Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
381257 - KG ZA 10-1478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gemeente is eigenaar van een circa 2 meter breed toegangspad. Ten behoeve van het perceel van eiser en drie andere aan het toegangspad gelegen percelen is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd (de rechthebbenden). Bij besluit heeft de gemeente de bewoners van percelen aan de [b-weg] die aan de voorzijde aan een kanaal grenzen en aan de achterzijde aan het toegangspad, toestemming gegeven incidenteel gebruik te maken van het pad. Eiser vordert dat de gemeente de bewoners van de [b-weg] de toegang tot de toegangsweg, behoudens bij calamiteiten, ontzegt en hen op de toegangsweg weert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechters is de gemeente als eigenaar in beginsel vrij de toegangsweg te (laten) gebruiken op de wijze zoals zij dat wil, zij het dat die vrijheid wordt beperkt door het recht van weg, toekomend aan de rechthebbenden. Het recht van weg is onvoldoende gewaarborgd. Daarmee wordt inbreuk gemaakt op de erfdienstbaarheid van eiser. Dit brengt echter niet mee dat de gemeente de bewoners van de [b-weg] het gebruik van de toegangsweg (behoudens calamiteiten) geheel dient te ontzeggen. Dit zou een beperking vormen van haar eigendomsrecht die verder gaat dan waartoe de ten gunste van het perceel van eiser gevestigde erfdienstbaarheid verplicht. In het licht hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gemeente de bewoners van de [b-weg] het gebruik van de toegangsweg dient te ontzeggen, behoudens voor zover zij daarvoor op individuele verzoeken in bijzondere gevallen haar toestemming heeft verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 19 januari 2011,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 381257 / KG ZA 10-1478

van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.P.M. Fruytier te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE REEUWIJK, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

met zetel te Bodegraven-Reeuwijk,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Suijver te Alphen aan den Rijn.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als “[eiser]” en “de Gemeente”.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 januari 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser] heeft tezamen met zijn echtgenote bij leveringsakte van 8 augustus 2005 de eigendom verkregen van een kavel grond, deel uitmakende van het perceel met de kadastrale aanduiding [aanduiding], welk gedeelte thans plaatselijk bekend staat als de [a-weg] 4c te [plaats] (hierna: “het perceel van [eiser]”).

1.2. De Gemeente heeft in 2006 de eigendom verkregen van het perceel met de kadastrale aanduiding [aanduiding] (hierna: “de toegangsweg”).

1.3. De toegangsweg is een niet-openbare, ‘eigen weg’, die – vanuit het perceel van [eiser] bezien – leidt van en naar de openbare weg (De [a-weg] te [plaats]). Het betreft een circa 2 meter breed pad.

1.4. Ten behoeve van het perceel van [eiser] en ten laste van de toegangsweg is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. In de leveringsakte van 8 augustus 2005 wordt deze erfdienstbaarheid – voor zover hier relevant – als volgt omschreven:

“(…)

de erfdienstbaarheid van weg om te komen van- en te gaan naar de openbare weg (De [a-weg] te

[plaats]), zulks over de bestaande toegangsweg, aan partijen genoegzaam bekend.

De toegangsweg waarover de erfdienstbaarheid zal worden uitgeoefend zal nimmer mogen worden gebruikt om auto’s of andere obstakels te parkeren en/of te plaatsen zodat te allen tijde een onbelemmerde doorgang, ook voor derden, is gewaarborgd.

(…)”

1.5. Een zelfde erfdienstbaarheid is ook gevestigd ten gunste van drie andere aan de toegangsweg gelegen percelen, plaatselijk bekend als [a-weg] 4, [a-weg] 4a en [b-weg] 14. Voor [eiser] en de bewoners van de voormelde percelen (hierna gezamenlijk: “de rechthebbenden”) vormt de toegangsweg de enige ontsluitingsweg.

1.6. De toegangsweg werd en wordt ook gebruikt door de bewoners van de percelen [b-weg] 1 t/m 12 te [plaats] (hierna: “de bewoners van de [b-weg]”) en door hun bezoekers en leveranciers. Deze percelen grenzen aan de voorzijde aan het water van [kanaal]. De percelen [b-weg] 6 t/m 12 grenzen aan de achterzijde aan de toegangsweg. De bewoners van de [b-weg] hebben aan de voorzijde niet de mogelijkheid hun woningen per auto te bereiken. Hun gebruik van de toegangsweg heeft in het verleden geleid (en leidt nog steeds) tot verschillende klachten van de rechthebbenden en tot incidenten tussen de rechthebbenden en de bewoners van de [b-weg].

1.7. In 2006 heeft de Gemeente de bewoners van de [b-weg] toestemming verleend om van de toegangsweg gebruik te maken, mits dat gebruik noodzakelijk zou zijn. Bij brief van 21 oktober 2009 heeft de Gemeente die toestemming ingetrokken, met dien verstande dat de bewoners van de [b-weg] uitsluitend nog bij calamiteiten van de toegangsweg gebruik mochten maken.

1.8. In oktober 2010 heeft de Gemeente aan het einde van het toegangspad, in de nabijheid van de woning van [eiser], een “ keerlus” aangebracht.

1.9. Mede naar aanleiding van nader overleg met de bewoners van de [b-weg] heeft de Gemeente hun bij brief van 28 oktober 2010 (voor zover relevant) het navolgende bericht:

“Gelet op hetgeen met u besproken is hebben wij in onze vergadering van 19 oktober 2010 besloten u, en uw rechtsopvolgers weer toestemming te verlenen incidenteel gebruik van het pad te maken. De eigenaresse van het pad, zijnde de gemeente Reeuwijk, kan u ontheffing verlenen van het verbod “Verboden Toegang ex art. 461 Wetboek van Strafrecht” en ook overigens het pad te betreden. Het bordje “eigen weg” betekent niet meer dan dat het geen openbare weg is in het kader van de Wegenverkeerswetgeving.

Wij verbinden wel enkele voorwaarden aan het gebruik maken van deze toestemming.

1. Het gebruik dient incidenteel te zijn zoals u ook heb aangegeven tijdens de gesprekken.

2. De toestemming geldt voor u als bewoner van het pand aan de [b-weg], dus niet voor familie, vrienden en kennissen.

3. Het is niet toegestaan op het pad te parkeren, alleen stoppen om goederen uit te laden is toegestaan. De auto mag er dus niet onbeheerd blijven staan.

4. Leveranciers en pakketdiensten mogen geen gebruik van het pad maken, alleen voor het afleveren van volumineuze goederen en olie voor de verwarming geldt een uitzondering.

5. Leveranciers , die door de aard van de te leveren goederen gebruik van het pad moeten maken, dienen terstond en op de eerste vordering doorgang te verlenen aan andere rechthebbenden op doorgang over het pad, bij gebreke waarvan zij geacht worden zonder toestemming op het pad te staan.

6. Deze toestemming geldt in principe tot het moment dat de vier toegezegde parkeerplaatsen gerealiseerd zijn en in gebruik genomen kunnen worden.

Alleen de gemeente Reeuwijk en na 1 januari 2011 de gemeente Bodegraven-Reeuwijk bepaalt wie er gebruik van het pad mag maken en verder niemand anders. Dit kan alleen anders worden indien een rechter van mening is dat de gemeente onrechtmatig handelt met deze toestemming jegens de eigenaren/gebruikers van de heersende erven.

De bewoners van de woningen aan het pad hebben, op basis van een erfdienstbaarheid, het recht gebruik van het pad te maken, hun recht mag niet onevenredig geschaad worden door het gebruik dat door anderen met deze toestemming, van het pad gemaakt wordt.”

1.10. [eiser] heeft de Gemeente meerdere malen, laatstelijk bij brief van 22 november 2010, gesommeerd om de bij brief van 28 oktober 2010 aan de bewoners van de [b-weg] gegeven toestemming in te trekken. Hieraan heeft de Gemeente geen gevolg gegeven.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Gemeente te gebieden de bewoners van de panden [b-weg] met nummers 1 t/m 12 te [plaats] binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis schriftelijk mee te delen, onder gelijktijdige toezending van een kopie van die mededeling aan de raadsman van [eiser], dat hen de toegang tot de toegangsweg, behoudens bij calamiteiten, met onmiddellijke ingang wordt ontzegd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag, of gedeelte van een dag, dat de Gemeente hiermee in gebreke blijft;

II. de Gemeente te gebieden binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiser] te allen tijde een onbelemmerde doorgang te verlenen, onder meer door de bewoners van de panden [b-weg] met huisnummers 1 t/m 12 te [plaats], behoudens calamiteiten, op de toegangsweg te weren en al het mogelijke daartoe te ondernemen wat redelijkerwijze binnen het bereik van haar mogelijkheden ligt, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag, of gedeelte van een dag, dat de Gemeente hiermee in gebreke blijft;

III. de Gemeente te veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Gemeente, nu zij de bewoners van de [b-weg] toestemming heeft gegeven om de toegangsweg incidenteel te gebruiken, in strijd handelt met de afspraken die zij in het verleden met [eiser] heeft gemaakt en bovendien onrechtmatig jegens hem handelt door inbreuk te maken op de ten gunste van zijn perceel gevestigde erfdienstbaarheid. De vrije doorgang op de toegangsweg wordt belemmerd, nu hij als gevolg van het gebruik van de toegangsweg door de bewoners van de [b-weg] geen onbelemmerde toegang tot zijn woning heeft. Bovendien leidt dit gebruik tot hoogoplopende conflicten met de bewoners van de [b-weg]. [eiser] stelt als gevolg hiervan inmiddels schade te hebben geleden en nog steeds te lijden. [eiser] voert ten slotte aan dat het recente besluit van de Gemeente onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Gemeente heeft naar voren gebracht dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. In dit verband voert zij aan dat geen sprake is een onhoudbare situatie en dat deze zaak zich overigens niet leent voor een behandeling in kort geding. Dit verweer wordt gepasseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt het spoedeisend belang van [eiser] reeds uit de aard van zijn vorderingen, die zien op de handhaving van zijn recht op onbelemmerde toegang tot zijn perceel.

3.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zoals de Gemeente terecht naar voren heeft gebracht, zij als eigenaar in beginsel vrij is de toegangsweg te (laten) gebruiken op de wijze zoals zij dat wil, zij het dat die vrijheid wordt beperkt door het recht van weg, toekomend aan de rechthebbenden. Het stond de Gemeente dan ook in beginsel vrij terug te komen op haar besluit van 21 oktober 2009. In dat licht heeft [eiser] zijn stelling dat de Gemeente aan hem zonder voorbehoud heeft toegezegd dat aan de bewoners van de [b-weg] – behoudens calamiteiten – geen toestemming meer zal worden verleend om de toegangsweg te gebruiken, volstrekt onvoldoende onderbouwd. Een en ander betekent dat vordering I moet worden afgewezen.

3.3. In het kader van de beoordeling van vordering II heeft de voorzieningenrechter te beoordelen of de Gemeente inbreuk maakt op een zakelijk recht van [eiser].

De Gemeente dient haar eigendomsrecht immers zodanig uit te oefenen dat op de voormelde erfdienstbaarheid geen inbreuk wordt gemaakt.

3.4. Ter zitting heeft [eiser] – onweersproken – aangevoerd dat de toegangsweg te smal is niet alleen om twee personenauto’s, maar ook om één personenauto en een fiets of voetganger elkaar ongehinderd te laten passeren. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat de bewoners van de [b-weg] sinds de door de Gemeente bij brief van 28 oktober 2010 gegeven toestemming, regelmatig gebruik maken van de toegangsweg.

Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard en uit de stukken die zij over en weer in het geding hebben gebracht volgt dat dit gebruik – in het licht van de voormelde plaatselijke situatie – sindsdien herhaaldelijk heeft geleid tot incidenten, onder meer bestaande uit verbaal geweld en andere onverkwikkelijkheden tussen de rechthebbenden (onder wie [eiser]) en de bewoners van de [b-weg], alsmede tot de nodige klachten en bezwaren over en weer.

3.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende duidelijk wat onder “incidenteel gebruik” moet worden verstaan, zodat – zoals in deze procedure voorshands is gebleken – voor de rechthebbenden en de bewoners van de [b-weg] in voorkomende gevallen niet duidelijk is of het gebruik van de toegangsweg door laatstgenoemden geoorloofd is, met alle (voormelde) gevolgen van dien. Voorts is niet duidelijk hoe de Gemeente de door haar ingestelde toegangsregeling denkt te handhaven, zeker waar het anderen dan de bewoners zelf (bezoekers en leveranciers) betreft. De indruk bestaat dat de Gemeente met het besluit van 28 oktober 2010 een conflictopwekkende regeling in het leven heeft geroepen. Daarmee is naar voorlopig oordeel het recht van weg onvoldoende gewaarborgd. Aldus wordt inbreuk gemaakt op de erfdienstbaarheid van [eiser], welke inbreuk aan de Gemeente is toe te rekenen.

3.6. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet mee dat de Gemeente (zoals [eiser] heeft gevorderd) de bewoners van de [b-weg] het gebruik van de toegangsweg (behoudens calamiteiten) geheel dient te ontzeggen. Dit zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter een beperking vormen van haar eigendomsrecht die verder gaat dan waartoe de ten gunste van het perceel van [eiser] gevestigde erfdienstbaarheid verplicht (voor de door [eiser] gestelde afspraak wordt verwezen naar hetgeen hierboven onder 3.2 is overwogen). Wel is de Gemeente gehouden erop toe te zien dat de bewoners van de [b-weg] diens recht van weg eerbiedigen. In dit kader dient de Gemeente discussie over de vraag of het gebruik van de toegangsweg door de bewoners van de [b-weg] geoorloofd is, zoveel als mogelijk te voorkomen.

3.7. In het licht hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Gemeente de bewoners van de [b-weg] het gebruik van de toegangsweg dient te ontzeggen, behoudens voor zover zij daarvoor op individuele verzoeken in bijzondere gevallen haar toestemming heeft verleend. Vordering II zal dienovereenkomstig worden toegewezen (op de wijze als in het dictum vermeld). In dit verband geeft de voorzieningenrechter de Gemeente in overweging ter plaatse voorzieningen te treffen die bewerkstelligen dat de toegang tot de toegangsweg voor de bewoners van de [b-weg] uitsluitend mogelijk is voor zover zij daarvoor toestemming hebben gekregen.

3.8. Hetgeen partijen overigens nog hebben gesteld en aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.

3.9. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.10. De Gemeente zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt de Gemeente om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] een onbelemmerde doorgang over de toegangsweg te verlenen, door de bewoners van de panden [b-weg] met huisnummers 1 t/m 12 te [plaats], behoudens bij calamiteiten en behoudens voor zover zij op individuele verzoeken in bijzondere gevallen toestemming heeft verleend om zich op de toegangsweg te begeven, op de toegangsweg te weren voor zover dat redelijkerwijze binnen het bereik van haar mogelijkheden ligt, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag, of gedeelte van een dag, dat de Gemeente hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsommen vatbaar zijn voor matiging op de wijze zoals onder 3.9 is vermeld;

- veroordeelt de Gemeente om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis de kosten van dit geding aan [eiser] te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 816,-- aan salaris advocaat, € 258,-- aan griffierecht en € 73,89 aan dagvaardingskosten, alsmede € 131,-- aan nakosten zonder betekening van dit vonnis of € 199,-- aan nakosten met betekening van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011.

(eal)