Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BP0341

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2011
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
Awb 10/43723 VRONTN/CM
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Terugkeerrichtlijn, bewaring, verlengingsbesluit, belangenafweging, voorwaarden verlenging

Samenvatting:

De Vw 2000 stelt geen maximum aan de duur van de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, onder a van die wet. Volgens vaste jurisprudentie en ook volgens het beleid van verweerder betekent dit evenwel niet dat de bewaring onbeperkt zou mogen voortduren. Gezien het ingrijpende karakter van de maatregel dient steeds een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het (algemene) belang bij voortduring van de bewaring en anderzijds het belang van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter. In de jurisprudentie wordt er van uitgegaan dat na zes maanden of langer het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de bewaring voort te zetten.

Door de directe werking van de Terugkeerrichtlijn sinds 25 december 2010 wordt er, gezien het bepaalde in de voorgenoemde leden, een maximum van zes of achttien maanden aan de bewaring gesteld. Nu de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd, dient artikel 59 van de Vw 2000 conform deze richtlijn te worden uitgelegd en toegepast. Nu artikel 59 Vw 2000 geen maximumtermijn voor de vreemdelingenbewaring bevat, is de beslissing van verweerder om de bewaring van eiser na zes maanden te laten voortduren niet in strijd is met de Vw 2000. Hierbij merkt de rechtbank op dat artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn bovendien niet voorschrijft dat de beslissing om de bewaring na zes maanden te laten voortduren wordt neergelegd in een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit. Het voornemen om de Vw 2000 zodanig te wijzigen dat beroep wordt opengesteld tegen een dergelijke beslissing, met hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) tegen een uitspraak van de rechtbank dienaangaande, berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een keuze van de wetgever en niet op een verplichting die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank behoudt de jurisprudentie omtrent de belangenafweging haar gelding onder de Terugkeerrichtlijn, nu zij overeenkomt met hetgeen is verwoord in punt 13 en 16 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn, waarin het belang van evenredigheid tussen doel (uitzetting) en middel (vreemdelingenbewaring) wordt benadrukt.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank een kenbare belangenafweging, zoals verweerder deze doorgaans in een M120 neerlegt, als motivering van verlengingsbeslissing dan ook op zichzelf voldoende.

Overigens dient conform artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn een verlenging van een bewaring na zes maanden wel getoetst te worden aan de voorwaarden waaraan een dergelijke verlenging moet voldoen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de motivering uit het genomen verlengingsbesluit van 28 december 2010 dat er een onderzoek loopt bij de Egyptische vertegenwoordiging kan worden geschaard onder de tweede voorwaarde, genoemd in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank acht deze uitleg niet onjuist en is van oordeel dat verweerder in redelijkheid kon overgaan tot het verlengen van de bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 10/43723 VRONTN/CM

uitspraak van de enkelvoudige kamer

op het beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

naam,

geboren op geb.datum,

van Egyptische nationaliteit,

thans verblijvende aan boord van de detentieboot te Zaandam,

justitienummer: ,

eiser,

gemachtigde: mr. A.R. Samuel, advocaat te Breda;

tegen

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

voorheen de Minister van Justitie,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.A. Vonk, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

1. Procesverloop

Bij brief van 21 december 2010 is beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 28 december 2010 is hiervan gebruik gemaakt.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 januari 2011. Eiser en zijn gemachtigde zijn

-met kennisgeving- niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Standpunten

Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat sinds de laatste uitspraak niets meer is vernomen omtrent de voortgang van de voorbereidingen van de verwijdering van eiser. Voorts wijst eiser erop op dat hij reeds op 8 juli 2010 aan verweerder enkele kopieën van Egyptische documenten heeft overgelegd waaronder een afschrift van een vermoedelijk Egyptische paspoort. Het gaat volgens eiser om de vraag of er van verweerder in het licht van de door eiser overgelegde documenten een meer dan gewone inspanning mag worden gevergd. Eiser meent van wel en concludeert dat de handelwijze van verweerder zich niet verhoudt met de vereiste voortvarendheid van iedere verwijdering.

Eiser verblijft reeds zes maanden in bewaring en heeft geen criminele antecedenten. Voor zover verweerder stelt dat hij eiser zijn Nederlandse nationaliteit heeft ontnomen wegens fraude is eiser van oordeel dat dit aspect geen punitieve karakter heeft in de zin van het strafrecht doch slechts een bestuurlijke maatregel betreft.

