Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1053

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
AWB 10-44888
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Terugkeerbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank dient de rechtbank in het kader van deze procedure te volstaan met de beoordeling van de vraag of een terugkeerbesluit is genomen als omschreven in artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, welke vraag in dit geval bevestigend moet worden beantwoord. Met een inhoudelijke beoordeling van het terugkeerbesluit van 30 december 2010, zoals in de visie van eiser zou dienen plaats te vinden, zou de rechtbank buiten de omvang van het geding treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/44888

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1986,

nationaliteit Togolese,

verblijvende te Rotterdam in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. L. de Roode,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Op 29 december 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 30 december 2010 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 januari 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Door eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat de wettelijke basis voor het nemen van een terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) door verweerder ontbreekt. Het document getiteld ´Terugkeerbesluit´ van 29 december 2010 is daarom onbevoegd genomen. De aanwezigheid van een, bevoegd genomen, terugkeerbesluit is volgens eiser een vereiste om de maatregel van bewaring te kunnen opleggen. Gelet hierop is de bewaring onrechtmatig.

3. Met betrekking tot hetgeen eiser heeft gesteld omtrent het terugkeerbesluit overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn liep tot en met 24 december 2010, zodat deze inmiddels is verstreken. Hieruit volgt dat indien en voor zover in de Terugkeerrichtlijn sprake is van rechtstreeks werkende bepalingen, rechtzoekenden vanaf 25 december 2010 de handhaving van dergelijke bepalingen aan de nationale rechter kunnen vragen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 6, eerste lid, en 8, eerste, tweede en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, in samenhang bezien, dient een terugkeerbesluit te zijn genomen voorafgaand aan of uiterlijk gelijktijdig met het opleggen van een maatregel van bewaring, dan wel met de feitelijke tenuitvoerlegging daarvan. Genoemde bepalingen hebben in zoverre rechtstreekse werking.

4. De rechtbank is niet gebleken dat ten aanzien van eiser op enig moment een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 14 of artikel 28 van de Vw 2000, zodat het bepaalde in artikel 27, eerste lid, respectievelijk artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 in dit geval niet aan de orde is. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder bij brief van 29 december 2010 eiser heeft meegedeeld dat verweerder heeft besloten dat eiser niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Niet is gebleken dat de inhoud van deze brief na 29 december 2010 is herroepen of anderszins ongedaan gemaakt.

5. De brief van verweerder van 29 december 2010 is gelijktijdig met de oplegging van de maatregel van bewaring uitgevaardigd en voldoet naar het oordeel van de rechtbank voorts aan de definitie van ‘terugkeerbesluit’ als opgenomen in artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Onderaan deze brief is een rechtsmiddelclausule opgenomen, inhoudende dat eiser tegen de brief bezwaar kan maken. De procedure van bezwaar en vervolgens eventueel beroep en hoger beroep is een zelfstandige, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van een dergelijk terugkeerbesluit. Eiser heeft ook niet gesteld dat de in die rechtsgang geboden rechtsbescherming als zodanig gebrekkig is. Geen rechtsregel schrijft voorts voor dat de rechtbank in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring als de onderhavige mede de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn dient te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank dient zij in het kader van deze procedure daarom te volstaan met de beoordeling van de vraag of een terugkeerbesluit is genomen als omschreven in artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, welke vraag in dit geval bevestigend moet worden beantwoord. Met een inhoudelijke beoordeling van het terugkeerbesluit van 29 december 2010, zoals in de visie van eiser zou dienen plaats te vinden, zou de rechtbank buiten de omvang van het geding treden. De bewaring is gelet op het vorenstaande in zoverre rechtmatig te achten.

6. Uit de gedingstukken is gebleken dat op 31 december 2010 een claimverzoek is verzonden naar Bureau Dublin en dat de claim op 6 of 7 januari 2011 is verzonden naar de Italiaanse autoriteiten. Voorts is op 5 januari 2011 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank stelt vast dat niet betwist is dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en evenmin dat verweerder met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser werkt.

7. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting en voor zover aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank onderworpen, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

8. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

9. Het verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu zich geen omstandigheden als omschreven in artikel 106 van de Vw 2000 voordoen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

10. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als rechter in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2011.

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: