Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BQ0041

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
AWB 09/46580
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsmarktaantekening geestelijk voorganger.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de aan eiser verleende verblijfsvergunning de arbeidsmarktaantekening ‘Andere arbeid niet toegestaan. TWV niet vereist’ gekoppeld en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het eiser op grond van artikel 3.33, eerste lid, van het Vb 2000 niet is toegestaan andere werkzaamheden te verrichten dan die als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de Stichting Moskee Al Mohsinien. De rechtbank overweegt dat op een verblijfsvergunning op de voet van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 een arbeidsmarktaantekening dient te worden aangebracht. Welke aantekening dat is, wordt bepaald door de WAV, die aangeeft in welk geval een TWV is vereist. Op grond van de WAV is een geestelijk voorganger/godsdienstleraar niet vrijgesteld van de TWV-plicht, zodat de werkgever van een dergelijke vreemdeling een TWV moet hebben. Deze regel is ook neergelegd in paragraaf B5/4.1 van de Vc 2000. De in het bestreden besluit verleende arbeidsmarktaantekening is dus onjuist.

De rechtbank merkt nog op dat verweerder bij het opnieuw op de bezwaren beslissen dient te betrekken of het door eiser gestelde, dat hij al sinds 1998 in Nederland is, hij verschillende verblijfsvergunningen met arbeidsmarktaantekeningen heeft gehad en dat aan de besluiten van 26 maart 2008 en 28 januari 2009 de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ verbonden was, gevolgen heeft, mede in het licht van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de WAV, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit uitvoering WAV, voor de aan de thans bestreden vergunning verbonden arbeidsmarktaantekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 09/46580

Datum uitspraak: 11 november 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser]

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. C.T.G. van Schie,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 29 april 2009 heeft eiser een aanvraag gedaan tot wijziging van het verblijfsdoel van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van ‘verblijf als geestelijk voorganger/godsdienstleraar ten behoeve van de [naam Stichting 1] in ‘verblijf als geestelijke voorganger/godsdienstleraar ten behoeve van [naam Stichting 2]’. Bij besluit van 25 september 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan de bedoelde verblijfsvergunning de arbeidsmarktaantekening ‘Andere arbeid niet toegestaan. TWV niet vereist’ gekoppeld.

Daartegen heeft eiser op 15 oktober 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 november 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 14 december 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 juli 2010. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M.J. Mutsaers.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. In dat kader is van belang dat eisers beroep tegen het besluit van 25 september 2009 zich slechts richt tegen de arbeidsmarktaantekening, zodat in het hiernavolgende uitsluitend op dit punt zal worden ingegaan.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de aan eiser verleende reguliere verblijfsvergunning de arbeidsmarktaantekening ‘Andere arbeid niet toegestaan. TWV niet vereist’ gekoppeld en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het eiser op grond van artikel 3.33, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet is toegestaan andere werkzaamheden te verrichten dan die als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van [naam Stichting 2]. Dat eiser tweemaal een verblijfsdocument is toegekend met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’ berust op een ambtelijke misslag waaraan eiser geen rechten kan ontlenen. Voorts is eiser reeds lange tijd in het bezit van een verblijfsvergunning, waarvan de arbeidsmarktaantekening in het verleden immer correct was. Bovendien heeft eiser op 28 april 2009 de ‘Bijlage bewustverklaring geestelijk voorganger/godsdienstleraar’ ingevuld, zodat hij bekend wordt geacht met het feit dat aan hem enkel verblijf is toegestaan voor zijn werkzaamheden bij [naam Stichting 2]. Tot slot is verweerder van mening dat, nu het bezwaar kennelijk ongegrond is, op grond van artikel 7:3 aanhef en onder b, van de Awb van het horen van eiser kon worden afgezien.

3. Eiser kan zich niet met de op de vergunning aangebrachte arbeidsmarktaantekening verenigen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Ten onrechte stelt verweerder dat de arbeidsaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’, welke eiser gedurende twee jaren heeft gehad, berust op een ambtelijke misslag. Er is in het eerdere besluit immers expliciet overwogen dat de betreffende arbeidsmarktaantekening is gebaseerd op artikel 4 van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de WAV). Bovendien is dezelfde arbeidsmarktaantekening ook aan andere geestelijk voorgangers/godsdienstleraren gegeven. In dit kader wordt, onder verwijzing naar de in beroep overgelegde besluiten ten behoeve van [naam 1] en [naam 2], een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Voorts meent eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu verweerder eiser tweemaal gemotiveerd de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ heeft toegekend en eiser er om die reden op mocht vertrouwen dat hij deze - net als andere geestelijk voorgangers/godsdienstleraren - in de toekomst weer zou krijgen. Tot slot is eiser van mening dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Vb 2000.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder g, van het Vb 2000 houdt de in artikel 14 van de Vw 2000 bedoelde beperking verband met het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar.

