Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BQ0072

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
AWB 10/1486
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten medische behandeling gemaakt voor indienen asielaanvraag. Weigering vergoeding niet in strijd met de Opvangrichtlijn. COA bevoegde orgaan bij TNV.

Eiseres heeft de periode tussen de aanmelding in Ter Apel en de daadwerkelijke asielaanvraag kosten gemaakt voor een medische behandeling en heeft daarvoor bij het COa om vergoeding verzocht. Vast staat dat de bepalingen van het Rva 2005 niet op eiseres van toepassing waren en dat eiseres ten tijde van de medische behandeling niet verbleef in de TNV. De rechtbank gaat er vanuit dat het COa terzake van het ingediende verzoek om vergoeding van de kosten bevoegd is, nu aan de TNV (kennelijk) geen nadere regelgeving ten grondslag ligt en verweerder op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet COa belast is met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. De rechtbank is van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen van de Opvangrichtlijn zonder voorbehoud een duidelijk bepaalde verplichting aan de lidstaten oplegt en geen nadere rechtshandelingen noodzakelijk maakt, alsmede de lidstaat geen beleidsvrijheid bij de uitvoering laat, zodat de bepalingen zich lenen voor directe werking. Voorts concludeert de rechtbank dat het niet in strijd met de Opvangrichtlijn is dat eiseres haar medische kosten niet vergoed krijgt. Artikel 15 van de Opvangrichtlijn is naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing, omdat deze bepaling slechts ziet op de aanspraak op medische zorg en niet op de kosten daarvan. Deze aanspraak op medische zorg is ook in artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000 neergelegd. In de systematiek van de Opvangrichtlijn wordt steeds een verschil gemaakt tussen de materiële opvangvoorzieningen, waaronder de kosten van de gezondheidszorg niet expliciet zijn genoemd, en de gezondheidszorg en daaruit leidt de rechtbank af dat de Opvangrichtlijn weliswaar verplicht asielzoekers minimale medische zorg te verstrekken als bedoeld in artikel 15 van de Opvangrichtlijn, doch niet in alle gevallen daarvoor de kosten te dragen. Uit artikel 13, derde lid, van de Opvangrichtlijn leidt de rechtbank af dat de lidstaten op grond van de Opvangrichtlijn eerst verplicht zijn de kosten voor een medische behandeling te dragen, indien dat de toegang tot de zorg zelf belemmert en daarvan is, nu eiseres is behandeld, in dit geval geen sprake. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder, mede gelet op de grote mate van beleidsvrijheid terzake, in redelijkheid het beleid heeft kunnen voeren dat alleen indien in de TNV wordt verbleven medische kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij betrekt de rechtbank dat ook de Rva 2005 er vanuit gaat dat slechts vreemdelingen die in de opvang verblijven voor vergoeding in aanmerking komen. Dat zulks de eenheid van het gezin als bedoeld in artikel 8 van de Opvangrichtlijn doorbreekt, maakt dit niet anders.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 10
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 10/1486

Datum uitspraak: 11 november 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Iraakse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. J.J. Wedemeijer,

tegen

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

verweerder.

Het procesverloop

Op 7 september 2009 heeft eiseres verweerder verzocht om vergoeding van medische kosten voor een bedrag van € 8.752,60.

Bij besluit van 23 december 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 13 januari 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 juli 2010. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.F. Leeuwin.

De feiten

Eiseres heeft zich op 18 april 2008 gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel en te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. De Aanmeldunit van de Vreemdelingenpolitie heeft vervolgens voor eiseres een afspraak gemaakt om een asielaanvraag in te dienen en erop gewezen dat zij in de periode tussen de aanmelding en de daadwerkelijke indiening van de asielaanvraag desgewenst gebruik mag maken van de zogenaamde Tijdelijke Noodvoorziening (hierna: de TNV). Eiseres heeft daar evenwel op dat moment geen gebruik van gemaakt. Op 26 mei 2008 is eiseres ziek geworden en daarvoor in het ziekenhuis behandeld. Op 10 juni 2008 is eiseres in de TNV opgevangen en zij heeft vervolgens op 7 juli 2008 haar asielaanvraag als vorenbedoeld ingediend. Op 7 september 2009 heeft eiseres verweerder ten slotte verzocht vergoeding voor de kosten van de medische behandeling tot een bedrag van € 8.752,60, welk verzoek verweerder bij het bestreden besluit van 23 december 2009 heeft afgewezen.

De beoordeling

Vast staat dat eiseres kosten heeft gemaakt toen op haar niet de bepalingen van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005) van toepassing waren. Eiseres had immers destijds nog geen asielaanvraag als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Rva 2005 ingediend. In de periode tussen aanmelding bij de Nederlandse autoriteiten teneinde asiel te verkrijgen en de daadwerkelijke indiening van de asielaanvraag en aldus opname in de asielprocedure kunnen vreemdelingen via de TNV onderdak, voedsel en vergoeding van medische kosten krijgen. Aan deze TNV ligt kennelijk geen nadere regelgeving ten grondslag. Ook desgevraagd ter zitting kon verweerder niet aangeven waar en op welke wijze de TNV nader is gereguleerd in algemeen verbindende voorschriften dan wel geschreven beleid. Verweerder heeft gesteld dat deze TNV in het leven is geroepen teneinde de periode tussen aanmelding en asielaanvraag te overbruggen, welke periode een gevolg is van capaciteitsproblemen bij de IND. De hieruit volgende problemen komen dan ook voor rekening en risico van de IND, aldus verweerder. Voor zover hieruit moet worden afgeleid dat verweerder beoogt te betogen dat niet hij maar de IND verantwoordelijk is, overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COA) verweerder is belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Nu, ook desgevraagd ter zitting, verweerder niet nader heeft aangegeven op welke andere grond de TNV is gebaseerd, gaat de rechtbank ervan uit dat de TNV is gebaseerd op deze bepaling, zodat verweerder ter zake bevoegd is.

Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat vaste gedragspraktijk is dat aan degene die in de TNV verblijft onderdak, voedsel en vergoeding van medische kosten wordt geboden. Eiseres verbleef evenwel ten tijde van de medische behandeling niet in een TNV en heeft aldus, zo stelt verweerder, geen recht op vergoeding van medische kosten.

Eiseres betoogt dat zij wel recht heeft op vergoeding van deze medische kosten en doet een beroep op de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende de vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (hierna: de Opvangrichtlijn). Zij betoogt dat, anders dan verweerder betoogt, deze richtlijn ook op haar ziet, omdat de term asielaanvraag in deze richtlijn ruimer moet worden uitgelegd dan deze in de nationale wetgeving tot nog toe wordt uitgelegd en dat deze richtlijn weigering van vergoeding van medische kosten niet toelaat.

Ingevolge artikel 1 van de Opvangrichtlijn heeft deze ten doel minimumnormen vast te stellen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten.

Ingevolge artikel 2, onder b, van de Opvangrichtlijn wordt onder asielverzoek verstaan een door een onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat als een verzoek om internationale bescherming door een lidstaat uit hoofde van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk om een andere vorm van bescherming vraagt waarom afzonderlijk kan worden verzocht.

Ingevolge artikel 2, onder c, van de Opvangrichtlijn wordt onder asielzoeker verstaan een onderdaan van een derde land of een staatloze die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitief besluit is genomen.

Ingevolge artikel 2, onder i, van de Opvangrichtlijn wordt onder opvangvoorzieningen verstaan alle maatregelen die de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn treffen ten behoeve van asielzoekers.

Ingevolge artikel 2, onder j, van de Opvangrichtlijn wordt onder materiële opvangvoorzieningen verstaan huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt, alsmede een dagvergoeding.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Opvangrichtlijn is deze van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een asielverzoek aan de grens of op het grondgebied van een lidstaat indienen voor zover zij als asielzoeker op het grondgebied mogen verblijven, alsmede op de gezinsleden, indien zij overeenkomstig het nationale recht onder dit asielverzoek vallen.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Opvangrichtlijn mogen de lidstaten de toekenning van materiële opvangvoorzieningen bepaald in dit hoofdstuk afhankelijk stellen van het daadwerkelijk verblijf van de asielzoekers op een door de lidstaten te bepalen specifieke locatie. Het besluit daartoe kan een algemeen besluit zijn, dient per individu te worden genomen en moet conform de nationale wetgeving tot stand komen.

Ingevolge artikel 8 van de Opvangrichtlijn nemen de lidstaten passende maatregelen om in de mate van het mogelijke de eenheid van het gezin zoals aanwezig op zijn grondgebied te bewaren indien deze lidstaat zorg draagt voor de huisvesting van de asielzoekers. Deze bedoelde maatregelen worden uitgevoerd met instemming van de asielzoekers.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat voor asielzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun asielverzoek indienen.

Ingevolge artikel 13, derde lid, van de Opvangrichtlijn kunnen de lidstaten de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de asielzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Opvangrichtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat asielzoekers de nodige medische zorg ontvangen, die ten minste de spoedeisende behandelingen en de essentiële behandeling van ziekten omvat.

Ingevolge het tweede lid verstrekken de lidstaten de noodzakelijke medische of andere zorg aan asielzoekers met speciale behoeften.

