Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:28040

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2011
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
11-8341
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op het rapport van dr. mr. M.E. Kalverboer van 12 januari 2009, het oordeel hierover van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, en gezien het aanvullende rapport van dr. mr. M.E. Kalverboer van 18 januari 2011, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voorts niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van eiseres en haar dochter geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’.

Het door verweerder ingenomen subsidiaire standpunt dat inhoudt dat zelfs in het geval wel sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen eiseres en haar dochter, geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM omdat het feit dat de dochter van eiseres een verblijfsvergunning heeft gekregen, niet betekent dat zij niet met haar moeder naar Moldavië zou kunnen om daar het familie- en gezinsleven uit te oefenen, kan, reeds vanwege hetgeen is overwogen omtrent de aanwezigheid van een objectieve belemmering, geen stand houden.

Verweerder heeft verder gesteld dat, ook indien sprake zou zijn van ‘more than normal emotional ties’ tussen eiseres en haar dochter, van de inmiddels meerderjarige dochter van eiseres verwacht kan worden dat zij zich, eventueel met behulp van derden, zonder eiseres in Nederland zal staande houden. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de rapporten dr. mr. M.E. Kalverboer, waaruit blijkt de dochter van eiseres zich niet zonder eiseres zelfstandig zal kunnen handhaven in Nederland, onvoldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder de conclusies en adviezen uit deze rapporten niet weerleggen door middel van slechts -niet nader onderbouwde- stellingen over onder meer de deskundigheid van de opsteller(s) ervan of over de objectiviteit en wetenschappelijkheid van de rapporten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht
vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 11/8341BEPTDN/BE

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum],

van Burger van Moldavië nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer],

eiseres,

gemachtigde: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat te Apeldoorn;

tegen

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.R. de Vos, ambtenaar ten departemente.

1 Procesverloop

Op 9 januari 2009 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking uitoefening gezinsleven bij dochter Irina ingediend. Bij besluit van 27 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 6 april 2009 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard. Bij brief van 16 december 2009 is daartegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 17 november 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Verweerder heeft het bezwaar van 6 april 2009 bij besluit van 4 maart 2011 opnieuw ongegrond verklaard. Bij brief van 10 maart 2011 is daartegen beroep ingesteld. Dit beroep is aangevuld bij brief van 12 april 2011. Op 25 mei 2011 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 14 juni 2011 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Overwegingen

In geschil is de vraag of verweerder eiseres op juiste gronden de door haar gevraagde verblijfsvergunning heeft geweigerd.

Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemde-lingenwet 2000 (Vw 2000), kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Op grond van het bepaalde in artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000, is van het mvv-vereiste vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Op grond van het bepaalde in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan verweerder het eerste lid van artikel 3.71 van het Vb 2000 buiten toepassing laten, voor zover deze toepassing naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

In artikel 8 EVRM is het volgende bepaald:
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

In hoofdstuk B2/10 Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is onder meer het volgende geregeld over het beleid ten aanzien van artikel 8 EVRM.

“(…) indien de vreemdeling eerder rechtmatig verblijf heeft gehad en de redelijke termijn voor voortzetting van verblijf is overschreden, is wel sprake van inmenging. In dit geval zal het eerder rechtmatig verblijf, de duur en de reden van de termijnoverschrijding in de belangenafweging betrokken dienen te worden.

(…)
Zowel bij eerste toelating als bij inmenging dient altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafwegingen bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving.

(…)
Bij gezinshereniging dan wel -vorming zal in ieder geval in de belangenafweging betrokken dienen te worden of:

• het gezinsleven is aangegaan terwijl geen verblijfsrecht is verleend;

• er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen;

• er sprake is van bijzondere omstandigheden;

• bij ouders en meerderjarige kinderen of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding (more than normal emotional ties).
(…)
In Nederland gevestigde kinderen

In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:

• de nationaliteit van het in Nederland gevestigde kind;

• de leeftijd van het in Nederland gevestigde kind;

• de bijzondere omstandigheden van het in Nederland gevestigde kind;

• de bijdrage die de vreemdeling levert in de kosten voor, en opvoeding van de kinderen;

• de gezagsverhouding;

• de frequentie en regelmaat van het contact met het kind (als uitgangspunt wordt hierbij een minimum van 8 uur per week of één weekend in de twee weken aangehouden. Indien de omvang van het feitelijk contact minder is zou dit in de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling kunnen worden meegenomen);

• het belang van het kind bij de aanwezigheid van de vreemdeling;

• de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven.

(…)”.

