Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BX5692

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
AWB 09/7534 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Militair ambtenarenrecht.

Vergoeding schade op grond van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/7534 MAW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. O.W. Borgeld,

en

1. de Commandant Zeestrijdkrachten (hierna te noemen: de commandant),

2. de staatssecretaris van Defensie (hierna te noemen: de staatssecretaris),

verweerders.

I PROCESVERLOOP

Bij brief van 8 mei 2009 heeft eiser een aanvraag ingediend die strekt tot compensatie van de schade ontstaan door de buiten zijn schuld opgelopen vertraging bij zijn opleiding tot vlieger.

Bij besluit van 3 juli 2009 hebben verweerders, ieder zover bevoegd, de aanvraag afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 juli 2009 bezwaar gemaakt. Op 17 augustus 2009 heeft hij de gronden ingediend.

Eiser heeft bij brief van 26 oktober 2009, ingekomen bij de rechtbank per fax op gelijke datum, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaren.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft de commandant het bezwaar van eiser aangaande het vliegbrevet, de vliegtoelage en de herberekening van die vliegtoelage ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft de staatssecretaris de bezwaren van eiser aangaande de verlengingspremie en de schadevergoeding ongegrond verklaard.

Eiser heeft de gronden van zijn beroep, thans mede gericht tegen de beide besluiten van 27 oktober 2009, aangevuld bij brief van 25 november 2009.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 augustus 2010 heeft eiser een nadere reactie met bijlagen ingediend.

Het beroep is op 9 september 2010 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde mr. A.M. Rentema-Westerhof.

II OVERWEGINGEN

1. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op bezwaar dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu verweerders alsnog besluiten op bezwaar hebben genomen.

Wel bestaat aanleiding verweerders te veroordelen in de proceskosten, nu zij hebben erkend niet tijdig, dat wil zeggen niet uiterlijk op 26 oktober 2009, te hebben beslist. Het feit dat namens verweerders op 26 oktober 2009 telefonisch aan de gemachtigde van eiser is meegedeeld dat de besluiten op bezwaar op 27 oktober 2009 zouden worden genomen, doet er niet aan af dat deze besluiten te laat zijn genomen.

De te vergoeden proceskosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 109,25 (voor het indienen van een beroepschrift bij een zaak van zeer licht gewicht),

2. Eiser, luitenant ter zee 2de klasse oudste categorie, is op 8 november 2005 geplaatst in de opleiding tot helikoptervlieger. Per 31 december 2008 is zijn aanstelling voor bepaalde tijd overgegaan in een aanstelling bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht in loopbaanfase 2 van het Flexibel personeel systeem (FPS). Daarbij is bepaald dat de loopbaanfase 2 zal aflopen op 19 december 2017 en dat de dienverplichting van 8 jaar zal duren tot 28 februari 2017. Eiser heeft op 10 februari 2009 zijn marinevliegbrevet gehaald. Daarmee heeft eisers opleiding 15 maanden langer geduurd dan de gebruikelijke opleidingsduur van 24 maanden. Niet in geschil is dat de vertraging buiten de schuld van eiser in ontstaan. De vertraging werd onder meer veroorzaakt door de lage beschikbaarheid van helikopters, instructeurs en onderhoudspersoneel tijdens het opleidingstraject.

3. Bij besluit op bezwaar van 29 april 2009 is bepaald dat de loopbaanfase 2 zal aflopen op 19 december 2015 en de dienverplichting op 8 november 2015.

Bij besluit van 8 mei 2009 is eiser per 1 februari 2009 in aanmerking gebracht voor een vliegtoelage op basis van categorie A waarderingsfactor 25.

4. Bij brief van 8 mei 2009 heeft eiser, gelet op de erkenning door de Koninklijke Marine dat de vertraging in de opleiding niet aan eiser is te wijten, verzocht:

1. hem met terugwerkende kracht tot 8 november 2007 het vliegbrevet toe te kennen;

2. hem met ingang van 8 november 2007 een vliegtoelage toe te kennen;

3. het aantal punten vliegtoelage te herbeoordelen gebaseerd op 8 november 2008 (lees: 2007);

4. een premie toe te kennen voor 8 jaren als vlieger zoals in het loopbaangesprek van september 2005 ter sprake is gekomen.

5. Verweerders hebben deze aanvragen bij het primaire besluit, ieder voor zover bevoegd, afgewezen. De staatssecretaris heeft het verzoek van eiser tevens opgevat als een verzoek om schadevergoeding ter compensatie van het financieel nadeel dat eiser heeft geleden doordat hem niet per 8 november 2007 het vliegbrevet is toegekend. Ook dit verzoek heeft de staatssecretaris afgewezen.

6. De commandant heeft bij besluit op bezwaar van 27 oktober 2009 de afwijzing van de verzoeken 1 tot en met 3 gehandhaafd. De staatssecretaris heeft bij besluit op bezwaar van 27 oktober 2009 de afwijzing van verzoek 4 en de afwijzing van het verzoek om financiële schadevergoeding gehandhaafd.

7. Met betrekking tot hetgeen eiser daartegen in beroep heeft aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

8. Naar het oordeel van de rechtbank ligt reeds in de aard van een vliegbrevet besloten dat deze niet kan worden toegekend met terugwerkende kracht tot een datum waarop nog niet is voldaan aan de vereisten om voor een vliegbrevet in aanmerking te komen. Het gelijkheidsbeginsel gaat niet zover dat verweerder in strijd met de regelgeving een vliegbrevet zou moeten toekennen over een periode waarin de aanvragen niet aan de vereisten om voor een vliegbrevet in aanmerking te komen voldeed. Aangezien eiser op 8 november 2007 nog niet voldeed aan de vereisten voor de verkrijging van een vliegbrevet heeft de commandant terecht de aanvraag om eiser met terugwerkende kracht tot die datum een vliegbrevet toe te kennen afgewezen.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

9. Aangezien eiser niet met terugwerkende kracht per 8 november 2007 in het bezit kan worden gesteld van een vliegbrevet is hij, gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Inkomstenregeling militairen (IRM), terecht niet in aanmerking gebracht voor een vliegtoelage per die datum. Als één van de vereisten om voor een vliegtoelage in aanmerking te komen geldt immers dat men daadwerkelijk inzetbaar is als lid van een vliegtuigbemanning, hetgeen moet blijken uit het voldoen aan terzake vastgestelde vaardigheidseisen. Eiser voldeed per 8 november 2007 niet aan de vastgestelde vaardigheidseisen. Ook dit onderdeel van het beroep is ongegrond.

10. Het geschil spitst zich verder toe op de vraag of verweerder op grond van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), eiser vergoeding mocht onthouden voor het gemis van de vliegtoelage per 8 november 2007 en voor het gemis van de opbouw daarvan per aanvangsdatum 8 november 2007 (volgens tabel 12 bij het IRM). Tevens is in geschil of verweerder eiser een vergoeding mocht onthouden voor een verlengingstoelage, die eiser zou zijn toegekomen wanneer hij per 8 november 2007 zijn opleiding zou hebben kunnen voltooien zoals hem was toegezegd.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voor de uitloop van zijn opleiding met vijftien maanden in totaliteit in voldoende mate is gecompenseerd door de verkorting van de duur van zijn dienverplichting met vijftien maanden.

12. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 115 van het AMAR kan worden gezien als een uitdrukking van de norm dat een overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen. Verweerder heeft erkend dat eiser is voorgespiegeld dat hij zijn opleiding zou kunnen afronden binnen 24 maanden en dat eisers opleiding door toedoen van verweerder vijftien maanden langer heeft geduurd. Verweerder heeft zich niet op overmacht beroepen. Uit de onder 3 van de gespreksnotitie van 31 oktober 2003 genoemde mededeling dat "recente ervaringen leren dat de einddatum van de opleiding niet met zekerheid is vast te stellen" hoefde eiser niet af te leiden dat daarmee de mogelijkheid werd opengehouden dat de opleiding door verweerders toedoen vijftien maanden zou kunnen uitlopen.

Onder deze omstandigheden kon verweerder in redelijkheid niet weigeren de inkomensschade die door de uitloop is ontstaan in beginsel volledig te vergoeden.

13. Tot de te vergoeden schade behoort naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval het gemis van de verlengingspremie. Doorslaggevend is immers niet of de rechtspositionele regelgeving per datum aanvraag (8 mei 2009) de ruimte bood om deze verlengingspremie toe te kennen, maar of de op 8 november 2007 geldende rechtspositionele regelgeving deze ruimte bood. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris dit in het midden gelaten. De staatssecretaris zal alsnog dienen te onderzoeken of de op 8 november 2007 geldende regelgeving de ruimte bood eiser een verlengingspremie voor acht jaar als vlieger toe te kennen. Slechts indien de op 8 november 2007 geldende regelgeving dat niet toeliet kan verweerder zich beroepen op de afspraak onder punt 4 van de gespreksnotitie van 31 oktober 2005 en eiser schadeloosstelling voor het gemis van deze premie weigeren op de grond dat eiser, ook wanneer hij na 24 maanden zijn opleiding had kunnen afronden, deze premie niet zou hebben ontvangen.

14. Tot de te vergoeden schade behoort naar het oordeel van de rechtbank niet het gemis van de vliegtoelage over de periode van 8 november 2007 tot 10 februari 2009. Immers tegenover de toekenning van de vliegtoelage staat een nadeel, het daadwerkelijk operationeel zijn, dat eiser niet heeft geleden in die periode. Dat eiser in de genoemde periode door toedoen van verweerders de opleiding nog niet had gehaald en daardoor niet daadwerkelijk operationeel kon zijn, doet er niet aan af dat eiser dit nadeel, dat tegenover de vliegtoelage behoort te staan, niet heeft geleden. De rechtbank acht daarom de weigering om de schade die eiser heeft geleden door het gemis van de vliegtoelage in genoemde periode houdbaar.

15. Daarentegen behoort tot de te vergoeden schade wel het gemis aan opbouw van de vliegtoelage. Vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk operationeel was, 10 februari 2009, en derhalve ook het nadeel ondervond dat gepaard gaat met het werkelijk operationeel zijn, had hij recht op een vliegtoelage. Deze toelage zou, indien eiser zijn opleiding na 24 maanden had kunnen voltooien, gebaseerd zijn een waarderingsfactor 30 en zou vervolgens telkens jaarlijks per 8 november één stap worden verhoogd conform tabel 12 bij de IRM. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder vergoeding voor het gemis aan opbouw in redelijkheid niet weigeren. Verweerder dient de per 1 februari 2009 toegekende vliegtoelage derhalve te herberekenen, waarbij uit dient te worden gegaan van een puntenopbouw volgens tabel 12 bij de IRM als ware de ingangsdatum van de toelage geweest 8 november 2007.

16. Het beroep is gegrond en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. Verweerders dienen een nieuw besluit op bezwaar te nemen in overeenstemming met hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerders dienen daarbij tevens te beslissen over het verzoek van eiser over de kosten die eiser in verband met het gemaakte bezwaar heeft moeten maken, waarbij in aanmerking is te nemen dat twee maal een hoorzitting in bezwaar heeft plaatsgevonden.

17. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-, te weten € 437,- voor het beroepschrift en € 437,- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten van de commandant en de staatssecretaris van 27 oktober 2009;

draagt verweerders op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat verweerders aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 150,-- vergoeden.

Veroordeelt verweerders in de proceskosten ten bedrage van € 983,25, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. A.H. Bergman, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.