Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1578

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
AWB 09/9062 PARKBL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een drietal naheffingsaanslagen parkeerbelasting ontvangen omdat haar parkeervergunning niet zichtbaar achter de voorruit van haar auto zou zijn geplaatst. Eiseres stelt dat de vergunningen wel zichtbaar achter de voorruit van haar auto waren geplaatst en legt daartoe verscheidene getuigenverklaringen over. Gelet op het beleid van de gemeente vernietigt de rechtbank de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummers: AWB 09/9062 PARKBL, AWB 09/9064 PARKBL en AWB 09/9065 PARKBL

Uitspraakdatum: 29 november 2010

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Aan eiseres zijn de volgende naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd:

- de naheffingsaanslag van 25 september 2009 met aanslagnummer [nummer] ten bedrage van € 51,90 (€ 1,90 parkeerbelasting en € 50 kosten);

- de naheffingsaanslag van 15 oktober 2009 met aanslagnummer [nummer] ten bedrage van € 51,50 (€ 1,50 parkeerbelasting en € 50 kosten);en

- de naheffingsaanslag van 11 november 2009 met aanslagnummer [nummer] ten bedrage van € 51,50 (€ 1,50 parkeerbelasting en € 50 kosten).

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 4 december 2009 (met betrekking tot de naheffingsaanslag van 25 september 2009), 14 november 2009 (met betrekking tot de naheffingsaanslag van 15 oktober 2009) en 12 december 2009 (met betrekking tot de naheffingsaanslag van 11 november 2009) het bezwaar van eiseres tegen de onder 1.1. vermelde aanslagen afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 december 2009, ontvangen bij de rechtbank op 24 december 2009, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend. Eiseres heeft een conclusie van repliek, inclusief nadere stukken, ingediend. Voorts heeft eiseres bij brief van 11 juni 2010 een proceskostenformulier bij de rechtbank ingediend. Een afschrift van deze stukken is aan verweerder gezonden.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Eiseres is daar in persoon verschenen. Voorts is namens eiseres verschenen [A]. Eiseres heeft als getuige [B] naar de zitting meegebracht. Namens verweerder is [C] verschenen.

1.6 Eiseres heeft ter zitting vragen aan de getuige gesteld, die daarop heeft geantwoord. Nadat het van de verklaring van de getuige opgemaakte proces-verbaal aan hem is voorgelezen, heeft de getuige de verklaring getekend.

1.7. Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had gesloten, heeft zij geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft zij het onderzoek heropend. De rechtbank heeft verweerder gevraagd de vastlegging van het door hem in bepaalde gevallen gevoerde "coulancebeleid" te overleggen. Bij brief van 7 juli 2010 heeft verweerder de "Werkinstructie behandeling bezwaarschriften parkeerbelastingen inzake parkeervergunningen", gedateerd 28 april 2005, aan de rechtbank gezonden. Eiseres heeft hierop bij brief van 29 juli 2010, inclusief bijlage, gereageerd. Een afschrift van de door partijen ingezonden stukken is aan de wederpartij gezonden.

1.8. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

II OVERWEGINGEN

Feiten

2.1.1Op vrijdag 25 september 2009 omstreeks 17.25 uur stond de auto van eiseres met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd aan de Fischerstraat te Den Haag.

2.1.2 Op donderdag 15 oktober 2009 omstreeks 09.43 uur stond de auto van eiseres met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd aan de Verheeskade te Den Haag.

2.1.3 Op woensdag 11 november 2009 omstreeks 16.14 uur stond de auto van eiseres met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd aan de Verheeskade te Den Haag.

2.2 Op het moment van het in 2.1.1 en 2.1.2 vermelde parkeren beschikte eiseres over een parkeervergunning voor huisartsen die gold voor het gebied waar eiseres heeft geparkeerd. Deze vergunning heeft volgnummer [nummer] en was geldig tot en met 31 oktober 2009. Op het moment van het in 2.1.3 vermelde parkeren beschikte eiseres over een parkeervergunning voor bedrijven met nummer [nummer] die gold voor het gebied waar eiseres heeft geparkeerd.

2.3. De in 2.1.1 tot en met 2.1.3 vermelde locaties waren op het moment van het desbetreffende parkeren door burgemeester en wethouder aangewezen als parkeerplaatsen waar op de desbetreffende datum en het desbetreffende tijdstip slechts geparkeerd mocht worden met een parkeervergunning dan wel tegen betaling bij parkeerapparatuur.

2.4.1. Tijdens controles op de onder 2.1 vermelde plaatsen, data en tijdstippen hebben parkeercontroleurs geconstateerd dat in de auto van eiseres geen geldige parkeervergunning en evenmin een geldig parkeerkaartje aanwezig was. Naar aanleiding van deze constateringen zijn aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.