Eerder in de procedure naar aanleiding van de aanvraag van eiseres van 9 januari 2009 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, bij uitspraak van 17 november 2010 het besluit van verweerder van 29 oktober 2009 vernietigd en daarbij onder meer als volgt geoordeeld op het door eiseres en haar dochter ingestelde beroep tegen dat besluit van verweerder tot afwijzing van de bezwaren van eiseres en haar dochter:

“Allereerst wijst de rechtbank op het rapport Kalverboer (…).
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport afdoende dat (een tijdelijke) terugkeer van [dochter] naar Moldavië zeer schadelijk voor haar zal zijn en zal kunnen leiden tot suïcide of een poging daartoe. Overigens overweegt de rechtbank dat verweerder met de enkele overweging in het besluit van 29 oktober 2009, dat het rapport slechts het standpunt van Kalverboer weergeeft en (in het rapport) slechts een aantal stellingen wordt geponeerd en bepaalde angsten worden uitgesproken maar deze niet worden geconcretiseerd, volstrekt voorbijgaat aan de omvang en grondigheid van dit rapport, dat zeer specifiek ingaat op de situatie en persoon van eiseres 2 (bedoeld wordt hier de dochter van eiseres)”.


Ten aanzien van eiseres oordeelde deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, in voornoemde uitspraak als volgt:

“Verweerder heeft in het besluit van 29 oktober 2010 gesteld dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM, zodat eiseressen niet op voet van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000, worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat eiseressen geacht worden hun gezinsleven gezamenlijk buiten Nederland uit te oefenen. De rechtbank overweegt dat dit standpunt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet langer op een draagkrachtige motivering berust”.

De rechtbank stelt vast dat tegen dit oordeel van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen geen hoger beroep is ingesteld, zodat verweerder daarvan diende uit te gaan bij het opnieuw besluiten op de bezwaren van eiseres en haar dochter tegen de besluiten van verweerder van 27 maart 2009.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder bij besluit van 4 januari 2011 het bezwaar van de dochter van eiseres gegrond heeft verklaard en haar een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf heeft verleend.

Verweerder heeft bij besluit van 4 maart 2011 het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard, omdat eiseres niet beschikt over een geldige mvv en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 of artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Volgens verweerder is geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM. Daartoe heeft verweerder overwogen dat bij afweging van alle belangen het belang van de Nederlandse overheid tot het voeren van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder dient te wegen dan het belang van eiseres en haar dochter. Hierbij stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te voeren omdat er geen sprake is van verblijf op asielgronden. Daarom zou volgens verweerder de dochter van eiseres met eiseres kunnen terugkeren naar hun land van herkomst om daar het gezinsleven uit te oefenen, ook al heeft de dochter verblijf conform beschikking minister gekregen. Ook zou het familieleven op afstand kunnen worden uitgeoefend, want de dochter van eiseres is meerderjarig en kan volgens verweerder op grond daarvan geacht worden op eigen benen te staan. Onvoldoende is volgens verweerder aangetoond dat er sprake van zodanige emotionele banden tussen moeder en dochter dat die nopen tot verblijfsaanvaarding.


Voorts heeft verweerder overwogen dat er geen sprake is van dusdanig bijzondere en individuele omstandigheden dat eiseres een geslaagd beroep zou kunnen doen op de hardheidsclausule.

Eiseres merkt op dat zij weliswaar haar aanvraag niet binnen de redelijke termijn daarvoor van twee jaar heeft ingediend, maar dat zij wel degelijk rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning. In feite gaat het dus niet om eerste toelating, dit dient verweerder in zijn overwegingen te betrekken. Ook stelt zij zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Volgens haar is er sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven met haar dochter uit te oefenen in het land van herkomst. In dit verband wijst zij in de eerste plaats op (de inhoud van) het rapport van mevrouw Kalverboer van 12 januari 2009 en de aanvulling daarop van 18 januari 2011. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de dochter enkel en alleen is gebaat bij een zeer snelle toekenning van een recht op verblijf in Nederland. In Moldavië zal zij zich niet kunnen verweren tegen deze verharde maatschappij. De kans is groot dat zij slachtoffer wordt van criminele bendes of vrouwenhandel. Daarnaast is de kans op zelfdoding zeer reëel. Hieruit blijkt volgens eiseres van een objectieve belemmering voor haar dochter om zich te vestigen in Moldavië. Uit het rapport van mevrouw Kalverboer blijkt eveneens dat de steun en lijfelijke aanwezigheid van haar moeder voor de dochter van eiseres van essentieel belang is en onontbeerlijk om de ontwikkeling en gezondheid van haar dochter te waarborgen. Eiseres is dan ook van mening dat verweerder in zijn belangenafweging volledig voorbij is gegaan aan haar belangen en die van haar dochter. Eiseres wijst er op dat mevrouw Kalverboer een deskundige is en dat dit ook blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 17 november 2010.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de uitspraak van 17 november 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, is door de rechtbank overwogen dat uit het rapport van dr. mr. M.E. Kalverboer afdoende blijkt dat een (tijdelijke) terugkeer van de dochter van eiseres naar Moldavië zeer schadelijk voor haar zal zijn en dat het destijds bestreden besluit -gelet hierop- op een niet draagkrachtige motivering berustte nu daarin is gesteld dat eiseres en haar dochter hun gezinsleven gezamenlijk buiten Nederland kunnen uitoefenen.


