Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0863

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/43078 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing; geen lichter middel na 6 maanden gelet op terugkeerrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter onderbouwing van de voortduring van de bewaring na 24 december 2010 onvoldoende aannemelijk kunnen maken waarom er geen lichter middel kan worden toegepast. De verwijzing naar de gronden van de maatregel ten tijde van de oplegging rechtvaardigen niet zonder meer de conclusie dat er gevaar voor onderduiken bestaat. Dit klemt te meer nu eiser heeft aangevoerd dat hij een huurhuis heeft waar hij nog terecht kan en waar hij staat ingeschreven bij de gemeente Amsterdam. Eiser heeft weliswaar te kennen gegeven niet terug te willen keren naar Irak, maar hij heeft wel meegewerkt aan zijn presentatie waardoor inmiddels zijn nationaliteit vaststaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10/43078 VRONTN

V-nr: 270.934.0251

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1985, van Iraakse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: D. Gurses, advocaat te Utrecht

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Söylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 9 juni 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 15 december 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 29 december 2010. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat het besluit tot verlengen van de bewaring, gelet op de internationale verdragen, onrechtmatig is. Verder heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld en is er geen redelijk perspectief op uitzetting. De bewaring dient te worden opgeheven, eiser is ernstig in zijn belangen geschaad. Op 4 november 2010 is eiser gepresenteerd bij de Iraakse autoriteiten, waarop er geen laissez-passer (lp) is toegezegd. Het verslag van die presentatie is onduidelijk. De aanvraag is noch in onderzoek genomen, noch is uitzetting op een EU-staat besproken. Het verslag vermeldt dat de consul aangeeft dat er geen bijzonderheden zijn. Verder staat vermeld dat de consul mondeling als resultaat eisers nationaliteit vaststelt, maar onduidelijk is hoe is die vastgesteld. Mogelijk betreft het slechts een conclusie van verweerder. Nu is het wachten op een presentatie bij een taskforce volgens verweerder. Eiser vraagt zich af wat een taskforce is en wat deze voor een taak is toebedeeld. Uitzetting naar Irak is onwenselijk. Bekend is geworden dat er aanzienlijk geweld wordt gebruikt tegen een uit te zetten persoon. Verder is het de vraag wanneer er laatstelijk een uitzetting heeft plaatsgevonden en wat het laatste nieuws met betrekking tot Irak is. Blijkens de verlenging van het terugkeerbesluit van eiser wordt de bewaring met twaalf maanden verlengd. Dat kan niet zomaar; er moet een gegronde reden voor zijn.

2. Voorts verzoekt eiser om een lichter middel zoals een meldplicht. Eiser had tot voor kort rechtmatig verblijf in Nederland. De beschikking van de intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft hij niet op tijd in handen gekregen waardoor hij geen bezwaar kon aantekenen. Eiser heeft een huurwoning en staat op dat adres ingeschreven. Tevens had eiser een baan in Den Helder tot het moment van inbewaringstelling in juni 2010. De woning heeft hij nog en zijn baan kan hij weer terugkrijgen. Verhuurder heeft ontbinding gevraagd van het huurcontract, maar daar loopt een procedure tegen. Dit is het gevolg van het niet betalen van de huur de laatste maanden, omdat eiser in bewaring zat.

3. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Op 4 november 2010 is eiser gepresenteerd bij de Iraakse autoriteiten. Op 26 november en 21 december 2010 heeft verweerder vertrekgesprekken gevoerd met eiser, waaruit blijkt dat eiser niet wil terugkeren naar Irak. Eisers nationaliteit is vastgesteld en het wachten is nu op een presentatie bij de taskforce. Voor het inplannen daarvan is verweerder afhankelijk van de delegatie van de Iraakse autoriteiten. Maar medio januari 2011 zal dit plaatsvinden. Verweerder is dan ook van mening dat er zicht op uitzetting is en dat er voldoende voortvarend is gehandeld.

4. Voor wat betreft een lichter middel is verweerder van mening dat op dit moment niet blijkt dat er veranderde omstandigheden en/of feiten zijn. Het lichter middel is reeds in het eerste beroep beoordeeld. De bewaring duurt rechtmatig voort. Eiser heeft aangegeven niet mee te willen werken. Daarnaast is er diverse malen gesproken met eiser om te proberen om hem Nederland vrijwillig te laten verlaten maar eiser wil dit niet.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoor¬delen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.