Ingevolge artikel 3.33 van het Vb 2000 kan, onverminderd artikel 3.31 van het Vb 2000, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de vw 2000, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, slechts worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart ermee bekend te zijn dat:

a. slechts verblijf wordt toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de met name te noemen groepering

b. het verblijf slechts kan worden toegestaan voor de duur van de werkzaamheden

c. hij na beëindiging daarvan Nederland dient te verlaten, en

d. het hem niet is toegestaan om gedurende zijn verblijf in Nederland werkzaamheden van andere aard te verrichten.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, laatste volzin van de Vw 2000 worden bij algemene maatregel van bestuur de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Vb 2000.

Ingevolge artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, wordt voor vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel onder a tot en met d, van de Vw 2000, als document in de zin van artikel 50, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 aangewezen een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld bij ministeriële regeling.

Ingevolge het derde lid van artikel 4.21 van het Vb 2000 wordt op het ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, afgegeven document aangetekend of het de vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de WAV een tewerkstellingsvergunning (ook wel genoemd: TWV) is vereist.

Volgens paragraaf B5/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt, voor zover thans van belang, een aantekening omtrent de arbeidsmarktpositie op het verblijfsdocument geplaatst. Deze arbeidsmarktpositie is afhankelijk van het doel waarvoor verblijf is toegestaan.

Volgens paragraaf B5/4.1.3 wordt op het verblijfsdocument van een geestelijke voorganger/godsdienstleraar de arbeidsmarktaantekening ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan’ geplaatst.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WAV is het verbod om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de WAV wordt een zodanige aantekening afgegeven aan een vreemdeling:

a. die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder b of d, van de Vw 2000;

b. die gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de vw 2000 en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd;

c. die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit uitvoering WAV.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit uitvoering WAV, wordt een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WAV afgegeven aan een vreemdeling, met uitzondering van de vreemdeling, genoemd in de onderdelen a en f, die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning met daarop een aantekening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WAV en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd.

6. De rechtbank stelt voorop dat zij het betoog van verweerder dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep, nu de geldigheid van de verblijfsvergun-ning is verlopen, niet volgt. Uit het voorgaande volgt dat de thans bestreden arbeids-marktaantekening gevolgen kan hebben voor de arbeidsmarktaantekening op verdere vergunningen en daardoor voor eiser rechtsgevolgen heeft. De rechtbank overweegt verder dat op een verblijfsvergunning op de voet van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 een arbeidsmarktaantekening dient te worden aangebracht. Welke aantekening dat is, wordt bepaald door de bepalingen van de WAV, die aangeven in welk geval een TWV vereist is. Verweerder dient aldus bij het aanbrengen van een arbeidsmarktaantekening te onderzoeken wat de status van de vreemdeling op grond van de WAV is en in hoeverre deze vreemdeling zonder TWV mag werken in Nederland. Op grond van de WAV is een geestelijk voorganger/godsdienstleraar niet vrijgesteld van de TWV-plicht zodat de werkgever van een dergelijke vreemdeling een TWV moet hebben. Deze regel is ook neergelegd in paragraaf B5/4.1 van de Vc 2000. Op het betrokken verblijfsdocument dient aldus, overeenkomstig paragraaf B5/4.1.3 van de Vc 2000, de arbeidsmarkt-aantekening ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan’ te worden aangebracht. De op de bestreden vergunning aangebrachte arbeidsmarktaantekening ‘Andere arbeid niet toegestaan. TWV niet vereist’ is aldus niet overeenkomstig voormeld beleid. Het beroep is aldus gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank merkt nog op dat verweerder bij het opnieuw op de bezwaren beslissen dient te betrekken of het door eiser gestelde, dat hij al sinds 1998 in Nederland is en verschillende verblijfsvergunningen met arbeidsmarktaantekeningen heeft gehad en aan de besluiten van 26 maart 2008 en 28 januari 2009 de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ verbonden was, geen gevolgen heeft, mede in het licht van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de WAV, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit uitvoering WAV, voor de aan de thans bestreden vergunning verbonden arbeidsmarktaantekening.

7. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 437,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank en nevenzittingsplaats.

De beslissing

De rechtbank:

I verklaart het beroep gegrond;

II vernietigt het besluit van 18 november 2009;

III veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 437,-, welk bedrag dient te worden betaald aan de griffier van deze nevenzittingsplaats, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd; en

IV gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).