Uit dit -in rechte onaantastbaar geworden- oordeel blijkt dus dat van de dochter van eiseres niet (ook niet voor tijdelijk) kan worden verwacht dat zij terug zal gaan naar Moldavië. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een objectieve belemmering voor de dochter van eiseres om met eiseres terug te keren naar Moldavië.


Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat van de dochter van eiseres kan worden verwacht dat zij (tijdelijk) met eiseres zal terugkeren naar hun land van herkomst.

Gelet op het rapport van dr. mr. M.E. Kalverboer van 12 januari 2009, het oordeel hierover van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, en gezien het aanvullende rapport van dr. mr. M.E. Kalverboer van 18 januari 2011, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voorts niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van eiseres en haar dochter geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Uit voornoemd rapport van 12 januari 2009 blijkt immers onder meer dat het vertrek van haar vader op zeer jonge leeftijd en de schrijnende situatie in Moldavië waarbij ze van haar moeder gescheiden was en die haar uiteindelijk op zeer jonge leeftijd deed overgaan tot een zelfmoordpoging, van de dochter van eiseres een uiterst kwetsbaar meisje hebben gemaakt. Ook blijkt daaruit dat de dochter van eiseres zodanig ernstige internaliserende problemen heeft dat zij zich in Nederland nauwelijks kan staande houden en dat de steun van eiseres hierbij van essentieel belang is. Uit het aanvullende rapport van 18 januari 2011 blijkt eveneens dat er volgens dr. mr. M.E. Kalverboer sprake is van een bijzondere afhankelijkheid van de dochter van eiseres ten opzichte van eiseres, de dochter is in haar hele functioneren afhankelijk van eiseres en de steun en lijfelijke aanwezigheid van eiseres is van essentieel belang en onontbeerlijk voor een gezonde ontwikkeling van haar dochter. Ook blijkt daaruit dat zeker is dat de dochter van eiseres, bij afwezigheid van eiseres, niet zelfstandig in staat zal zijn om vorm te geven aan haar bestaan en dat, wanneer eiseres zal worden uitgewezen, opnieuw suïcidegevaar voor de dochter dreigt.

Het door verweerder ingenomen subsidiaire standpunt dat inhoudt dat zelfs in het geval wel sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen eiseres en haar dochter, geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM omdat het feit dat de dochter van eiseres een verblijfsvergunning heeft gekregen, niet betekent dat zij niet met haar moeder naar Moldavië zou kunnen om daar het familie- en gezinsleven uit te oefenen, kan, reeds vanwege hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aanwezigheid van een objectieve belemmering, geen stand houden.

Verweerder heeft verder gesteld dat, ook indien sprake zou zijn van ‘more than normal emotional ties’ tussen eiseres en haar dochter, van de inmiddels meerderjarige dochter van eiseres verwacht kan worden dat zij zich, eventueel met behulp van derden, zonder eiseres in Nederland zal staande houden. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de rapporten dr. mr. M.E. Kalverboer, waaruit blijkt de dochter van eiseres zich niet zonder eiseres zelfstandig zal kunnen handhaven in Nederland, onvoldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder de conclusies en adviezen uit deze rapporten niet weerleggen door middel van slechts -niet nader onderbouwde- stellingen over onder meer de deskundigheid van de opsteller(s) ervan of over de objectiviteit en wetenschappelijkheid van de rapporten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de -in rechte vaststaande- uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, en zij is van oordeel dat hetgeen daarin is overwogen over het rapport van 12 januari 2009 ook opgaat voor de aanvullende rapportage van 18 januari 2011. Bovendien is namens eiseres onderbouwd gesteld dat de rapporten van dr. mr. M.E. Kalverboer voldoen aan de vereisten die aan orthopedagogische gedragswetenschappelijke rapportages worden gesteld, terwijl door verweerder geen enkel argument is aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat bedoelde rapporten niet aan de juiste wetenschappelijke vereisten voldoen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het bestreden besluit geen stand houden en dient het te worden vernietigd omdat het onvoldoende is gemotiveerd.

Het beroep is, gelet op het vorenstaande, gegrond.

In het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt terzake van verleende rechtsbijstand 2 punten (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1) toegekend.

3 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van
    hetgeen in deze uitspraak is bepaald;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten begroot op € 874,--, te vergoeden aan de
    griffier van deze rechtbank en nevenzittingsplaats;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 152,-- aan haar
    dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. L.M. Tobé, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.T.M. Nijboer, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat.

Afschrift verzonden: