Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BO9634

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2011
Datum publicatie
03-01-2011
Zaaknummer
AWB 10/44119
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vreemdelingenbewaring / Terugkeerrichtlijn / verlenging bewaring na zes maanden / verlenging met twaalf maanden ineens / zicht op uitzetting / belangenafweging valt ondanks de lange duur van de bewaring - ruim elf maanden - uit in het voordeel van verweerder wegens de verregaande en actieve frustratie door eiser / beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 10/44119, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. E.J.C. van der Laak, advocaat te Lisse,

en

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Zijl, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser op 25 januari 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2.Bij brief van 13 december 2010 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de termijn van zijn bewaring wordt verlengd met twaalf maanden, ingaande 25 juli 2010.

1.3. Bij faxbericht van 23 december 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, nadat de rechtbank het vorige beroep van eiser tegen het voortduren van zijn bewaring bij uitspraak van 26 maart 2010 ongegrond heeft verklaard.

1.4. De zaak is op 30 december 2010 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), gelezen in samenhang met het eerste lid van deze bepaling, verklaart de rechtbank het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontneming gegrond indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.1.2. In punt 13 van de considerans van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Terugkeerrichtlijn) wordt overwogen dat het gebruik van dwangmiddelen uit het oogpunt van de gebruikte middelen en nagestreefde doelstellingen uitdrukkelijk aan de beginselen van evenredigheid en doeltreffendheid moet worden onderworpen.

In punt 16 van deze considerans wordt overwogen dat inbewaringstelling met het oog op verwijdering moet worden beperkt en, uit het oogpunt van de gebruikte middelen en nagestreefde doelstellingen, aan het evenredigheidsbeginsel worden onderworpen.

Volgens artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

a) indien er risico op onderduiken bestaat, of

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

Volgens het vierde lid van dit artikel is de bewaring niet langer gerechtvaardigd en wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten, indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen.

Volgens het vijfde lid van dit artikel wordt de bewaring gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

Volgens het zesde lid van dit artikel kunnen de lidstaten de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

a) de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

b) de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten.

Volgens artikel 20, eerste lid, eerste volzin, van de Terugkeerrichtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 december 2010 aan deze richtlijn te voldoen.

2.1.3. Het voorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn omvat de toevoeging van een vijfde en zesde lid aan artikel 59 van de Vw 2000. Het voorgestelde vijfde lid houdt, voor zover hier van belang, in dat de bewaring krachtens het eerste lid niet langer duurt dan zes maanden.

Het voorgestelde zesde lid houdt, voor zover hier van belang, in dat de bewaring krachtens het eerste lid in afwijking van het vijfde lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

Voorts omvat het voorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn de toevoeging van een vijfde lid aan artikel 94 van de Vw 2000, dat voor zover hier van belang inhoudt dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid.

2.2. de gronden van beroep

Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

De op 15 december 2010 aan eiser uitgereikte beslissing van 13 december 2010 is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn. Deze richtlijn treedt echter pas op 25 december 2010 in werking, zodat de beslissing van 13 december 2010 ontijdig en onrechtmatig is. Bovendien is er vooralsnog geen wettelijk basis voor het nemen van een dergelijke beslissing.

Voor zover de rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd is tot het nemen van de beslissing van 13 december 2010, is van belang dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Dat eiser zou weigeren in het Engels te spreken, is niet relevant. Het vermoeden van verweerder dat eiser de Portugese taal machtig is, is niet gebaseerd op harde feiten. Eiser spreekt Spaans en hij kan zich met behulp van een tolk in die taal verstaanbaar maken. Eiser heeft meewerkt aan alle identiteitsgehoren, vertrekgesprekken en presentaties. Voorts heeft verweerder de bewaring van eiser ten onrechte verlengd met twaalf maanden.

Er is geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

De belangenafweging moet in het voordeel van eiser uitvallen.

2.3. het standpunt van verweerder

Verweerder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Niet valt in te zien waarom de datum van uitreiking van de beslissing van 13 december 2010 deze beslissing onrechtmatig maakt. Omdat de Terugkeerrichtlijn vanaf 24 december 2010 rechtstreekse werking heeft, kan de voortduring van de bewaring van eiser tot deze datum niet in strijd zijn met de Terugkeerrichtlijn. De Terugkeerrichtlijn staat er niet aan in de weg om de bewaring van eiser langer te laten voortduren dan zes maanden, omdat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Eiser weigert vertrekgesprekken te voeren. Hij stelt dat Spaans zijn moedertaal is, maar hij kan zich in die taal nauwelijks verstaanbaar maken. De strafzaak tegen eiser is in het Engels gevoerd, maar tijdens de presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten weigerde eiser die taal te spreken, wat heeft geleid tot de weigering van een laissez-passer (hierna: lp). Er zijn sterke aanwijzingen dat eiser uit Nigeria komt. De keuze van verweerder om de bewaring in voorkomende gevallen met twaalf maanden ineens te verlengen, is ingegeven door praktische overwegingen. Als verweerder een kortere termijn zou hanteren, moet de bewaring wellicht herhaaldelijk worden verlengd. De verlenging met twaalf maanden laat onverlet dat de bewaring eerder zal worden opgeheven als verweerder daartoe aanleiding ziet of als de rechtbank een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring gegrond verklaart.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. De rechtbank zal eerst ingaan op de beroepsgrond dat de voortduring van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank bevatten het vijfde en zesde lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijke en nauwkeurig bepaalde normen over de maximale duur van de vreemdelingenbewaring, zodat deze artikelleden vanaf 24 december 2010 door eiser kunnen worden ingeroepen tegenover verweerder.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de in artikel 15, zesde lid, onder a), van de Terugkeerrichtlijn bedoelde situatie in het geval van eiser aan de orde is. De stelling van eiser dat hij volledig meewerkt, vindt geen steun in de feiten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser heeft geen inspanningen verricht om documenten te verkrijgen of informatie te verstrekken die zijn uitzetting zou(den) kunnen bevorderen.

Tijdens een identiteitsgehoor op 15 november 2007 heeft eiser verklaard dat hij zowel de Nigeriaanse als de Venezolaanse nationaliteit heeft. Thans stelt eiser zich daarentegen op het standpunt dat hij uitsluitend de Venezolaanse nationaliteit heeft en Spaans spreekt. Blijkens het verslag van het vertrekgesprek van 11 januari 2010 heeft de tolk op die datum verklaard dat eiser gebrekkig Spaans spreekt en dat zijn grammatica erg slecht is. Blijkens het verslag van het vertrekgesprek van 27 januari 2010 hebben twee tolken Spaans op die datum verklaard dat zij eiser niet begrijpen. Blijkens het verslag van het vertrekgesprek van 18 oktober 2010 heeft de tolk Spaans op die datum verklaard dat eiser niet Spaanstalig is en dat zijn Spaans zeer slecht is. Desondanks heeft eiser tijdens de presentatie op 11 maart 2010 bij de autoriteiten van Nigeria uitsluitend in de Spaanse taal willen spreken, waardoor geen gesprek mogelijk was en de door verweerder aangevraagde lp is geweigerd. Tijdens de presentatie van eiser bij deze autoriteiten op 4 juni 2008 is hetzelfde gebeurd. De strafzaak tegen eiser is in het Engels gevoerd en de bewaarders hebben tegenover de regievoerder verklaard dat zij Engels met eiser spreken.

Tijdens het vertrekgesprek van 11 januari 2010 heeft eiser verklaard nergens aan mee te werken. Op 17 maart, 21 april en 27 mei 2010 heeft eiser geweigerd een vertrekgesprek te voeren. De vertrekgesprekken van 15 juli, 21 september en 16 december 2010 zijn door toedoen van eiser voortijdig beëindigd, in de laatste twee gevallen wegens agressief gedrag.

Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, laten naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat eiser de pogingen van verweerder om hem uit te zetten op verschillende manieren en in verregaande mate frustreert.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat voortduring van de maatregel van bewaring na zes maanden niet mogelijk is wegens het ontbreken van een expliciete bevoegdheidsgrondslag in de Vw 2000 tot het nemen van wat partijen aanduiden als een verlengingsbesluit. Verweerder wijst er terecht op dat de vreemdelingenbewaring van eiser op 25 juli 2010 zes maanden voortduurde, terwijl de termijn voor implementatie van de Terugkeerrichtlijn toen nog niet was verstreken. Van strijd van de voortduring van de bewaring van eiser met de Terugkeerrichtlijn kan in de periode tot 24 december 2010 dan ook geen sprake zijn.

