Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP9463

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
379439 HA RK 10-610 Wrakingnummer 2010/31
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verschoning ingevolge artikel 8:19 Awb. Bestuursrechter heeft verzoek tot verschoning ingediend omdat één van de belanghebbenden in een procedure aannemer is en regelmatig in opdracht van de rechter werkzaamheden verricht. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige verschoningskamer

Wrakingnummer 2010/31

rekestnummer: 379439 HA RK 10-610

registratienummer: AWB 10/2867

datum beschikking: 5 november 2010

BESCHIKKING

op het schriftelijk verzoek tot verschoning ingevolge artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),

van:

Mr. [X],

Vicepresident in deze rechtbank,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] BEHEER B.V.,

gevestigd te [P]

appellante,

advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag

tegen:

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS

VAN DE GEMEENTE DEN HAAG,

verweerder,

en de belanghebbenden:

1) [A] Holding B.V.,

2) [B] Vastgoed B.V.,

3) [C] Vastgoedbeheer B.V.,

4) [D en E] Onroerend Goed B.V.,

5) [F] en [G],

6) [H]

7) [I],

8) [J]

1. Mr. [X] heeft op 3 november 2010 een schriftelijk verzoek tot verschoning ingediend. Hij voert daartoe aan dat belanghebbende [J] aannemer is (onder de handelsnaam: “[handelsnaam]”) en dat deze belanghebbende sedert een jaar of acht met regelmaat opdrachten voor hem verricht. Momenteel is daadwerkelijk sprake van een overeenkomst tot opdracht. De belanghebbende heeft mr. [X] erop gewezen dat hij een oproep heeft ontvangen om ten overstaan van hem te verschijnen bij een mondelinge behandeling. Volgens mr. [X] doet zich, gelet op dit een en ander, een feit voor als bedoeld in artikel 8:15 Awb waardoor hij bij de verdere behandeling niet meer betrokken dient te zijn.

2. Uit artikel 8:20 Awb valt af te leiden dat de behandeling van een verschoningsverzoek, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De verschoningskamer zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.

3. Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid zou kunnen koesteren, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

4. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5. Gelet op hetgeen mr. [X] in zijn verzoek tot verschoning heeft aangevoerd komt de verschoningskamer tot het oordeel dat mr. [X] terecht het onderhavige verzoek heeft ingediend. Teneinde de schijn van partijdigheid te vermijden zal de verschoningskamer het verzoek tot verschoning toewijzen.

Beslissing.

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot verschoning van mr. [X] toe en bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot verschoning;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18 Awb wordt toegezonden aan:

- mr. J.L. [X];

- mr. T. Venneman, advocaat van appellante;

- het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Den Haag

- de acht belanghebbenden.

Deze beslissing is genomen in raadkamer op 5 november 2010 door mrs. D. Aarts, H.M.D. de Jong en J.Th. van Walderveen, in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier.