Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1566

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
AWB 09/43749 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Burundi, intrekking vergunning, alleenstaande gescheiden vrouw met minderjarige kinderen, ongeloofwaardig relaas, 3 EVRM

artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw, artikel 3 EVRM

Samenvatting:

Eiseres is een Burundische vrouw van gemengde afkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de grond voor verlening van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is komen te vervallen, zodat verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw heeft mogen intrekken. In geschil is allereerst de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres toerekenbaar ongedocumenteerd is. Van haar relaas dient derhalve positieve overtuigingskracht uit te gaan. De rechtbank stelt met verweerder vast dat op essentiële onderdelen van het asielrelaas van eiseres tussen de verklaringen van eiseres en die van de ex-echtgenoot tegenstrijdigheden bestaan. Reeds op basis van het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat van het asielrelaas van eiseres geen positieve overtuigingskracht uitgaat en heeft hij het dus als ongeloofwaardig mogen aanmerken. Verweerder heeft eiseres op het moment dat aan haar de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd werd verleend op de d-grond, dan ook terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, en evenmin op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder b, van de Vw. Ten aanzien van de beoordeling van de situatie ten tijde van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, nu haar relaas niet geloofwaardig wordt geacht. Eiseres heeft in het kader van haar beroep op artikel 3 EVRM gesteld dat er, gezien haar gemengde afkomst, bezien in samenhang met het feit dat zij – inmiddels gescheiden en met de zorg over haar minderjarige kinderen belast – als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Burundi een specifiek verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van seksueel geweld, dat in Burundi op grote schaal plaatsvindt. Ter onderbouwing van dit beroep op artikel 3 EVRM heeft eiseres verwezen naar rapporten van Amnesty International en ACAT Burundi en OMCT. Tussen partijen is niet in geschil dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes in Burundi op grote schaal voorkomt. De rechtbank overweegt dat eiseres als alleenstaande vrouw en alleenstaande moeder in Burundi een verhoogd risico zal lopen op seksueel geweld. De omstandigheid dat in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Burundi van maart 2009 niet staat dat bepaalde categorieën vrouwen een verhoogd risico lopen op seksueel geweld, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat dit wel in de rapporten van ACAT Burundi en OMCT en Amnesty International is vermeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres bij haar uitzetting naar Burundi niet een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 09/43749 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1973], van Burundische nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T.J.W. Pieters.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 12 november 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), ingetrokken met ingang van 19 juni 2006. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 10 juni 2010, waar eiseres is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiseres is een Burundische vrouw van gemengde afkomst. Haar vader is Hutu en haar moeder is Tutsi.

2.2 Bij besluit van 28 juli 2005 is aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw met ingang van 21 juli 2005, geldig tot 21 juli 2010.

2.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken wegens beëindiging van het categoriale beschermingbeleid voor asielzoekers van Burundische nationaliteit per 19 juni 2006. Eiseres is voorts niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw, omdat haar relaas ongeloofwaardig is bevonden.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat de grond voor verlening van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is komen te vervallen, zodat verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, heeft mogen intrekken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.

2.5 In geschil is allereerst de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

2.6 Bij de beoordeling van de vraag of verweerder het relaas van eiser in redelijkheid als ongeloofwaardig heeft kunnen bestempelen, gaat de rechtbank uit van het volgende toetsingskader. In hoofdstuk C14/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) is neergelegd dat de toetsing van de geloofwaardigheid plaatsvindt op grond van de verklaringen van de vreemdeling, zoals deze onder meer naar voren komen in de gehoren, en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft in haar uitspraak van 21 juli 2009 (LJN: BJ3621) het door de rechter te hanteren toetsingskader nader aangegeven.

2.7 Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw. Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat er over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.