2.4.2. Met betrekking tot het in 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3 vermelde parkeren hebben de parkeercontroleurs in hun handterminal '2 Geen P ticket' ingetoetst. Voorts hebben zij respectievelijk op 24 november 2009, 9 november 2009 en 4 december 2009 verklaard dat zij volgens hun werkinstructie hebben gecontroleerd of er achter de voorruit een betaalbewijs lag, dat dit niet het geval was en dat er ook geen parkeervergunning in het voertuig lag.

2.5. Verweerder heeft een brief van 28 mei 2009, gericht aan [D], overgelegd. Verweerder stelt in het verweerschrift dat deze brief "een eerder identiek geval [betreft] waarin met gebruikmaking van deze parkeervergunning niet aan de voorwaarden is voldaan" alsmede dat de in het desbetreffende geval opgelegde naheffingsaanslag met nummer [nummer], administratienummer [nummer], inzake het parkeren met de auto met kenteken [kenteken 2], in overeenstemming met het voor gevallen als dit gevoerde beleid is verminderd.

2.6.1Eiseres heeft met betrekking tot de naheffingsaanslag van

25 september 2009 een schriftelijke verklaring van 15 april 2010 van [B] overgelegd. Deze luidt, voor zover hier van belang:

"(...) Verklaar hierbij dat ik op 25 september 2009 omstreeks 17.30 uur in de Fischerstraat ter hoogte van huisnummer 253, te Den Haag arriveerde. Ik liep naar de auto van [eiseres], huisarts, met kenteken [kenteken 1], een Toyota, en constateerde dat er een naheffingsaanslag parkeerbelasting achter de ruitenwisser was geplaatst. Op dat moment zag ik dat in de auto van [eiseres] met kenteken [kenteken 1], duidelijk zichtbaar achter de vooruit aan de bestuurderszijde van de auto de parkeervergunning met nummer [nummer] geldig tot en met 31-10-2009, was geplaatst in een plastic doorzichtig mapje. Het was zo geplaatst dat de vergunning niet kon omvallen. Hij lag aan de bestuurderszijde. (...)"

Ter zitting van 17 juni 2010 heeft Niamat het volgende verklaard:

vraag: op 25 september 2009 ging u samen met eiseres naar de auto. Hoe laat bent u naar de auto gegaan?

antwoord: "ik was er eerder, ongeveer om half 6. Eiseres is, anders dan u zegt, pas nadien gekomen"

vraag: wat zag u?

antwoord: "ik zag een parkeerbon, geplaatst aan de meerijderskant, achter de ruitenwisser. Tegelijkertijd zag ik achter de voorruit aan de binnenkant van de auto aan de bestuurderskant een geldige parkeerkaart, zichtbaar, alles was leesbaar."

vraag: had u beschikking over de sleutels van de auto?

antwoord: "nee"

vraag: stond u te wachten op eiseres?

antwoord: "we hadden een afspraak, zouden gezamenlijk boodschappen doen. Ik was er bij tijds. Zij was er niet."

2.6.2. Eiseres heeft met betrekking tot de naheffingsaanslagen van 15 oktober 2009 en

11 november 2009 schriftelijke verklaringen van 19 april 2010 van [D] overgelegd. Daarin staat onder meer:

"Verklaart hierbij dat zij op 15 oktober 2009 omstreeks 17:00 uur op de Verheeskade te Den Haag vanuit de huisartsenpraktijk (...), naar buiten liep, samen met [eiseres], huisarts. Wij liepen naar de auto van [eiseres], met kenteken [kenteken 1] een Toyota, en constateerden dat er een naheffingsaanslag parkeerbelasting achter de ruitenwisser was geplaatst. Op dat moment zag ik dat in de auto van [eiseres] met kenteken [kenteken 1], duidelijk zichtbaar achter de voorruit aan de bestuurszijde van de auto de parkeervergunning met nummer [nummer], geldig tot en met 31-10-2009, was geplaatst in een plastic doorzichtig mapje. Het was zo geplaatst dat de vergunning niet kon omvallen. Hij lag aan de bestuurderszijde. (...)"

en

"Verklaart hierbij dat zij op 11 november 2009 omstreeks 17:00 uur op de Verheeskade te Den Haag vanuit de huisartsenpraktijk (...), naar buiten liep, samen met [eiseres], huisarts. Wij liepen naar de auto van [eiseres], met kenteken [kenteken 1] een Toyota, en constateerden dat er een naheffingsaanslag parkeerbelasting achter de ruitenwisser was geplaatst. Op dat moment zag ik dat in de auto van [eiseres] met kenteken [kenteken 1], duidelijk zichtbaar achter de voorruit aan de bestuurszijde van de auto de parkeervergunning bedrijven met nummer [nummer], was geplaatst in een plastic doorzichtig mapje. Het was zo geplaatst dat de vergunning niet kon omvallen. Hij lag aan de bestuurderszijde. (...)"

2.7. In de onder 1.7 genoemde 'Werkinstructie behandeling bezwaarschriften parkeerbelastingen inzake parkeervergunningen' (hierna: de Werkinstructie) aan de rechtbank is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

"Bezoekersvergunning en bedrijfsvergunning

De bezoekersvergunning en de bedrijfsvergunning zijn niet op kenteken gesteld. Het op voorhand achterwege laten van de naheffingsaanslag is niet mogelijk. Uitgangspunt is hier, dat het aantal coulance-verminderingen (per kalenderjaar) beperkt zal worden tot één (met eventueel wielklem). Daarbij geldt als uitgangspunt de datum van de naheffingsaanslag. (...)

Stelt de reclamant, dat de bedrijfsvergunning(...) duidelijk zichtbaar achter de voorruit lag en geeft hij of zij (een) getuige(n)verklaring(en) dan wordt deze altijd verminderd (...) Deze vermindering telt dan niet mee voor het maximale aantal verminderingen per kalenderjaar."

Geschil

3.1. In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

4.1. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de onder 2.1. genoemde naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Verweerder heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Ten tijde van het vaststellen van de onderhavige naheffingsaanslagen was, in afwijking van de aan de onder 2.2. genoemde vergunningen verbonden voorwaarden, in de auto geen vergunning, met de daartoe bestemde zijde van buitenaf duidelijk leesbaar, direct achter de voorruit aanwezig. Het beleid dat verweerder voert in gevallen waarin door de parkeercontroleur wordt geconstateerd dat niet aan de vergunningvoorwaarden is voldaan, maar de betrokkene wel over een geldige parkeervergunning beschikt, houdt in dat éénmalig per vergunning per jaar een opgelegde naheffingsaanslag kan worden verminderd. Nu op 28 mei 2009 aan [D] reeds een dergelijke vermindering is verleend (zie onder 2.5), is er geen reden eiseres opnieuw een vermindering op grond van dit beleid te verlenen.

4.2. Eiseres heeft aangevoerd dat er ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen een geldige parkeervergunning voor huisartsen zichtbaar en duidelijk leesbaar in een doorzichtig plastic hoesje direct aangebracht achter de voorruit aan de bestuurszijde in haar auto aanwezig was. Met betrekking tot de naheffingsaanslag die op

11 november 2009 is opgelegd was volgens haar op diezelfde wijze een 'parkeervergunning bedrijven' aanwezig. Ter ondersteuning van deze stelling heeft zij twee foto's overgelegd van een auto met daarin achter de voorruit een vergunning. Eiseres stelt dat de parkeercontroleurs mogelijk een fout hebben gemaakt.

4.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 december 1997, nr. 32.834,

BNB 1998/46 geoordeeld dat indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan een parkeervergunning zijn verbonden er geen sprake is van parkeren met die vergunning.

4.4. De rechtbank acht aannemelijk dat, zo de vergunningen al ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen in de auto van eiseres lagen, deze niet, zoals, naar niet in geschil is, de vergunningsvoorwaarden voorschrijven, van buitenaf duidelijk leesbaar direct achter de voorruit aanwezig waren. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de parkeercontroleurs dat zij, voordat zij de naheffingsaanslagen oplegden, zorgvuldig hebben gecontroleerd of er een parkeervergunning in de auto van eiseres lag. Daarvan uitgaande is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de parkeercontroleurs de vergunningen, indien deze op de door eiseres gestelde wijze achter de voorruit waren aangebracht, over het hoofd hadden gezien. De onder 2.6 genoemde verklaringen leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze verklaringen geruime tijd na het parkeren van de auto zijn opgesteld dan wel afgelegd, op een tijdstip waarop de relevante omstandigheden, met name de aanwezigheid van een op de juiste wijze geplaatste vergunning, aan degenen die de verklaringen hebben opgesteld of afgelegd, niet zo helder voor ogen konden staan als zij de parkeercontroleurs ten tijde van het intikken van de gegevens in de handterminal voor ogen stonden.

4.5. Eiseres heeft aangevoerd dat het door de gemeente gevoerde beleid tot vernietiging van de naheffingsaanslagen moet leiden. Nu dit beleid, naar volgt uit het onder 2.7 opgenomen citaat, onder meer inhoudt dat in gevallen als het onderhavige, waarin de betrokkene stelt dat de parkeervergunning duidelijk zichtbaar achter de voorruit lag en bovendien getuigenverklaringen als bewijs inbrengt, de naheffingsaanslag altijd wordt verminderd, waarbij de vermindering niet meetelt voor het maximale aantal verminderingen per kalenderjaar, slaagt deze beroepsgrond.

4.6 Gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank zal de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen vernietigen.

Proceskosten

4.7. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 328 (0,5 punt voor repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank ziet geen aanleiding een vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toe te kennen nu gesteld noch gebleken is dat eiseres hierom heeft verzocht vóórdat verweerder op het bezwaar had beslist.

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 328; en

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 123,-

(3 x € 41,-) aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.R.M. Dekker.

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2010

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.