Voortduring van de detentie

5.1. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Terugkeerrichtlijn luidt:

Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

5.2. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Tri, dienen de lidstaten de Terugkeerrichtlijn uiterlijk op 24 december 2010 te hebben geïmplementeerd. De rechtbank stelt vast dat verweerder de Terugkeerrichtlijn nog niet heeft geïmplementeerd. Dit betekent dat een vreemdeling met ingang van 25 december 2010 een rechtstreeks beroep toekomt op voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen van de Terugkeerrichtlijn (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ), in onder meer het arrest van 19 januari 1982, zaak nr. 8/81, Jurispr. 1982, blz. 59 e.v. op blz. 70-71; Becker). Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 15, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Tri voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zodat de rechtbank direct zal treden in de vraag of de bewaring met ingang na 24 december 2010 hiermee in overeenstemming is te achten.

5.3. Uit de in de Terugkeerrichtlijn in de artikelen 6 tot en met 8 voorgestane gelaagde aanpak van het doen terugkeren van een illegaal verblijvende vreemdeling – het uitvaardigen van een terugkeerbesluit waarin de vreemdeling wordt aangekondigd dat hij, bij voorkeur vrijwillig binnen een daartoe gestelde termijn, de lidstaat dient te verlaten, waarna de lidstaat kan overgaan tot het binnen de grenzen van proportionaliteit uitoefenen van dwang om de vreemdeling te verwijderen – gelezen in samenhang met de aanhef van artikel 15, eerste lid van de Tri, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat alvorens tot bewaring kan worden overgegaan, eerst bekeken dient te worden of een minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend kan worden toegepast om de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling te verzekeren. In overweging 16 van de considerans van de Tri is dit uitgangspunt eveneens verwoord.

Gelet hierop ziet de rechtbank, alhoewel eiser op 25 december 2010 reeds in bewaring verbleef, aanleiding om eerst in te gaan op eisers stelling dat zich na 24 december 2010 de situatie voordeed dat een minder dwingende maatregel dan bewaring doeltreffend had kunnen worden toegepast.

5.4. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ dienen lidstaten het doel en de strekking van een richtlijn in hun uitvoeringspraktijk zoveel mogelijk te verwezenlijken (onder meer

11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, r.o. 26 en 27, LJN: AV5152). Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder in iedere zaak dient na te gaan of zich de situatie voordoet dat met een minder dwingend middel dan bewaring kan worden volstaan om de illegaal verblijvende vreemdeling te verwijderen. Naast verweerder heeft voorts ook de rechter, als overheidsinstantie en binnen het kader van zijn bevoegdheden, de nakoming van de verplichtingen uit de richtlijn te verzekeren (onder meer 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, r.o. 24, en 8 oktober 1987, C-80/86, Kolpinghuis, Jur. 1987, 3696, r.o. 12). Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat ook de rechter vanaf 25 december 2010, mits aangevoerd, dient na te gaan of zich de situatie voordoet dat met een minder dwingend middel dan bewaring kan worden volstaan. Voor een terughoudende toets met betrekking tot de vraag of een lichter middel geïndiceerd is, is naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 25 december 2010 dan ook geen plaats.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter onderbouwing van de voortduring van de bewaring na 24 december 2010 onvoldoende aannemelijk kunnen maken waarom er geen lichter middel kan worden toegepast. De verwijzing naar de gronden van de maatregel ten tijde van de oplegging rechtvaardigen niet zonder meer de conclusie dat er gevaar voor onderduiken bestaat. Dit klemt te meer nu eiser heeft aangevoerd dat hij een huurhuis heeft waar hij nog terecht kan en waar hij staat ingeschreven bij de gemeente Amsterdam. Eiser heeft weliswaar te kennen gegeven niet terug te willen keren naar Irak, maar hij heeft wel meegewerkt aan zijn presentatie waardoor inmiddels zijn nationaliteit vaststaat.

7. Hieruit volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Tri en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten vanaf

25 december 2010. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.

8. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser in een huis van bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 720,--.

9. Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,--, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 720,-- (zegge: zevenhonderdentwintig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 874,-- (zegge: achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 3 januari 2011 door mr. I.M. Bilderbeek, rechter, in tegenwoordigheid van H.C. Hagen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: HH

Coll:

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open