Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0490

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
12-01-2011
Zaaknummer
10/44474 en 11/331
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring/toetsen gronden maatregel in vervolgberoep/artikel 15, eerste lid en vierde lid, Terugkeerrichtlijn/verlengingsbesluit/procesbelang

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire stelling dat de gronden van de maatregel in een vervolgberoep niet aan de orde gesteld kunnen worden omdat zij al zijn beoordeeld in het beroep dat naar aanleiding van de inbewaringstelling is ingesteld. Ook in de situatie zoals die bestond voor het verstrijken van de implementatietermijn als hierboven genoemd, diende de maatregel te worden gedragen door toereikende gronden, zowel bij de oplegging van de maatregel als gedurende de gehele bewaringstermijn. Bovendien staat in artikel 15, vierde lid, van de Richtlijn dat indien de in artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn genoemde omstandigheden, zijnde omstandigheden waaronder de gronden van een maatregel moeten kunnen worden gevat, zich niet meer voordoen, de bewaring niet langer gerechtvaardigd is. De grond 'het ontbreken van een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000' is ook zonder nadere toelichting te vatten onder het criterium van artikel 15, eerste lid, onder b van de Terugkeerrichtlijn. De grond 'de omstandigheid dat eiser is verdacht van het plegen van een misdrijf' is met ingang van 25 december 2010 niet meer mogelijk gelet op rechtsoverweging 70 van het arrest Kadzoev. Blijft over de eerstegenoemde grond maar die alleen kan de maatregel niet dragen, reeds niet omdat verweerder niet heeft gemotiveerd dat en waarom het enkel niet beschikken over een identiteitspapier leidt tot het vermoeden dat eiser zijn verwijdering zal ontwijken of belemmeren, waarbij wordt verwezen naar ABRvS 1 mei 2002 (JV 2002/205). Maatregel onrechtmatig miv 25 december 2010.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep gericht tegen het besluit verlenging bewaringstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 10/44474 en 11/331

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

en het beroep tegen het besluit tot verlenging bewaringstermijn

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer],

V-nummer [nummer]

thans verblijvende in het detentiecentrum te Zeist,

raadsman mr. J.A. Tegenbosch,

eiser;

en

de minister voor Immigratie en Asiel, als rechtsopvolger van de minister van Justitie,

vertegenwoordigd door J. Kloosterman,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 27 december 2010 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring, geregistreerd onder nummer Awb 10/44474. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op 4 januari 2011 beroep ingesteld tegen het besluit tot verlenging bewaringstermijn, geregistreerd onder nummer Awb 11/331. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 6 januari 2011. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Ten aanzien van Awb 10/44474

2. Overwegingen

2.1 Op 22 april 2010 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 december 2010

(Awb 10/40263) heeft de rechtbank laatstelijk een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van het onderzoek op 2 december 2010 in die zaak.

2.2 Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op uitzetting, door de Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g, en h heeft.

Op grond van artikel 15, eerste lid van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) kunnen, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen afdoende kunnen worden toegepast, de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien: a) er risico op onderduiken bestaat, of b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

Op grond van artikel 15, vierde lid van de Terugkeerrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt de betrokkene indien de bewaring niet langer gerechtvaardigd is onmiddellijk vrijgelaten.

In het arrest van het Hof van Justitie (Hof) van 30 november 2009, C-357/09 (zaak Kadzoev, LJN: BK5471), is in rechtsoverweging 70 overwogen dat de mogelijkheid om een persoon om redenen van openbare orde en openbare veiligheid in bewaring te stellen geen grondslag kan vinden in de Terugkeerrichtlijn.

2.3. Eiser heeft aangevoerd dat de gronden die aan de opgelegde maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd opnieuw getoetst dienen te worden in het licht van artikel 15, eerste en vierde lid van de Terugkeerrichtlijn.

2.4. De rechtbank stelt vast dat op 24 december 2010 de implementatietermijn voor de Terugkeerrichtlijn is verstreken en dat niet in geschil is dat de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in nationale wetgeving is geïmplementeerd.