De rechtbank is van oordeel dat voor het rechtstreeks kunnen werken van voormelde bepalingen doorslaggevend is of deze een duidelijk bepaalde verplichting, die zonder voorbehoud is, aan de lidstaten oplegt en geen nadere rechtshandelingen noodzakelijk maakt alsmede de lidstaat geen beleidsvrijheid bij de uitvoering laat. De rechtbank is van oordeel dat voormelde bepalingen aan deze criteria voldoen en zich aldus lenen voor directe werking, zodat de rechtbank zal onderzoeken of deze genoegzaam zijn omgezet in de nationale wetgeving, althans voor zover het betreft dit geval.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres medische zorg heeft ontvangen en in deze procedure slechts aan de orde is de vergoeding door verweerder van de daarvoor gemaakte kosten. Artikel 15 van de Opvangrichtlijn is aldus naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing, omdat deze bepaling slechts ziet op de aanspraak op medische zorg en niet op de kosten daarvan. Deze aanspraak op medische zorg is ook in artikel 10, tweede lid van de Vw 2000 neergelegd. Over de kosten van medische zorg is in de Opvangrichtlijn geen specifieke bepaling opgenomen. Onder materiële opvangvoorzieningen wordt, zo volgt uit artikel 2, onder j, van de Opvangrichtlijn, verstaan huisvesting, voedsel en kleding. De kosten van gezondheidszorg worden daar niet expliciet genoemd en in de systematiek van de Opvangrichtlijn wordt ook steeds een verschil gemaakt tussen deze materiële opvangvoorzieningen en de gezondheidszorg. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Opvangrichtlijn lidstaten weliswaar verplicht asielzoekers minimale medische zorg te verstrekken, als bedoeld in artikel 15 van de Opvangrichtlijn, doch niet in alle gevallen de kosten daarvoor te dragen. Het derde lid van artikel 13 van de Opvangrichtlijn maakt het ook mogelijk dat de lidstaten de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de asielzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de lidstaten op grond van de Opvangrichtlijn eerst verplicht zijn de kosten voor de medische behandeling te dragen, indien dat de toegang tot de zorg zelf belemmert. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu eiseres is behandeld. Indien voor haar of haar man geen mogelijkheden bestaan de desbetreffende kosten zelf te betalen, staan voor haar andere wegen open, doch verplicht de Opvangrichtlijn niet tot vergoeding van deze kosten door verweerder aan haar.

Uit het voorgaande volgt dat het niet in strijd met de Opvangrichtlijn is dat eiseres haar medische kosten niet vergoed krijgt. De rechtbank laat aldus in het midden of eiseres, voordat zij een asielaanvraag, als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Rva 2005, zoals dat luidde voor 1 juli 2010, heeft ingediend en aldus recht heeft op de in de Rva 2005 beschreven verstrekkingen, aanspraken aan de Opvangrichtlijn ontleent, gelet de definitie van asielzoeker en asielverzoek, als bedoeld in artikel 2 van de Opvangrichtlijn. Ook laat de rechtbank aldus in het midden of de niet nader via algemeen verbindende voorschriften of geschreven beleid gereguleerde TNV in zoverre een juiste implementatie van de Opvangrichtlijn is, gelet op vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 mei 1982 (LJN: BF3458), dat de omzetting van richtlijnen in dwingende bepalingen van intern recht dient plaats te vinden en eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard naar goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd, niet worden beschouwd als een juiste uitvoering van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichting. Overigens wijst de rechtbank erop dat met de inwerkingtreding van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 in samenhang met het nieuwe artikel 1, onder d, van de Rva 2005, ook asielzoekers die in afwachting van de indiening van een asielaanvraag zijn in bepaalde gevallen voor verstrekkingen op de voet van de Rva 2005 in aanmerking komen, zodat de TNV in zoverre een ander en gereguleerd karakter krijgt, waardoor voormelde rechtvragen een minder nijpend karakter hebben.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de grote mate van beleidsvrijheid die verweerder ter zake, bij gebrek aan nadere regulering, heeft, het beleid dat alleen indien in de TNV wordt verbleven medische kosten voor vergoeding in aanmerking komen, in redelijkheid heeft kunnen voeren. Daarbij betrekt de rechtbank dat ook de Rva 2005 ervan uitgaat dat slechts vreemdelingen die in de opvang verblijven voor vergoeding in aanmerking komen en de vreemdeling in de TNV aldus niet anders wordt beoordeeld als die onder de Rva 2005. Dat, zoals eiseres betoogt, deze wijze van vergoeden van de kosten van medische behandeling ertoe leidt dat eiseres in dat geval in de TNV had moeten verblijven terwijl haar man elders verbleef en dat de eenheid van gezin, als bedoeld in artikel 8 van de Opvangrichtlijn, doorbreekt, maakt dat niet anders, nu deze bepaling maatregelen van de lidstaat eerst voorschrijft indien deze voor de huisvesting van de asielzoeker zorg draagt, hetgeen bij eiseres nu juist niet het geval was, nu zij elders verbleef.

Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals in geval van een acute medische noodsituatie, vindt verweerder aanleiding om de verstrekkingen, hoewel daarop geen aanspraak bestaat, voort te zetten. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van verweerder in dit geval geen sprake. Dit oordeel volgt de rechtbank nu de gestelde bijzondere omstandigheid, te weten dat een niet in de TNV verblijvende asielzoeker niet voor vergoeding van medische kosten in aanmerking komt, niet bijzonder is en van overige bijzondere omstandigheden niet is gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).