Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
10/43760 en 10/44107
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de lp-weigeringen door zeven ambassades en de omstandigheid dat eiser na bijna tien maanden vreemdelingenbewaring blijft weigeren mee te werken aan zijn uitzetting, is het zicht op uitzetting komen te ontbreken vanaf 16 december 2010, de datum waarop eiser in een vertrekgesprek heeft herhaald niet te zullen meewerken aan zijn uitzetting. Verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2010 (LJN BM0748). Nu de bewaring vanaf 16 december 2010 onrechtmatig moet worden geacht dient het vervolgberoep gegrond te worden verklaard.

Voor een beoordeling van de stelling van eiser dat hem ten onrechte geen vertrektermijn is gegund, bestaat in de onderhavige procedure geen ruimte. Die stelling dient te worden beoordeeld in het kader van het voor bezwaar en beroep vatbare terugkeerbesluit.

Ten aanzien van het beroep op de verlengingsbeslissing stelt de rechtbank voorop dat de verlengingsbeslissing niet anders kan worden opgevat dan als een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming die ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000 voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld wordt met een besluit. De rechtbank is bevoegd van het beroep tegen de verlengingsbeslissing kennis te nemen. Gesteld noch gebleken is echter dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen de verlengingsbeslissing, nu de bewaring reeds vanaf 16 december 2010 onrechtmatig moet worden geacht. Het beroep tegen de verlengingsbeslissing is dus niet-ontvankelijk. Tegen dit oordeel staat hoger beroep open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nrs.: AWB 10/43760 en 10/44107

V-nummer: [nummer]

Inzake: [naam], eiser,

gemachtigde mr. M.C. de Jong, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. P. Bosch.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op [dag en maand] 1968 en de Soedanese nationaliteit te bezitten. Op 12 maart 2010 heeft verweerder eiser in bewaring gesteld.

2 Bij uitspraak van 1 april 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

3 Laatstelijk bij uitspraak van 25 november 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep, ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, ongegrond verklaard.

4 Op 21 december 2010 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Dit beroep (hierna: het vervolgberoep) is geregistreerd met kenmerk AWB 10/43760. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

5 Bij beslissing van 14 december 2010 (hierna: de verlengingsbeslissing), aan eiser uitgereikt op 22 december 2010, heeft verweerder de bewaringstermijn met twaalf maanden verlengd, ingaande op 12 september 2010.

6 Hiertegen heeft eiser op 23 december 2010 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd met kenmerk AWB 10/44107.

7 Verweerder heeft op 23 december 2010 voortgangsgegevens verstrekt over zijn handelen strekkend tot uitzetting van eiser aan de rechtbank en eiser. Bij faxbericht van

24 december 2010 heeft eiser hierop gereageerd. Verweerder heeft op 4 januari 2011 nadere inlichtingen verstrekt.

8 De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), staat ter beoordeling of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2 Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de huidige bepalingen van de Vw 2000 in overeenstemming zijn met de Terugkeerrichtlijn. De verlengingsbeslissing is geen besluit, maar wel een handeling als bedoeld in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, waartegen bezwaar openstaat. Nu sprake is van divergerende jurisprudentie van de verschillende nevenzittingsplaatsen van de rechtbank ’s-Gravenhage en er geen hoger beroep mogelijk is, is eiser van mening dat de rechtbank - indien zij hem niet volgt in het standpunt dat de Vw 2000 niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn - prejudiciële vragen dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). In de tweede plaats heeft eiser aangevoerd dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Het vertrekgesprek van 16 december 2010 was pro forma en er lopen geen nieuwe trajecten. Gelet hierop handelt verweerder onvoldoende voortvarend. Voorheen was er bij vreemdelingen zonder criminele antecedenten na acht tot tien maanden een keerpunt. Nu de criminele antecedenten van eiser op grond van artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn echter geen rol meer mogen spelen, dient de bewaring ook om die reden te worden opgeheven. Tot slot heeft eiser gesteld dat hem in het terugkeerbesluit ten onrechte geen vertrektermijn is gegund.