Tevens stelt de rechtbank vast dat verweerder op 15 december 2010 jegens eiser een terugkeerbesluit heeft genomen.

2.5. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de in geding zijnde bepalingen van artikel 15 eerste en vierde lid van de Terugkeerrichtlijn een rechtstreeks werkende norm, nu deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld.

Ook artikel 3, derde lid van de Terugkeerrichtlijn is naar het oordeel van de rechtbank onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig van aard, zodat eiser als onderdaan van een derde land een beroep op de in geding zijnde bepalingen kan doen.

De rechtbank zal de rechtmatigheid van het voorduren van de maatregel van bewaring dan ook direct toetsen aan de in geding zijnde bepalingen van de Terugkeerrichtlijn.

2.6. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire stelling dat de gronden van de maatregel in een vervolgberoep niet aan de orde gesteld kunnen worden omdat zij al zijn beoordeeld in het beroep dat naar aanleiding van de inbewaringstelling is ingesteld.

Ook in de situatie zoals die bestond voor het verstrijken van de implementatietermijn als hierboven genoemd, diende de maatregel te worden gedragen door toereikende gronden, zowel bij de oplegging van de maatregel als gedurende de gehele bewaringstermijn. Bovendien staat in artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat indien de in artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn genoemde omstandigheden, zijnde omstandigheden waaronder de gronden van een maatregel moeten kunnen worden gevat, zich niet meer voordoen, de bewaring niet langer gerechtvaardigd is.

Aan de maatregel zijn in dit geval twee gronden ten grondslag gelegd:

a. het ontbreken van een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000; en

b. de omstandigheid dat eiser verdacht wordt van het plegen van een misdrijf.

Verweerder heeft zich ter zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat de gronden nog immer actueel zijn. Verweerder heeft geen verklaring gegeven of en waarom deze gronden ook in het kader van artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn nog zouden kunnen worden gehanteerd.

De grond genoemd onder a is naar het oordeel van de rechtbank ook zonder een dergelijke nadere toelichting te vatten onder het criterium van artikel 15, eerste lid, onder b van de Terugkeerrichtlijn.

De grond genoemd onder b begrijpt de rechtbank als te zijn gestoeld op het deel van artikel 59 van de Vw 2000 waarin openbare orde en nationale veiligheid als zodanig wordt genoemd als grond voor de maatregel, wat met ingang van 25 december 2010 niet meer mogelijk is. De rechtbank verwijst hiertoe naar rechtsoverweging 70 van het arrest van het Hof van 30 november 2009 (zaak Kadzoev, C-357/09).

Naar het oordeel van de rechtbank kan de grond genoemd onder a alleen de maatregel niet dragen, reeds niet omdat verweerder niet heeft gemotiveerd dat en waarom het enkel niet beschikken over een identiteitspapier leidt tot het vermoeden dat eiser zijn verwijdering zal ontwijken of belemmeren. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2002 (JV 2002/205).

Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat de maatregel van bewaring met ingang van 25 december 2010 onrechtmatig is.

2.7 Het beroep zal gegrond worden verklaard en de opheffing van de bewaring zal worden bevolen. Gelet hierop zal de rechtbank het overige door eiser aangevoerde onbesproken laten.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 80,-- per dag voor de dagen die eiser vanaf 25 december 2010 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 1.360,-- zal worden toegekend.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

Ten aanzien van Awb 11/331

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep gericht tegen het besluit verlenging bewaringstermijn. De rechtbank zal dit beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep Awb 10/44474 gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 1.360,--;

- veroordeelt verweerder in de proces¬k¬o¬s¬ten ad € 874,--, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

- verklaart het beroep Awb 11/331 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Loenen, rechter, en door haar en D.K. Bloemers als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

-----

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.360,--.

Aldus gedaan op 11 januari 2011 door mr. M. van Loenen, fungerend voorzitter.