2.8 De rechtbank stelt vast dat eiseres geen documenten ter staving van haar reisroute heeft overgelegd. Uit het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.6.3 van de Vc volgt dat reeds wanneer is vastgesteld dat reisdocumenten toerekenbaar ontbreken, dit voldoende is voor het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw. Tevens heeft de ABRvS in een uitspraak van 11 februari 2008 (LJN: BC4709) geoordeeld dat voor de conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten al voldoende is als ten aanzien van één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw genoemde elementen documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de asielzoeker. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten niet aan haar is toe te rekenen. Eiseres heeft haar paspoort na aankomst in Nederland aan haar reisagent afgegeven. Zij heeft aangevoerd dat van haar niet kon worden verwacht dat zij het paspoort na de controle zou behouden, nu zij afhankelijk was van de reisagent. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, vormt naar het oordeel van de rechtbank evenwel - mede gelet op het bepaalde in hoofdstuk C4/3.6.3 van de Vc met betrekking tot afgifte van reisdocumenten aan een reisagent - geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiseres heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het overleggen van documenten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich reeds op grond van het voorgaande in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het onderhavige geval sprake is van toerekenbaar ontbreken van documenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw.

2.9 Nu sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw, mogen in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.10 Eiseres is van mening dat haar verklaringen ten aanzien van haar asielmotieven consistent en gedetailleerd zijn en bovendien in overeenstemming zijn met hetgeen over de algehele situatie in Burundi bekend is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen die eiseres en haar later nagereisde (inmiddels ex-)echtgenoot de heer [ex-echtgenoot] (hierna: de ex-echtgenoot) hebben afgelegd dusdanig veel tegenstrijdigheden bevatten, dat het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht mist.

2.11 De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft afgewezen omdat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot haar asielrelaas, waarbij verweerder zich baseert op een vergelijking van de gehoren van eiseres met de gehoren van de haar nagereisde ex-echtgenoot. De rechtbank merkt met betrekking tot het hiervoor voormeld toetsingskader op dat de ABRvS in haar uitspraak waarin zij is gekomen tot dit toetsingskader, is uitgegaan van de situatie waarin verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas van één asielzoeker heeft beoordeeld en de wijze waarop de rechter deze beoordeling dient te toetsen. De onderhavige zaak is in die zin anders dat niet het relaas van één betrokkene door verweerder is beoordeeld op zijn innerlijke consistentie en geloofwaardigheid, maar dat verweerder het relaas van eiseres heeft vergeleken met en beoordeeld aan de hand van het relaas van de ex-echtgenoot, welke verklaringen op verschillende momenten en door verschillende contactambtenaren zijn afgenomen, waarbij bovendien niet steeds exact dezelfde vragen zijn gesteld.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat bij een dergelijke vergelijking van relazen van verschillende asielzoekers onderlinge tegenstrijdigheden, onduidelijkheden, ongerijmdheden en het op sommige punten onvermeld laten van feiten en gebeurtenissen die door de ander wel worden vermeld, eerder zullen voorkomen en eerder verklaarbaar zijn dan bij de beoordeling van het relaas van slechts één asielzoeker op zijn innerlijke consistentie en geloofwaardigheid.

2.13 Ook indien het voorgaande in aanmerking wordt genomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat van het relaas van eiseres geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor over de periode na haar vrijlating op 10 november 2004 en inval in haar woning in mei 2005 tijdens haar nader gehoor (pagina 4) het volgende verklaard:

