Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0634

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
747432 \ CV EXPL 08-2830
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis CAO-recht, Naleving AVV-CAO Zie ook tussenvonnis LJN BP 0103

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie Delft

MB

Rolnr. 747432 \ CV EXPL 08-2830

1 juli 2010

Vonnis in de zaak van:

de stichting Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten,

gevestigd te Haarlemmermeer,

eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. M.H.D. Vergouwen,

tegen

de besloten vennootschap Tido Vesta Nederland B.V.,

gevestigd te Naaldwijk,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.J.L.J. Duijsens.

Partijen worden aangeduid als SNCU en Tido Vesta.

Procedure

- tussenvonnis van 2 april 2009;

- de comparitie van partijen van 21 april 2009;

- de comparitie van partijen van 5 oktober 2009.

1 Beoordeling

1.1 De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 2 april 2009.

1.2 SNCU baseert haar vordering op de CAO Uitzendkrachten 2004-2009, die tot 31 maart 2007 algemeen verbindend was. Nu de onderhavige vordering betrekking heeft op de periode voor 15 maart 2007 verenigt de kantonrechter zich met dat uitgangspunt. Dat de CAO voor Uitzendkrachten 2004-2009 ten tijde van het instellen van de vordering niet meer algemeen verbindend was doet niet af aan het recht van SNCU om op grond van die CAO een vordering in te stellen ter zake van de naleving van de CAO in de periode waarin deze wel algemeen verbindend was.

1.3 SNCU is op grond van de CAO Uitzendkrachten 2004-2009 bevoegd om de onderhavige vordering in te stellen, omdat de CAO-partijen het toezicht op de naleving van de CAO en hun bevoegdheden zoals neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 Wet CAO en artikel 3 Wet AVV hebben gedelegeerd aan SNCU en de betreffende CAO algemeen verbindend verklaard is. Nu in artikel 45 van de CAO Uitzendkrachten 2004-2009 is bepaald dat de Statuten en Reglementen onderdeel uitmaken van de CAO, zijn ook deze algemeen verbindend, zelfs al zijn zij niet expliciet genoemd in het besluit tot algemeen verbindendverklaring. Anders dan Tido Vesta betoogt staat artikel 3 Wet AVV niet aan de onderhavige vordering in de weg, omdat aangenomen moet worden dat artikel 3 Wet AVV niet een limitatieve opsomming van de actiemogelijkheden inhoudt en derhalve niet aan nakomingsacties als de onderhavige in de weg staat.

1.4 SNCU heeft ter zake van (de controle op) de naleving van de CAO Uitzendkrachten 2004-2009 niet de procedure gevolgd zoals omschreven is in de CAO en het bij de CAO behorende Reglement II. Bij de toezending van het definitieve rapport van VRO is geen termijn gesteld waarbinnen verbeteringen moesten zijn aangebracht (artikel 5 lid 8 Reglement II). Nu geen termijn is gesteld heeft SNCU ook geen recht op hercontrole, aangezien die hercontrole krachtens artikel 5 lid 9 van Reglement II zou moeten plaatsvinden binnen zes maanden na het verstrijken van de gestelde termijn.

1.5 Evenmin heeft SNCU Tido Vesta in gebreke gesteld voordat zij overging tot het aanzeggen van tot het innen van schadevergoeding, zoals artikel 46 van de CAO Uitzendkrachten 2004-2009 voorschrijft. SNCU heeft bij brief van 14 augustus 2007 zonder meer schadevergoeding gevorderd wegens overtreding van de CAO. SNCU heeft dat verzuim echter hersteld door Tido Vesta bij brieven van 21 november 2007 (aan de accountant van Tido Vesta) en 11 december 2007 (aan Tido Vesta) alsnog ingebreke te stellen. Nadat een reactie op die ingebrekestelling uitbleef mocht SNCU daarom overgaan tot het vorderen van de forfaitaire schadevergoeding als bedoeld in artikel 6 lid 2 van Reglement II.

1.6 Tido Vesta is die schadevergoeding verschuldigd geworden, nu op grond van het rapport van VRO van 30 januari 2007, tegen de inhoud waarvan Tido Vesta niet heeft geprotesteerd, moet worden aangenomen dat Tido Vesta in gebreke is gebleven met de correcte naleving van de CAO. Dat VRO nadien nog in opdracht van Tido Vesta een controle heeft uitgevoerd waarbij geen nalatigheden zijn vastgesteld, maakt dit niet anders, nu gesteld noch gebleken is dat die controle zag op de dezelfde punten als de controle die in opdracht van SNCU heeft plaatsgehad.

1.7 Naar het oordeel van de kantonrechter is de gevorderde forfaitaire schadevergoeding een boete als bedoeld in artikel 6:91 BW. De door SNCU gevorderde schade is immers gefixeerd en is niet gerelateerd aan de werkelijke hoogte van de door haar geleden schade. SNCU heeft bij de comparitie van partijen aangegeven dat zij in dat geval de voorkeur geeft aan toewijzing van de gevorderde schadevergoeding boven een veroordeling tot naleving van de CAO. De vordering tot naleving van de CAO wordt gelet daarop op grond van het bepaalde in artikel 6:92 BW afgewezen.

1.8 Gelet op de hoogte van de door VRO vastgestelde schade, de kosten verbonden aan het onderzoek en het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij naleving van de CAO is er geen aanleiding tot matiging van de gevorderde forfaitaire schadevergoeding.

1.9 Nu SNCU feitelijk slechts twee ingebrekestellingen heeft verzonden voordat zij tot dagvaarding overging zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar. Dat SNCU eerder gecorrespondeerd heeft met Tido Vesta moet voor rekening van SNCU blijven, nu zij daarbij niet de correcte procedure heeft gevolgd.

1.10 Tido Vesta zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

1. veroordeelt Tido Vesta om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SNCU te betalen een bedrag van

€ 51.751, te vermeerden met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2008 tot de dag van voldoening;

2. veroordeelt Tido Vesta tot vergoeding van de proceskosten, tot hiertoe aan de zijde van SNCU vastgesteld op € 2.672,80, waaronder begrepen een bedrag van € 2.400,00 als salaris van de gemachtigde van SNCU, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

3. verklaart de hiervoor onder 1. en 2. uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Baaij, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.