Het bepaalde in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn strekt ertoe dat de duur van de vreemdelingenbewaring wordt beperkt tot een maximum van zes of achttien maanden. Dit doel kan naar het oordeel van de rechtbank worden bereikt door de Vw 2000 uit te leggen in overeenstemming met de richtlijn. De Vw 2000 bevat geen maximumtermijn voor de vreemdelingenbewaring, zodat de beslissing van verweerder om de bewaring van eiser na zes maanden te laten voortduren niet in strijd is met de Vw 2000. De voortduring van de bewaring vanaf 24 december 2010 is evenmin in strijd met de Terugkeerrichtlijn, omdat de in artikel 15, zesde lid, onder a), van deze richtlijn genoemde situatie in het geval van eiser aan de orde is. De Terugkeerrichtlijn schrijft bovendien niet voor dat de beslissing om de bewaring na zes maanden te laten voortduren wordt neergelegd in een afzonderlijk besluit. Dat de Vw 2000 geen expliciete bevoegdheidsgrondslag biedt voor het nemen van wat partijen aanduiden als een verlengingsbesluit, betekent onder deze omstandigheden niet dat de bewaring van eiser sinds 24 december 2010 in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Dat de beslissing tot verlenging van de maatregel van bewaring vóór 24 december 2010 aan eiser is uitgereikt, is onder deze omstandigheden niet van belang.

De beroepsgrond dat de voortduring van de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn slaagt dan ook niet.

2.4.2. De rechtbank acht het praktische argument van verweerder om de duur van de bewaring van eiser met twaalf maanden ineens te verlengen valide. Doorslaggevend voor het oordeel van de rechtbank dat deze verlenging rechtmatig is, is dat eiser hierdoor niet in zijn belangen wordt geschaad. Het gestelde in de brief van 13 december 2010 laat immers onverlet dat de bewaring van eiser eerder zal worden opgeheven als verweerder daartoe aanleiding ziet of als de rechtbank de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt.

2.4.3. Bij de beoordeling van de beroepsgrond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, stelt de rechtbank voorop dat eiser geen beroep heeft gedaan op artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Wat hiervan zij, dat de voorbereiding van de uitzetting van eiser zich door zijn eigen opstelling in een impasse bevindt, betekent niet dat de kans dat hij binnen een redelijke termijn alsnog kan worden uitgezet zo gering is dat de bewaring om die reden moet worden opgeheven. Het is aan eiser om alsnog mee te gaan werken aan de voorbereiding van zijn uitzetting door naar waarheid te verklaren over zijn identiteit en nationaliteit en stukken over te leggen ter onderbouwing daarvan. Als eiser dat doet, behoort uitzetting binnen een redelijke termijn tot de mogelijkheden.

2.4.4. In de jurisprudentie wordt veelal als uitgangspunt gehanteerd dat het belang van een vreemdeling bij invrijheidstelling na zes maanden zwaarwegender is geworden dan het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring. Onder omstandigheden kan deze termijn langer of korter zijn. Naar het oordeel van de rechtbank behoudt deze jurisprudentie haar gelding onder de Terugkeerrichtlijn. De Terugkeerrichtlijn laat immers onverlet dat de rechtbank het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 gegrond verklaart als toepassing van die maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. Hierbij komt nog dat in punt 13 en 16 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn het belang van evenredigheid tussen doel (uitzetting) en middel (vreemdelingenbewaring) wordt benadrukt.

Partijen zijn het erover eens dat de Terugkeerrichtlijn eraan in de weg staat om de criminele antecedenten van eiser te betrekken bij de belangenafweging. Nu in zoverre geen sprake is van een geschil tussen partijen, terwijl de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat zij de juistheid van dit standpunt van partijen ambtshalve moet beoordelen, zal de rechtbank de criminele antecedenten van eiser buiten beschouwing laten bij de belangenafweging.

Naar het oordeel van de rechtbank is voortduring van maatregel van bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd. Ten tijde van de sluiting van het onderzoek verbleef eiser al ruim elf maanden in bewaring, zodat sprake moet zijn van zwaarwegende belangen aan de zijde van verweerder om de bewaring nog langer te laten voortduren. Er kan echter niet aan worden voorbijgegaan dat eiser de pogingen van verweerder om hem uit te zetten op verschillende manieren en in verregaande mate actief frustreert, waardoor hij het verweerder vrijwel onmogelijk maakt om vorderingen te maken bij de voorbereiding van de uitzetting. Zolang eiser uitsluitend Spaans wenst te spreken, terwijl duidelijk is dat dit niet zijn moedertaal is, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat het afnemen van een taalanalyse niet zinvol is. De handelingen die verweerder wel kan verrichten, zoals een onderzoek naar een adres in Nigeria dat eiser in 2007 heeft genoemd en het regelmatig proberen te voeren van vertrekgesprek met eiser, worden door verweerder verricht. De ontstane impasse komt onder deze omstandigheden volledig voor rekening en risico van eiser, wat zwaar meeweegt in de belangenafweging en maakt dat deze afweging ondanks de lange duur van de vreemdelingenbewaring in het voordeel van verweerder uitvalt.

2.5. Het beroep is derhalve ongegrond.

Er is geen grond voor schadevergoeding.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.6. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en P. van den Berg, griffier, ondertekend.