Indien verweerder zou betogen dat eiser geen medewerking wenst te verlenen, is eiser van mening dat hij voldoende heeft meegewerkt door het overleggen van eerder genoemde documenten. Zijn identiteit staat vast, alleen zijn nationaliteit niet omdat eiser, toen hij de Nederlandse nationaliteit aanvaardde, verplicht was om zijn Egyptische nationaliteit op te geven. Het is eiser onbekend wat de doorlooptijd is van het Egyptische onderzoek. Een antwoord hierop heeft eiser nog niet gekregen.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen.

3. Overwegingen

Op 29 juni 2010 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 1 november 2010 heeft de rechtbank een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat ter beoordeling of het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van de beroepsgronden van eiser terzake van de beoordeling van de gehanteerde voortvarendheid bij de voorbereidingen van verwijdering na zes maanden, overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) van toepassing is bij het bepalen of (het voortduren van) de inbewaringstelling rechtmatig is. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van voornoemde richtlijn dient deze Terugkeerrichtlijn uiterlijk 24 december 2010 te zijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Nu de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd, komt aan de Terugkeerrichtlijn per 25 december 2010 directe werking toe voor zover bepalingen daaruit onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn gesteld. De toepassing van de Terugkeerrichtlijn is overigens door verweerder niet weersproken.

In artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is het volgende bepaald.

‘Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.’

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de bewaring niet langer gerechtvaardigd is en de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten wordt, indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen.

Volgens het vijfde lid van dit artikel wordt de bewaring gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

Volgens het zesde lid van dit artikel kunnen de lidstaten de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

De Vw 2000 stelt geen maximum aan de duur van de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, onder a van die wet. Volgens vaste jurisprudentie en ook volgens het beleid van verweerder betekent dit evenwel niet dat de bewaring onbeperkt zou mogen voortduren. Gezien het ingrijpende karakter van de maatregel dient steeds een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het (algemene) belang bij voortduring van de bewaring en anderzijds het belang van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld groter. In de jurisprudentie wordt er van uitgegaan dat na zes maanden of langer het belang van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de bewaring voort te zetten.

Door de directe werking van de Terugkeerrichtlijn sinds 25 december 2010 wordt er, gezien het bepaalde in de voorgenoemde leden, een maximum van zes of achttien maanden aan de bewaring gesteld. Nu de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd, dient artikel 59 van de Vw 2000 conform deze richtlijn te worden uitgelegd en toegepast. Nu artikel 59 Vw 2000 geen maximumtermijn voor de vreemdelingenbewaring bevat, is de beslissing van verweerder om de bewaring van eiser na zes maanden te laten voortduren niet in strijd is met de Vw 2000. Hierbij merkt de rechtbank op dat artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn bovendien niet voorschrijft dat de beslissing om de bewaring na zes maanden te laten voortduren wordt neergelegd in een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit. Het voornemen om de Vw 2000 zodanig te wijzigen dat beroep wordt opengesteld tegen een dergelijke beslissing, met hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) tegen een uitspraak van de rechtbank dienaangaande, berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een keuze van de wetgever en niet op een verplichting die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank behoudt de jurisprudentie omtrent de belangenafweging haar gelding onder de Terugkeerrichtlijn, nu zij overeenkomt met hetgeen is verwoord in punt 13 en 16 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn, waarin het belang van evenredigheid tussen doel (uitzetting) en middel (vreemdelingenbewaring) wordt benadrukt.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank een kenbare belangenafweging, zoals verweerder deze doorgaans in een M120 neerlegt, als motivering van verlengingsbeslissing dan ook op zichzelf voldoende.

Overigens dient conform artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn een verlenging van een bewaring na zes maanden wel getoetst te worden aan de voorwaarden waaraan een dergelijke verlenging moet voldoen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de motivering uit het genomen verlengingsbesluit van 28 december 2010 dat er een onderzoek loopt bij de Egyptische vertegenwoordiging kan worden geschaard onder de tweede voorwaarde, genoemd in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank acht deze uitleg niet onjuist en is van oordeel dat verweerder in redelijkheid kon overgaan tot het verlengen van de bewaring.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat er verschillende vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser, laatstelijk op 22 december 2010. Ook wordt regelmatig gerappelleerd, laatstelijk op 15 december 2010. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij de (voorbereiding van de) verwijdering van eiser en dat er een redelijk vooruitzicht is op verwijdering.

Bij afweging van alle betrokken belangen is het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd.

Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.T. de Gooijer-Janse, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: