Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BR4409

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
09/993055-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift. Verdachte heeft 7 facturen valselijk opgemaakt door daarop onjuiste werkadressen te vermelden of daarop te lage BTW-percentages danwel te lage bedragen te factureren, waarbij in het laatste geval de rest van de overeengekomen aanneemsom 'zwart' aan hem werd uitbetaald. Verdachte wist dat zijn debiteur deze valse facturen zou verwerken in zijn administratie. Werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/993055-09

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] in 1968,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 juni 2010 en 8 oktober 2010.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr A.C. van 't Hek, advocaat te Bleiswijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. C. Backer heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren waarvan 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste dat:

hij al dan niet handelend onder de (bedrijfs)naam [Bedrijf A.] (Bouw- en aannemingbedrijf (en) machinale/Machinale houtbewerking) op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 14 juli 2004 tot en met 1 mei 2006 te Hoogmade en/of Kaag en Braassem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) (rechts)perso(o)n(en), althans

alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) één of meer van de volgende factu(u)r(en) ten name van [Bedrijf A.] (Bouw- en aannemingbedrijf (en) machinale/Machinale houtbewerking) d.d.:

A) -14 juli 2004 met (factuur- en/of rekening)nummer [Nr.] en/of

-14 september 2004 met (factuur- en/of rekening) nummer [Nr.]

en/of

-3 november 2004 met (factuur- en/of rekening) nummer [Nr.]

en/of

-16 maart 2005 met factuurnummer [Nr.] en/of

B) -1 mei 2006 met factuurnummer [Nr.] en/of

C) -2 februari 2005 met factuurnummer [Nr.] en/of

-22 december 2004 met factuurnummer [Nr.]

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen,

hebbende voornoemde verdachte en/of zijn, mededader(s) (telkens) in strijd met de waarheid, - zakelijk weergegeven -

(telkens) in/op de onder A) bedoelde (afschrift(en) van) (een) factu(u)r(en) (werk)adres(sen) opgegeven/vermeld (terwijl dit/deze (werk)adres(sen) niet het/de (enige) adres(sen) is/zijn waar de gefactureerde werkzaamhe(i)d(en) heeft/hebben plaatsgevonden dan wel is/zijn verricht (zie [Nr.]), en/of

in/op het onder B) bedoelde (afschrift van) (een) factuur (een) bedrag exclusief 19% B.T.W. ad 18.160,- euro en/of (een) bedrag ter zake 19% B.T.W. ad 3.450,40 euro opgegeven/vermeld (terwijl dit/deze bedrag(en) afwijk(t)(en) van de kopie factuur in de administratie van [directeur bedrijf B.] en/of [Bedrijf B.], [Nr.]), en/of

(telkens) in/op de onder C) bedoelde (afschrift(en) van) (een) factu(u)r(en) (een) onjuist(e) en/of (een) onvolledig(e) bedrag(en) en/of prij(s)(zen)en/of werkzaamhe(i)d(en) (ten aanzien van dat desbetreffende (werk)adres en/of project) vermeld (zie [Nr.]),

zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het op de dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals hieronder vermeld, dat:

hij al dan niet handelend onder de bedrijfsnaam [Bedrijf A.] (Bouw- en aannemingbedrijf en Machinale houtbewerking) in de periode van 14 juli 2004 tot en met 1 mei 2006 te Hoogmade, meermalen, telkens één van de volgende facturen ten name van [Bedrijf A.] (Bouw- en aannemingbedrijf Machinale houtbewerking) d.d.:

A) -14 juli 2004 met (factuur- en/of rekening)nummer [Nr.] en

-14 september 2004 met (factuur- en/of rekening)nummer [Nr.]

en

-3 november 2004 met (factuur- en/of rekening)nummer [Nr.]

en

-16 maart 2005 met factuurnummer [Nr.] en

B) -1 mei 2006 met factuurnummer [Nr.] en

C) -2 februari 2005 met factuurnummer [Nr.] en

-22 december 2004 met factuurnummer [Nr.]

zijnde telkens een geschrift bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen,valselijk heeft opgemaakt,

hebbende voornoemde verdachte telkens in strijd met de waarheid, - zakelijk weergegeven -

op de onder A) bedoelde afschriften van facturen werkadressen opgegeven/vermeld (terwijl dit/deze (werk)adres(sen) niet het/de (enige) adres(sen) is/zijn waar de gefactureerde werkzaamhe(i)d(en) heeft/hebben plaatsgevonden dan wel is/zijn verricht, en

op het onder B) bedoelde afschrift van een factuur een bedrag exclusief 19% B.T.W. ad 18.160,- euro en een bedrag ter zake 19% B.T.W. ad 3.450,40 euro opgegeven (terwijl deze bedragen afwijken van de kopie factuur in de administratie van [Bedrijf B.], en

in de onder C) bedoelde afschriften van facturen onjuiste en/of onvolledige bedragen en/of prijzen en/of werkzaamheden (ten aanzien van dat desbetreffende (werk)adres en/of project) vermeld,

zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander te doen gebruiken;

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan onjuist factureren. Hij heeft verwezen naar artikel 226, zesde lid, van de Europese Richtlijn betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde 2006/112/EG waar de vereisten inzake facturering worden genoemd. Volgens de raadsman voldoen de gewraakte facturen aan de daarin gestelde vereisten, nu daarin minimaal is genoemd waar de werkzaamheden in ieder geval voor het meest kenmerkende deel hebben plaatsgevonden.

Daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank een factuur informatie dient te bevatten die juist is, stelt de rechtbank vast dat de door de raadsman genoemde Richtlijn ziet op belasting over de toegevoegde waarde (BTW), waar de tenlastelegging ziet op de aangiften Inkomstenbelasting en Vennootschapsbelasting. De rechtbank laat dit verweer daarom verder onbesproken.