3 Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de bewaring kan voortduren na zes maanden. De wettelijke grondslag voor het voortduren van de bewaring is te vinden in artikel 59 van de Vw 2000. De huidige tekst van dat artikel stelt verweerder in staat om eiser zes tot achttien maanden in bewaring te stellen. De Terugkeerrichtlijn vereist niet dat de beslissing om de bewaring te verlengen wordt vastgelegd in een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. De verlengingsbeslissing is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en hier staan geen rechtsmiddelen tegen open. Het is mogelijk om tegen het voortduren van de bewaring op te komen, te weten in het kader van een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van de Vw 2000. Het beroep tegen de verlenging dient te worden aangemerkt als een vervolgberoep en, nu er al een vervolgberoep was ingediend, niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. In de tweede plaats stelt verweerder zich op het standpunt dat in deze procedure dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Dit staat thans niet ter toetsing, nu daartegen een aparte rechtsgang openstaat. Verweerder heeft zich, voor zover thans van belang, in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat hij eiser bij zeven landen heeft gepresenteerd en dit telkens heeft geresulteerd in een weigering om een laissez passer (hierna: lp) af te geven. Verweerder voert ongeveer eens per drie weken vertrekgesprekken met eiser. Zolang eiser niet komt met nieuwe gegevens, handelt verweerder op die manier voldoende voortvarend. Gezien de frustratie door eiser, die eiser erkent, kan niet worden gezegd dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Dat eiser ongewenst is verklaard en criminele antecedenten heeft mag weliswaar geen rol spelen bij de beslissing om de bewaring te verlengen, maar dit speelt in het kader van de belangenafweging wel een rol. Verweerder verwijst in dit verband naar de nota behorende bij het verslag van de wetswijziging (Kamerstukken II, 2010/2011, 34 420, nr. 7, p. 5/6). Verweerder verlengt de bewaring niet automatisch voor een jaar, maar verricht een proportionaliteitstoets. Gelet op het voorgaande is het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd.

4 De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1 De rechtbank zal eerst het vervolgberoep beoordelen, nu dat op een eerdere datum dan het beroep tegen de verlengingsbeslissing is ingediend.

4.2 Uit de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens volgt dat verweerder eiser bij zeven verschillende landen heeft gepresenteerd en dat dit telkens heeft geleid tot een weigering om een lp af te geven. Het onderzoek dat verweerder heeft ingesteld naar een bezoeker van eiser in de penitentiaire inrichting, teneinde deze persoon als getuige te horen over de identiteit en nationaliteit van eiser, is op 23 november 2010 op niets uitgelopen. Verweerder heeft sindsdien geen nieuwe onderzoeken opgestart en heeft sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 18 november 2010 alleen een vertrekgesprek gehouden, te weten op 16 december 2010. Gelet hierop, alsmede op de omstandigheid dat eiser na bijna tien maanden vreemdelingenbewaring blijft weigeren mee te werken aan zijn uitzetting, is naar het oordeel van de rechtbank het zicht op uitzetting komen te ontbreken vanaf 16 december 2010, de datum van het laatste vertrekgesprek waarin eiser heeft herhaald niet te zullen meewerken aan zijn uitzetting. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 2010 (LJN BM0748) waarin de Afdeling heeft overwogen dat de weigering van de vreemdeling de voor zijn uitzetting noodzakelijke medewerking te verlenen na verloop van tijd ertoe kan leiden dat zijn inbewaringstelling niet langer gerechtvaardigd is, omdat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn meer bestaat.

4.3 Nu de bewaring van eiser vanaf 16 december 2010 onrechtmatig moet worden geacht, is het vervolgberoep gegrond.

4.4 Voor een beoordeling van de stelling van eiser dat hem ten onrechte geen vertrektermijn is gegund, bestaat in de onderhavige procedure geen ruimte. Die stelling dient te worden beoordeeld in het kader van het voor bezwaar en beroep vatbare terugkeerbesluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

4.5 Ten aanzien van het beroep tegen de verlengingsbeslissing stelt de rechtbank voorop dat deze beslissing niet anders kan worden opgevat dan als een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming die ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000 voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld wordt met een besluit. Ingevolge het tweede lid van artikel 93 van de Vw 2000 behoeft tegen een dergelijke maatregel geen bezwaar te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. Anders dan eiser heeft betoogd, behoeft het beroepschrift dus niet als bezwaarschrift naar verweerder te worden doorgezonden. De rechtbank is dus bevoegd van het beroep tegen de verlengingsbeslissing kennis te nemen.

4.6 Gesteld noch gebleken is echter dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen de verlengingsbeslissing, nu de bewaring reeds vanaf 23 december 2010 onrechtmatig moet worden geacht en de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn pas daarna is verstreken. Het beroep tegen de verlengingsbeslissing is dus niet-ontvankelijk. Tegen dit oordeel staat om redenen als genoemd in de uitspraken van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, van 12 januari 2011 (AWB 10/44278 en AWB 10/43493) hoger beroep open. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar deze uitspraken die binnenkort zullen worden gepubliceerd.

4.7 De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 22 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 21 december 2010, de datum van instellen van beroep, tot 12 januari 2011) ten bedrage van 22 x € 80,- = € 1.760,-

4.8 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor zowel het vervolgberoep als het beroep tegen het verlengingsbesluit. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.748,- (in beide procedures 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Ook voor het beroep tegen de verlengingsbeslissing is een proceskostenvergoeding toegekend, nu eiser op het moment van indienen van dat beroep niet kon weten dat het beroep tegen het vervolgberoep gegrond zou worden verklaard.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het vervolgberoep (AWB 10/43760) gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 januari 2011;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 1.760,- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 verklaart het beroep tegen de verlengingsbeslissing (AWB 10/44107) niet-ontvankelijk;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.748,- en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald;

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en mr. C. Vogtschmidt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 12 januari 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open, voor zover daarbij is beslist op het beroep tegen de verlengingsbeslissing. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: