Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0708

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
09-997136-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klager is werkzaam geweest als psycholoog. Klager wordt verdacht van valsheid in geschrifte (225) en oplichting (326), gepleegd ten aanzien van diverse zorgverzekeraars, de IND en de Sociale Dienst. Onder klager zijn diverse bescheiden in beslag genomen. Klager stelt dat deze onder zijn wettelijk geheimhoudingsplicht vallen en heeft een bezwaarschrift ingediend om deze bescheiden terug te krijgen.

De rechtbank oordeelt dat de geheimhoudingsplicht van klager niet is ingebed in een wettelijke regeling en/of in een wettelijk tuchtrecht, en dat daarom aan klager geen verschoningsrecht toe komt. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, spelen de aard en de inhoud van de werkzaamheden eerst een rol bij de beoordeling van het verschoningsrecht, indien vast is komen te staan dat sprake is van een in de wet verankerde of anderszins te respecteren geheimhoudingsplicht. Pas dan dient te worden beoordeeld of de geheimhouder in zijn contacten met de patiënten ook daadwerkelijk een beroep uitoefende op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Nu klager geen beroep op het verschoningsrecht in de zin van artikel 218 Sv toekomt, dient het beklag van klager ongegrond te worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 98
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 3
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/50
GJ 2011/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/997136-09

Kenmerk RK: 10/3186

Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager],

geboren op [geboortedatum] in 1951 te [geboorteplaats] (Irak) ,

wonende te [adres],

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 14 september 2010 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van de nog onder beslag liggende stukken aan klager.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft op 16 november 2010 dit klaagschrift in raadkamer behandeld.

Klager, bijgestaan door mr. A.C.H. Walkate, advocaat te 's-Gravenhage, is in raadkamer gehoord.

De officier van justitie mr. C.E.J. Backer heeft in raadkamer geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

Beoordeling van het klaagschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

De rechtbank stelt vast dat op 24 augustus 2010 onder klager diverse patiëntendossiers, brieven, computers en gegevensdragers in beslag zijn genomen, die hem in eigendom toebehoren.

Op 9 september 2010 heeft op het kabinet van de rechter-commissaris een bijeenkomst plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren klager en zijn raadsvrouw, mr. Walkate, alsmede de officier van justitie mr. Backer.

Van deze bijeenkomst is een proces-verbaal gemaakt. Volgens dit proces-verbaal heeft klager verklaard dat de inhoud van de enveloppen genummerd RC1 tot en met RC7, RC11 en RC12 (voor zover het betreft een brief aan een huisarts van 2 juli 2010 en een brief aan de GGD van 7 juli 2010, alsmede een CD-rom) vallen onder zijn geheimhoudingsplicht. Ten aanzien van RC12 merkt klager op dat zijn geheimhoudingsplicht zich niet uitstrekt over de patiëntenlijsten, facturen, afrekeningen 1NP, contract 1NP en een brief van de verzekering, aldus klager. Onder zijn geheimhoudingsplicht vallen volgens klager ook de laptop en de desktop die zijn aangetroffen in de werkkamer van de woning aan de [adres], alsmede de desktop die is aangetroffen aan het [adres] en de - niet op de beslaglijst voorkomende - usb-sticks.

De in beslag genomen voorwerpen waarover klager heeft verklaard dat deze niet onder zijn geheimhoudingsplicht vallen, zijn blijkens het proces-verbaal door de rechter-commissaris aan de officier van justitie overhandigd. De overige hiervoor genoemde voorwerpen - die volgens klager vallen onder zijn geheimhoudingsplicht - zijn bij de rechter-commissaris gebleven. Het klaagschrift richt zich tegen deze voorwerpen.

De raadsvrouw heeft het klaagschrift in raadkamer toegelicht en daarbij het volgende aangevoerd. In zijn hoedanigheid van psycholoog is er sprake van een individuele therapeutische behandelrelatie van klager met zijn patiënten. De aard van deze werkzaamheden brengt mee dat zijn patiënten mogen verwachten dat alles wat zij aan klager vertellen vertrouwelijk blijft. Op grond van de aard van zijn werkzaamheden heeft klager dan ook een functionele geheimhoudingsplicht, zodat aan hem een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Wetboek van Strafvordering (hierna: "Sv"), toekomt. Dat klager niet geregistreerd is in het BIG-register van gezondheidszorgpsychologen en op hem derhalve geen wettelijke geheimhoudingsplicht rust zoals bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: "Wet BIG"), doet hier niet aan af. Als uitgangspunt dient te gelden dat het, gelet op de aard van zijn werkzaamheden, aan klager is om te beoordelen of de in beslag genomen voorwerpen de vertrouwensrelatie met zijn patiënt raken en derhalve onder zijn geheimhoudingsplicht vallen. Nu klager heeft aangevoerd welke voorwerpen onder zijn geheimhoudingsplicht vallen en de officier van justitie niets heeft aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt, dienen de voorwerpen aan klager te worden teruggegeven.

Er zijn voorts geen zeer uitzonderlijke omstandigheden te noemen die een doorbreking van het aan klager toekomende verschoningsrecht rechtvaardigen. De officier van justitie heeft verder niet aangevoerd dat de waarheidsvinding niet op een andere wijze kan worden gediend dan door doorbreking van het verschoningsrecht. Gelet op het voorgaande dient het beklag gegrond te worden verklaard en dienen de in beslag genomen voorwerpen aan klager te worden terug gegeven.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager geen verschoningsgerechtigde is. Klager is geen geregistreerd gezondheidszorgpsycholoog in de zin van de Wet BIG en hij valt onder geen enkel wettelijk tuchtrecht. Aan hem komt dan ook geen beroep toe op de geheimhoudingsplicht die hieruit voortvloeit. Het bestaan van een individuele behandelrelatie is daartoe onvoldoende. Dat klager desondanks de titel psycholoog voert tegenover zijn patiënten, levert hem ten opzichte van derden niet een beschermde titel op leidend tot een verschoningrecht.

Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het verschoningsrecht van klager doorbreken. De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het beklag.

Overwegingen

Artikel 98 Sv bepaalt dat bij personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld bij artikel 218 Sv, niet in beslag genomen worden brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is dan ook of aan klager een verschoningsrecht toekomt in de zin van artikel 218 Sv. De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief en overweegt daartoe als volgt.

Klager behoort niet tot de groep van klassieke verschoningsgerechtigden.

De rechtbank stelt vervolgens voorop dat de wetgever met de invoering van de Wet BIG heeft beoogd een zoveel mogelijk uniforme regeling te geven voor alle daarvoor in aanmerking komende beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg en daartoe voorwaarden aan te geven, gericht op het bevorderen van een beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorg, die beantwoordt aan eisen van kwaliteit zoals deze in de huidige samenleving mogen worden verwacht (memorie van toelichting, 19 522, nummer 3, bladzijden 2 en 6). Daartoe is in de wet een stelsel van registratie en bescherming van de beroepstitel opgenomen. Op grond van artikel 3 van de Wet BIG geldt deze voorziening ook voor de gezondheidszorgpsycholoog.

In artikel 88 van de wet BIG heeft de wetgever een geheimhoudingsplicht neergelegd. Op grond van deze bepaling in relatie tot artikel 3 van de wet BIG dient een gezondheidszorgpsycholoog te worden gerekend tot diegenen die uit hoofde van hun beroep tot geheimhouding verplicht zijn ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. De rechtbank stelt vast dat klager niet een zodanige wettelijke geheimhoudingsplicht heeft. Klager voldoet immers niet aan de wettelijke eisen om de titel gezondheidszorgpsycholoog te mogen voeren en klager is niet in het BIG-register ingeschreven. De in de Wet BIG opgenomen geheimhoudingsplicht geldt dan ook niet voor klager.

Klager is als psycholoog wel lid van het Nederlands Instituut van Psychologen (hierna te noemen NIP). Het NIP heeft een eigen beroepscode en een eigen tuchtrecht. Op grond van de beroepscode van het NIP heeft klager een geheimhoudingsplicht jegens de individuele patiënt. Klager mag bijvoorbeeld geen gesprekken met patiënten openbaren. Het tuchtrecht van het NIP is echter niet wettelijk verankerd. Het feit dat klager als lid van het NIP een zelf opgelegde geheimhoudingsplicht jegens zijn patiënten heeft, maakt echter nog niet dat klager op grond daarvan ook een verschoningsrecht overeenkomstig artikel 218 Sv toekomt.

De belangen van het effectief uitoefenen van het beroep van een psycholoog als klager, die niet voldoet aan de opleidings- en beroepseisen voor een gezondheidszorgpsycholoog, zijn maatschappelijk onvoldoende zwaarwegend om hem naast de erkende gezondheidszorgpsycholoog een verschoningsrecht toe te kennen.

Nu de geheimhoudingsplicht van klager niet is ingebed in een wettelijke regeling en/of in een wettelijk tuchtrecht, komt aan klager geen verschoningsrecht toe. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, spelen de aard en de inhoud van de werkzaamheden eerst een rol bij de beoordeling van het verschoningsrecht, indien vast is komen te staan dat sprake is van een in de wet verankerde of anderszins te respecteren geheimhoudingsplicht. Pas dan dient te worden beoordeeld of de geheimhouder in zijn contacten met de patiënten ook daadwerkelijk een beroep uitoefende op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Nu klager geen beroep op het verschoningsrecht in de zin van artikel 218 Sv toekomt, dient het beklag van klager ongegrond te worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven te 's-Gravenhage door mrs R.A.C. van Rossum, voorzitter, S.M. Christiaan en R. van Zeijst - Repelaer van Driel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2010.