Voorts acht de rechtbank, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de factuur van 1 mei 2006 met factuurnummer [Nr.] valselijk heeft opgemaakt, door -zo blijkt uit het dossier op verzoek van [directeur bedrijf B.]- het BTW-tarief van 19 % te veranderen in 6 %. Dit heeft erin geresulteerd dat de administratie van verdachte een factuur bevat met een BTW tarief van 19 % en de administratie van [Bedrijf B.] een factuur bevat met een BTW tarief van 6 %. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de werkzaamheden uitsluitend stuc- en schilderwerk betroffen, waarvoor verdachte terecht een percentage van 6% aan BTW in rekening heeft gebracht. Verdachte had dan immers al direct 6% BTW kunnen berekenen, aangezien hij, als ondernemer, wordt geacht op de hoogte te zijn van de geldende BTW-regelgeving. [directeur bedrijf B.] had hier dan niet expliciet om hoeven te vragen. Daarnaast vermeldt de factuur slechts dat het gaat om 'diverse werkzaamheden'. Uit niets kan worden afgeleid dat die werkzaamheden uitsluitend stuc- en schilderwerk betroffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte opzettelijk het BTW-percentage heeft aangepast, met het oogmerk om deze valse factuur door [directeur bedrijf B.] in de administratie van [Bedrijf B.] te laten opnemen.

De raadsman heeft daarnaast betoogd dat niet kan worden bewezen dat de facturen van 2 februari 2005 en 22 december 2004 met respectievelijk factuurnummer [Nr.] en [Nr.] onvolledig zijn opgemaakt. De rechtbank volgt de raadsman hier evenmin in. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte aan [Bedrijf B.] cq. de heer [directeur bedrijf B.] een orderbevestiging heeft verzonden betreffende werkzaamheden aan het pand [adres 1] te [plaats], gedateerd 11 november 2004. Op deze orderbevestiging is te zien dat er voor de werkzaamheden een bedrag is afgesproken van

€ 112.000,-, immers dit bedrag is met de hand op de bevestiging geschreven. Voornoemd bedrag correspondeert met het begrote bedrag dat is aangegeven op de projectadministratie betreffende het pand [adres 1]. Met betrekking tot deze opdracht zijn door verdachte een drietal facturen naar [Bedrijf B.] verzonden. Het betreffen allereerst de factuur gedateerd 2 februari 2005 met factuurnummer [Nr.] voor een bedrag (excl. BTW) van € 25.000,- en de factuur gedateerd 22 december 2004 met factuurnummer [Nr.] voor een bedrag (excl. BTW) van € 20.000,-. Vervolgens is er nog een derde factuur verzonden, gedateerd 16 maart 2005, voor een bedrag van € 32.000,- (excl. BTW). Deze factuur is geboekt op het adres [adres 2], maar behelst, gezien de projectadministratie, werkzaamheden die zijn verricht aan het pand aan de [adres 1] te [plaats]. Wanneer deze bedragen bij elkaar worden opgeteld, komt de rechtbank tot het totaalbedrag van € 77.000,-. Er is derhalve voor een totaalbedrag van (€ 112.000 - 77.000,- = ) € 35.000,- te weinig gefactureerd. Uit de projectadministratie blijkt dat dit bedrag wel degelijk is voldaan, maar dat dit 'zwart' is betaald. Derhalve zijn de facturen van 2 februari 2005 en 22 december 2004 onjuist en onvolledig. Weliswaar is het goede projectadres vermeld, maar gefactureerde bedragen zijn, gelet op de werkzaamheden die daar hebben plaatsgevonden, te laag.

De rechtbank acht bewezen dat bij verdachte het oogmerk tot misleiding aanwezig was. Immers, verdachte, zijnde zelf (ook) ondernemer, heeft facturen voor [Bedrijf B.] valselijk opgemaakt, terwijl hij wist dat [Bedrijf B.] deze facturen in haar eigen administratie als echt en onvervalst zou verwerken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft 7 facturen valselijk opgemaakt door daarop onjuiste werkadressen te vermelden of daarop te lage BTW-percentages danwel te lage bedragen te factureren, waarbij in het laatste geval de rest van de overeengekomen aanneemsom 'zwart' aan hem werd uitbetaald. Verdachte wist dat zijn debiteur deze valse facturen zou verwerken in zijn administratie. De rechtbank rekent verdachte vooral het gemak waarin hij is ingegaan op verzoeken van zijn opdrachtgever, aan. Immers in het handelsverkeer is het van belang dat men kan vertrouwen op de juistheid van facturen en de daarop gebaseerde bedrijfsadministratie. Het valselijk opmaken van dit soort stukken werkt fraude in de hand, met alle financiële gevolgen van dien.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 december 2009 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij zich in het verleden weliswaar eerder met justitie in aanraking is gekomen, doch nimmer voor dit soort feiten.

Op zichzelf acht de rechtbank, alles in aanmerking genomen, een geldboete van substantiële omvang een passende sanctie.Ter zitting is echter gebleken dat verdachte thans grote financiële problemen heeft. De rechtbank zal verdachte daarom een werkstraf van na te melden duur opleggen. Een deel van deze straf zal voorwaardelijk worden opgelegd als stok achter de deur teneinde verdachte, die in de bouw werkzaam zal blijven, ervan te weerhouden zich wederom, al dan niet onder invloed van een opdrachtgever, tot dit soort laakbaar handelen te laten verleiden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 120 uren;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 60 uren niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. B. Bastein, voorzitter,

E.A.G.M. van Rens en S. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.W. Top, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2010.