“[…] In januari 2005 is de commandant die mij heeft gearresteerd in [plaatsnaam] komen werken als commandant op de markt. Hij liet me weer arresteren. Op zijn kantoor heeft hij mij vragen gesteld over hoe ik ben gevlucht en hoe ik met mensen van de FNL samenwerkte. Ik zei dat ik niet met hen samenwerkte. Die commandant zei, toen ik ontkende, dat ik het risico liep om vermoord te worden. Als ik dat niet wilde, moest ik een deal met hem sluiten. Dat betekende dat ik hem maandelijks 100.000 Burundese Franc moest betalen. Ik heb ingestemd om van hem af te komen en om mijn leven te redden. De eerste maand heb ik betaald. Ook de tweede maand heb ik, aan het eind van de maand, moeten betalen. De derde maand betaalde ik hem niet. Hij stuurde mensen om mij op te pakken en naar zijn kantoor te brengen. Daar werd ik in elkaar geslagen. Thuis heb ik dit met mijn man besproken. Ik zei dat de bedreigingen steeds meer werden, maar hij zei dat ik toch door moest gaan met mijn werk. Op een gegeven moment heeft de commandant mij bedreigd. Hij vroeg of ik zijn vrouw wilde worden. Dat heb ik geweigerd. Toen zei hij dat hij mij zou doden. Hij schold mij uit, hij zei dat ik Hutu was en ik zou zien, dat als ik hem niet betaalde, ik vermoord zou worden. Op 26 mei 2005 heeft hij soldaten gestuurd om mij op te laten pakken. […]”

Op pagina 10 van het nader gehoor heeft eiseres op de vraag wanneer zij is opgepakt en in elkaar is geslagen geantwoord:

“Dat was in maart, april. De intimidatie ging gewoon door.”

2.14 De ex-echtgenoot heeft over deze periode het volgende verklaard:

“[…] Op een dag wilde een militair sex met haar hebben en dat heeft mijn vrouw geweigerd. […] Na een tijdje daar te hebben gewerkt, kwam er een militair, die haar wilde versieren, naar de markt van [plaatsnaam] en heeft haar daar gevonden. Deze militair kwam op de markt van [plaatsnaam] waar zij toen werkte en vroeg haar waarom zij niet meer in [plaatsnaam] kwam. Mijn vrouw zei dat ze nu op de markt van [plaatsnaam] werkte. Ze praatten met elkaar en de militair wilde haar adres hebben en mijn vrouw heeft dat aan hem verteld. Ze dacht dat het alleen om leuke praatjes ging, maar de militair had andere bedoelingen. […]”

Vervolgens heeft de gehoormedewerker onder meer de volgende vragen gesteld aan de ex-echtgenoot:

Wat is er verder gebeurd tussen het moment dat uw vrouw weer thuis was gekomen op 13 oktober 2004 en de dag dat de soldaten bij u langskwamen op 26 mei 2005?

Niets.

[…]

Had uw vrouw in die periode problemen ondervonden?

Nee

Dat weet u zeker?

Ja

[…]

Op 26 mei 2005 is uw vrouw toch weggevlucht?

Ik heb me vergist. In de periode tussen 11 oktober 2004 en 26 mei 2005 had mijn vrouw problemen met de militair, maar ze dacht dat het niet zo erg was en ze ging door met haar werk op de markt.

[…]

Ik vraag nogmaals waarom u eerder heeft verklaard dat uw vrouw geen problemen heeft gehad in de periode van 13 oktober 2004 tot 26 mei 2005 en nu zegt u dat zij toen wel problemen heeft gehad?

Het waren geen echte problemen maar meer rancunes.

2.15 De rechtbank stelt met verweerder vast dat op essentiële onderdelen van het asielrelaas van eiseres tussen de verklaringen van eiseres en die van de ex-echtgenoot tegenstrijdigheden bestaan. De verklaring die eiseres voor deze tegenstrijdigheden heeft gegeven - namelijk, kort gezegd, dat de ex-echtgenoot veel van huis was en niet geïnteresseerd was in haar problemen - is naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende, met name nu eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard (zoals onder 2.13 is weergegeven) dat zij met de ex-echtgenoot heeft gesproken over haar problemen en zij heeft verklaard dat deze gebeurtenissen - mede - aanleiding zijn geweest voor hun vlucht uit Burundi.

