tot de burgerlijke rechter wenden, en in spoedeisende gevallen tot de voorzieningenrechter in kort geding. In zoverre kan de stelling van gedaagde dat de gang naar de voorzieningenrechter in het geheel niet openstaat, niet worden aanvaard.

3.4. Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis jegens haar onrechtmatig is aangezien (i) het vonnis niet tegen haar gewezen zou zijn; (ii) het vonnis in verband met de door [Y.] gevraagde herziening is komen te vervallen; (iii) de wettelijke termijn voor het omzetten van de werkstraf niet in acht genomen zou zijn; (iv) dat eiseres door de omzetting van de werkstraf in vervangende hechtenis dubbel wordt gestraft voor het gebruik van het paspoort van [Y.]; en (v) het belang van eiseres bij het niet-uitvoeren van de vervangende hechtenis zwaarder moet wegen dan het belang van gedaagde bij uitvoering ervan.

Met betrekking tot deze bezwaren wordt als volgt overwogen.

3.5. Eiseres heeft erkend dat zij, gebruikmakend van de naam van [Y.], degene was die is aangehouden op 22 december 2006 en dat zij, nog altijd gebruikmakend van de naam van [Y.], op 7 maart 2007 als verdachte terecht heeft gestaan en is veroordeeld tot de werkstraf van 240 uur. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat het vonnis van 7 maart 2007 is gewezen tegen eiseres en tegen niemand anders. Dit betekent dat ook de omzetting van de werkstraf in vervangende hechtenis betrekking moet hebben op eiseres.

3.6. Uit niets blijkt dat [Y.] herziening van het vonnis van 7 maart 2007 heeft gevraagd, laat staan dat dit verzoek is toegewezen. Dit verweer zal dan ook, bij gebrek aan feitelijke grondslag, moeten worden gepasseerd. Voor zover eiseres doelt op de beschikking van de politierechter van 14 november 2007, geldt dat deze slechts tot gevolg had dat de vervangende hechtenis niet meer jegens [Y.] ten uitvoer kon worden gelegd. Niet valt in te zien waarom deze beschikking ertoe zou moeten leiden dat de vervangende hechtenis niet (alsnog) jegens eiseres ten uitvoer kan worden gelegd.

3.7. Van schending van de termijn van artikel 22i Sr is evenmin sprake. Ingevolge artikel 22i jo 21c Sr dient het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis (derhalve de omzetting van de werkstraf in vervangende hechtenis) in beginsel te bevelen binnen een jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis waarin de werkstraf is opgelegd. In de onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging bevolen op 18 september 2007, derhalve ruimschoots binnen een jaar na 22 maart 2007, de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis van 7 maart 2007. Van deze omzetting heeft het openbaar ministerie een kennisgeving verzonden aan de bij hem bekende veroordeelde op het daarbij horende adres. Dat eiseres hiervan naar eigen zeggen pas op of omstreeks 27 augustus 2010 kennis heeft genomen, maakt dat niet anders. Bepalend is immers de datum van de omzetting en niet de datum van de kennisneming daarvan door de veroordeelde. Daar komt bij dat het aan eiseres te wijten is dat zij geen kennis heeft genomen van de omzetting, aangezien zij zich gedurende de gehele procedure bediend heeft van de identiteit van [Y.].

3.8. Anders dan eiseres kennelijk meent, heeft artikel 22i Sr slechts betrekking op de bevoegdheid van het openbaar ministerie om de tenuitvoerlegging te bevelen, en derhalve niet op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die vervangende hechtenis. Op grond van artikel 76 Sr vervalt het recht van uitvoering van een straf door (executie)verjaring. Niet valt in te zien dat dit anders is voor de in vervangende hechtenis omgezette werkstraf.

Hoewel aan eiseres moet worden toegegeven dat geruime tijd is verstreken sinds de oplegging van de werkstraf en de omzetting ervan in vervangende hechtenis, is gelet op artikel 76 en 70 Sr jo 2 en 10 lid 5 Opiumwet nog lang geen sprake van executieverjaring. Daar komt bij dat het tijdsverloop (grotendeels) aan eiseres zelf te wijten is. Niet is gesteld of gebleken dat gedaagde een aandeel heeft gehad in de opgetreden vertraging in de tenuitvoerlegging of dat dit tijdsverloop anderszins strijdig is met fundamentele rechten van eiseres.

3.9. Ook de stelling van eiseres dat zij dubbel wordt gestraft voor gebruikmaking van de identiteit van [Y.] moet worden gepasseerd. De vervangende hechtenis is immers opgelegd in verband met het niet-uitvoeren van de werkstraf die is opgelegd voor de drugssmokkel, terwijl het opzettelijk gebruikmaken van het paspoort van [Y.] kwalificeert als een ander, zelfstandig strafbaar feit. Op het hoger beroep tegen de voor dat laatste feit opgelegde straf moet bovendien nog door het hof Amsterdam worden beslist, zodat vooralsnog in het geheel geen sprake is van 'dubbele bestraffing'. Zoals overwogen onder 3.7 heeft eiseres het voorts aan zichzelf te wijten heeft dat de oproeping voor de werkstraf en de kennisgeving van de omzetting naar het verkeerde adres zijn verzonden. Eiseres had ervoor kunnen kiezen haar ware identiteit op een eerder moment bekend te maken. Ten slotte had eiseres zelf contact met de reclassering op kunnen nemen om tot uitvoering van de werkstraf te komen. Dat zij een of ander heeft gedaan is gesteld noch gebleken.

3.10. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van eiseres wordt als volgt overwogen. Deze omstandigheden dient eiseres in een gratieverzoek aan de orde te stellen. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - kan niet worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis strijdig is met de fundamentele rechten van eiseres. Invloed op het gezinsleven en het werk van de veroordeelde is nu eenmaal inherent aan een vrijheidsstraf. Dit maakt de tenuitvoerlegging ervan echter niet onrechtmatig.

3.11. Slotsom van al het voorgaande is dat geen sprake is van schending van de fundamentele rechten van eiseres. Dit betekent dat eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Zij zal dan ook, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.384,-, waarvan

€ 816,- aan salaris advocaat en € 568,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011.

WJ