Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP9750

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 09/17852
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser kan geen rechten ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 nu hij een arbeidsovereenkomst voor één jaar had, tot 1 september 2003, en gesteld noch gebleken is deze werkgever na 1 september 2003 nog voortgezette werkgelegenheid had voor eiser. Evenmin is gebleken dat eiser op basis van de nadien verrichte werkzaamheden een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Ten aanzien van eisers stelling dat hem, gelet op de onvrijwillige werkloosheid als bedoeld in het tweede lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80 verblijfsrecht toekomt, overweegt de rechtbank dat hiermee is beoogd te garanderen dat perioden waarin de legale arbeid wordt onderbroken wegens onvrijwillige werkloosheid of langdurige ziekte, geen afbreuk doen aan de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven uit hoofde van eerder vervulde tijdvakken van arbeid, welke een vaste duur hebben zoals in de drie onderdelen van het eerste lid van artikel 6 is vastgelegd. Het tweede lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80 is derhalve eerst van belang indien sprake is van inbreuk op een op de voet van het eerste lid, eerste streepje, van dat artikel verkregen recht. Nu eiser geen rechten heeft verkregen op de voet van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80, is het tweede lid niet op hem van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 09/17852

Datum uitspraak: 19 maart 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. I. Özkara,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 21 februari 2008 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘voortgezet verblijf’ ingediend. Bij besluit van 7 maart 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Het daartegen op 7 maart 2008 gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 8 mei 2009 ongegrond verklaard.

Op 18 mei 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 januari 2010. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.S. Schoot.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Tussen partijen is in geschil of eiser aan besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: besluit nr. 1/80) verblijfsrecht ontleent.

3. Verweerder heeft zich, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, op de volgende standpunten gesteld.

Niet gebleken is dat eiser in de periode dat hij werkzaam was voor [naam bedrijf] één jaar ononderbroken bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Voorts is niet gebleken dat deze werkgever voortgezette werkgelegenheid had voor eiser. Derhalve kan eiser op grond van zijn verrichte werkzaamheden bij [naam bedrijf] geen rechten ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80.

Ten aanzien van de nadien door eiser in loondienst verrichte werkzaamheden stelt verweerder zich op het standpunt dat, nu ten behoeve daarvan geen tewerkstellingsvergunning is afgegeven, er geen sprake is van legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Los daarvan is niet gebleken dat eiser drie jaar onafgebroken werkzaam is geweest bij dezelfde werkgever, zodat eiser ook daarom geen rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Aan zijn werk als zelfstandige kan eiser evenmin verblijfsrecht ontlenen, nu besluit nr. 1/80 geen betrekking heeft op Turkse zelfstandigen.

Eiser kan voorts geen geslaagd beroep doen op artikel 6, tweede lid, van besluit nr. 1/80, aangezien de bescherming van deze bepaling eerst kan worden ingeroepen wanneer de Turkse werknemer een verblijfsrecht ontleent aan het eerste lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80. Daarbij komt dat eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond dat er sprake zou zijn van een onvrijwillige werkloosheid.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, samengevat weergegeven, aangevoerd.

Verweerder heeft (in het beleid) de bewijslast met betrekking tot het aantonen van zijn arbeidsverleden eenzijdig bij eiser neergelegd. Ingevolge artikel 107 van de Vw 2000 kan een bestuursorgaan op eenvoudige wijze via het Centrum voor werk en inkomen het arbeidsverleden van eiser opvragen.

Ten onrechte heeft verweerder overwogen dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan besluit nr. 1/80. Anders dan verweerder betoogt heeft eiser legale arbeid verricht. Bovendien heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van besluit nr. 1/80. In dat kader, en met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, heeft eiser een beschikking van 26 april 2007, met kenmerk 0403-17-0062, overgelegd en verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 7 juli 2005 in zaak nr. C 383/03 (Dogan, JV 2005/340).

Ten slotte stelt eiser, onder verwijzing naar een tweetal arresten van het Hof, dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 13 van besluit nr. 1/80 niet heeft getoetst aan het ten tijde van de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 vigerende beleid.

5. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lidstaat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die Lid Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever, indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid in die Lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst naar zijn keuze.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, van deze bepaling worden tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

6. In paragraaf B11/3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bepaald dat de vaststelling of de vreemdeling voldoet aan de in artikel 6 van besluit nr. 1/80 geformuleerde voorwaarden plaatsvindt aan de hand van de overgelegde arbeidscontracten, jaarloonopgaven en het registratiebericht Melding Sociale Voorzieningen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eisers beroepsgrond, dat in het door verweerder gevoerde beleid ten onrechte het uitgangspunt wordt gehanteerd dat het aan de vreemdeling is om zijn arbeidsverleden aan te tonen, niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in de op 12 september 1964 tussen de toenmalige Europese Economische Gemeenschap en Turkije gesloten Associatieovereenkomst, noch in besluit nr. 1/80 bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de bewijslastverdeling, zodat de invulling daarvan aan de lidstaten is overgelaten. In het licht van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, komt de rechtbank het beleid, als weergegeven onder rechtsoverweging 6 niet onjuist voor.

Voorts wordt eiser niet gevolgd in zijn betoog dat sprake is van onzorgvuldig handelen zijdens verweerder wegens het ten onrechte niet toepassen van artikel 107 van de Vw 2000, nu deze bepaling niet ziet op de bewijslastverdeling tussen bestuur en vreemdeling en verweerder op grond van deze bepaling niet verplicht is tot het opvragen van gegevens bij andere bestuursorganen.

8. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 6, van besluit nr. 1/80.

9. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Met ingang van 18 februari 2003 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [naam bedrijf]’, geldig tot 7 maart 2006. Tussen 1 maart 2003 en 7 april 2003 is eiser niet in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Eiser had een arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf] voor de duur van één jaar met ingang van 1 september 2002. Er zijn ten behoeve van eiser twee tewerkstellingsvergunningen afgegeven aan [naam bedrijf] voor de periodes van 1 september 2002 tot 1 maart 2003 en 7 maart 2003 tot 7 maart 2006 voor het verrichten van arbeid als international vrachtwagenchauffeur.

Met ingang van 29 december 2003 had eiser een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [naam bedrijf 2]. Vanaf 17 maart 2004 had eiser een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [naam bedrijf 3]. Met ingang van 26 maart 2008 is eiser, blijkens de overgelegde arbeidsovereenkomst, voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [naam bedrijf 4] Ten behoeve van de werkzaamheden verricht voor [naam bedrijf 2], [naam bedrijf 3] en Andromeda Diensten is geen tewerkstellingsvergunning afgegeven.

Op 5 maart 2004 is eiser een eenmanszaak begonnen genaamd [naam bedrijf 5]’. Bij vonnis van rechtbank Rotterdam van 20 februari 2007 is eisers bedrijf failliet verklaard.

10. Gesteld noch gebleken is dat [naam bedrijf] na 1 september 2003 nog voortgezette werkgelegenheid had voor eiser, zodat eiser reeds daarom geen aanspraken ontleent aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80. Evenmin is gebleken dat eiser op basis van de nadien verrichte werkzaamheden een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. Nog daargelaten dat eiser voor deze werkzaamheden geen tewerkstellingsvergunning had, ontleent eiser aan artikel 6, eerste lid, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 immers geen aanspraak omdat eiser niet drie jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt.

11. Ten aanzien van eisers stelling dat hem, gelet op de onvrijwillige werkloosheid, als bedoeld in het tweede lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80 verblijfsrecht toekomt op basis van artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 overweegt de rechtbank als volgt.

In de uitspraak van 26 oktober 2006 (JV 2007/1) heeft het Hof overwogen dat artikel 6, tweede lid, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat dit beoogt te garanderen dat perioden waarin de legale arbeid wordt onderbroken wegens onvrijwillige werkloosheid of langdurige ziekte, geen afbreuk doen aan de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven uit hoofde van eerder vervulde tijdvakken van arbeid, welke een vaste duur hebben zoals in de drie onderdelen van het eerste lid van artikel 6 is vastgelegd. Deze lezing volgt ook uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 mei 2008 (JV 2008/255).

Het tweede lid van artikel 6 van besluit nr. 1/80 is derhalve eerst van belang indien sprake is van inbreuk op een op de voet van het eerste lid, eerste streepje, van dat artikel verkregen recht. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 10 is overwogen heeft eiser evenwel geen rechten verkregen op de voet van artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80, zodat het tweede lid niet op hem van toepassing is. De verwijzing door eiser in dit verband naar het arrest van het Hof van 7 juli 2005 leidt niet tot een ander oordeel, nu in die zaak de vreemdeling aan artikel 6, eerste lid, derde streepje van besluit nr. 1/80, een recht ontleende.

12. Terzake de door eiser overgelegde beschikking in de zaak met kenmerk 0403-17-0062 overweegt de rechtbank dat door verweerder onweersproken is gesteld dat in die zaak sprake was van een ambtelijke misslag, zodat eiser daaraan geen rechten kan ontlenen.

13. Eiser heeft voorts, onder verwijzing naar de arresten van het Hof van 21 oktober 2003 in de zaak Abatay en Sahin (C-317/01 en 369/01, JV 2004/2) en van 20 september 2007 in de zaak Tum en Dari (C-16/05, JV 2007/494), een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 13 van besluit nr. 1/80.

14. Ingevolge artikel 13 van besluit nr. 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. Ingevolge artikel 16 zijn de bepalingen van Hoofdstuk II van besluit nr. 1/80 met ingang van 1 december 1980 van toepassing.

15. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de enkele verwijzing naar de in de rechtsoverweging 13 genoemde arresten onvoldoende heeft geconcretiseerd op welke voor de bovenstaande beoordeling relevante nieuwe beperking, als bedoeld in artikel 13 van besluit nr. 1/80, hij doelt. Reeds hierom kan het beroep op deze bepaling niet slagen.

16. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Ruinaard, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).