2.16 Reeds op basis van het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat van het asielrelaas van eiseres geen positieve overtuigingskracht uitgaat en heeft hij het dus als ongeloofwaardig mogen aanmerken. Verweerder heeft eiseres op het moment dat aan haar de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, aanhef en onder d, van de Vw werd verleend, dan ook terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

2.17 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het asielrelaas, is niet aannemelijk dat eiseres destijds bij gedwongen verwijdering naar Burundi een reëel risico liep op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Evenmin zijn andere onderscheidende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan een dergelijke vrees destijds alsnog aannemelijk moet worden geacht. Eiser kon aan het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw derhalve destijds geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.18 Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geoordeeld dat aan eiseres gezien de situatie ten tijde van het bestreden besluit geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw diende te worden verleend.

2.19 Ten aanzien van de beoordeling van de situatie ten tijde van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, nu haar relaas niet geloofwaardig wordt geacht.

2.20 Eiseres heeft in het kader van haar beroep op artikel 3 van het EVRM gesteld dat er, gezien haar gemengde afkomst, bezien in samenhang met het feit dat zij - inmiddels gescheiden en met de zorg over haar minderjarige kinderen belast - als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Burundi een specifiek verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van seksueel geweld, dat in Burundi op grote schaal plaatsvindt. Ter onderbouwing van dit beroep op artikel 3 van het EVRM heeft eiseres verwezen naar het rapport “Burundi: No protection from wrape in war and peace” van oktober 2007 van Amnesty International en het gezamenlijk rapport “Les violences contre les femmes au Burundi” van januari 2008 van L’Action des chrétiens pour l’Abolition de la Torture (ACAT Burundi) en L’Organisation Mondiale Contre la Torture (OCMT). Verder heeft zij een broep gedaan op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Salah Sheekh, Saadi vs Italy en NA vs UK, in samenhang met het feit dat vrouwen uit Burundi door verweerder beleidsmatig zijn aangemerkt als een groep die verhoogde aandacht behoeft.

2.21 Verweerder heeft zich hieromtrent op het standpunt gesteld dat - gelet op het beleid neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2008/1 - vrouwen een verhoogde aandacht vragen. Zij dienen echter aannemelijk te maken dat zij slachtoffer zijn geweest, dan wel zullen worden bij terugkeer naar Burundi, van seksueel geweld. Verweerder stelt dat eiseres hier, gelet op haar ongeloofwaardig geachte asielrelaas, niet in is geslaagd. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat eiseres voorts niet voldoende heeft geïndividualiseerd waarom juist zij gevaar loopt. Het enkele gegeven dat zij een alleenstaande moeder is, is onvoldoende individualiserend.

2.22 Tussen partijen is niet in geschil dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes in Burundi op grote schaal voorkomt. De rechtbank overweegt dat in het onder 2.20 vermelde rapport van ACAT Burundi en OMCT is vermeld, voor zover in dit geval van belang, dat alleenstaande vrouwen die tot een kwetsbare categorie behoren zoals - vooral - alleenstaande moeders, een verhoogd risico lopen op verkrachtingen en ander geweld tegen vrouwen (pagina 27). In het onder 2.20 vermelde rapport van Amnesty International staat, voor zover in dit geval van belang, dat kwetsbare groepen - waaronder teruggekeerde vluchtelingen en vrouwen die alleen wonen, meer risico lopen om verkracht te worden (pagina 12). De rechtbank overweegt dat eiseres tot beide categorieën behoort, waardoor zij - met haar specifiek onderscheidende kenmerken - in Burundi een verhoogd risico zal lopen op seksueel geweld. De omstandigheid dat in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Burundi van maart 2009 niet staat dat bepaalde categorieën vrouwen een verhoogd risico lopen op seksueel geweld, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat dit wel in de rapporten van ACAT Burundi en OMCT en Amnesty International is vermeld. De gezaghebbendheid van de rapportages van deze organisaties is door verweerder niet betwist. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het hiervoor genoemde ambtsbericht bevestigt dat in Burundi op grote schaal seksueel geweld tegen vrouwen voorkomt.

2.23 Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres bij haar uitzetting naar Burundi niet een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

2.24 Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

2.25 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-, te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2010.

De griffier De rechter

mr. M.M. van Luijk-Salomons mr. K.J. Veenstra

(de griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen)