Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0126

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
10-01-2011
Zaaknummer
AWB 07/14298
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Turkse zelfstandige, standstillbepaling, mvv, wezenlijk economisch belang, advies, categoriaal beleid

Het voor het puntensysteem gevoerde beleid, dat voor bepaalde categorieën werkzaamheden geen advies van de Minister van Economische Zaken wordt gevraagd, is in strijd met de standstillbepaling. Betrokkene heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verrichten van arbeid als zelfstandige ondernemer’ aangevraagd. In deze zaak acht de rechtbank de invulling van het criterium ‘wezenlijk economisch belang’ in het beleid van voor 4 januari 2008 strijdig met de standstillbepaling in het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije. Op 1 januari 1973 werd, ter beoordeling van de vraag of met voorgenomen werkzaamheden een wezenlijk economisch belang werd gediend, advies gevraagd aan de Minister van Economische Zaken. Volgens het in deze zaak toegepaste beleid wordt ervan uitgegaan dat met bepaalde categorieën geen wezenlijk economisch belang wordt gediend. Aldus worden bepaalde werkzaamheden categoriaal geweerd waar dat voorheen niet zo was, wat voor deze categorieën een niet toegelaten nieuwe beperking oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 07/14298

Datum uitspraak: 16 november 2010

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Turkse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. H. Dogan,

tegen

de Minister van Justitie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 18 april 2005 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verrichten van arbeid als zelfstandige ondernemer’ aangevraagd. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Daartegen heeft eiser op 23 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 2 april 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 september 2010. Eiser en zijn gemachtigde zijn daarbij, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M. Leijtens.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Met de door eiser voorgenomen werkzaamheden is geen wezenlijk Nederlands economisch belang gediend, zodat de aanvraag, gelet op artikel 3.30, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (verder: Vb 2000) moet worden afgewezen. Eiser beschikt verder niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met zijn verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’. Gezien artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 in samenhang met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 wordt ook daarom de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiser stelt dat het huidige toelatingsbeleid ten aanzien van Turkse zelfstandigen, in strijd met de standstillbepaling in artikel 41 van het Aanvullend Protocol van 23 november 1970 bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (hierna: het Aanvullend Protocol), strenger is geworden ten opzichte van het moment van inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol op 1 januari 1973. Het stellen van het mvv-vereiste is in strijd met de standstillbepaling. Ook het beleid van verweerder ten aanzien van het vereiste van wezenlijk economisch belang is strijdig met de standstillbepaling. Voorts heeft verweerder het nieuwe beleid voor aanvragen onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ ten onrechte niet toegepast. Verweerder heeft verder niet kunnen afzien van het horen van eiser, aangezien het bezwaarschrift niet kennelijk ongegrond was.

4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 6 maart 2008 (200409217/1-A, JV 2008,148), te kennen gegeven dat de omstandigheid, dat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, niet langer aan eiser wordt tegengeworpen. Omdat echter met de door eiser voorgenomen arbeid geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend en ook op grond daarvan de aanvraag is afgewezen, dient het beroep ongegrond verklaard te worden, aldus verweerder.

5. Op de aangevoerde gronden en verweren wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. Op 12 september 1963 is de associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije gesloten. Deze overeenkomst is goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963. Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol ondertekend, dat voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden op 1 januari 1973 in werking is getreden. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten ten opzichte van de datum van inwerkingtreding van de standstillbepaling op 1 januari 1973.

7. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

8. Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan de vreemdeling, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de minister van Justitie een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

9. Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen omdat met de door eiser voorgenomen werkzaamheden geen wezenlijk economisch belang is gediend. Daarbij is artikel 41 van het Aanvullend Protocol van belang. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof; arrest van 11 mei 2000 in zaak nr. C-37/98, Savas tegen Secretary of State for the Home Department, punten 69 tot en met 71; arrest van 21 oktober 2003 in zaak nr. C-317/01 en C-369/01, Abatay e.a. en Sahin, punten 66 en 117; arrest van 20 september 2007 in zaak nr. C-16/05, Tum & Dari tegen Secretary of State for the Home Department, punt 53, alle www.curia.europa.eu) moet een standstillbepaling als die in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol aldus worden opgevat dat zij de invoering van alle nieuwe maatregelen verbiedt die tot doel of tot gevolg zouden hebben de vestiging van Turkse staatsburgers in een lidstaat te onderwerpen aan restrictievere voorwaarden, materieel of procedureel, dan die welke voortvloeien uit de regels die op de datum van inwerkingtreding van het aanvullend protocol voor de betrokken lidstaat golden. Voorts heeft de Afdeling op 24 juli 2009 (200803358/1/V3, JV 2009,362) overwogen dat dergelijke nieuwe maatregelen ook in beleidsregels als vervat in de Vreemdelingencirculaire 2000 (verder: Vc 2000) gelegen kunnen zijn.

10. De rechtbank overweegt dat reeds op 1 januari 1973 ten aanzien van vreemdelingen die in Nederland arbeid als zelfstandige wilden verrichten de voorwaarde werd gesteld dat zij met de beoogde activiteiten een wezenlijk Nederlands economisch belang moesten dienen, waaromtrent verweerder advies kon inwinnen bij de Minister van Economische Zaken. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2004 (JV 2004/189) en 20 mei 2005 (LJN: AT6747). Aan de orde is derhalve niet zozeer het criterium wezenlijk Nederlands economisch belang als zodanig, als wel of de thans door verweerder in het beleid aan dit criterium gegeven toepassing strikter is dan op 1 januari 1973 en of om die reden sprake is van strijd met artikel 41 van het Aanvullend Protocol.

11. Verweerder betoogt daaromtrent dat een toelatingseis ten tijde van het bestreden besluit, evenals op 1 januari 1973, was dat met de voorgenomen werkzaamheden een wezenlijk economisch belang moet worden gediend. Daarbij werd, en wordt, advies van de Minister van Economische Zaken gevraagd ten aanzien van de vraag of met de voorgenomen werkzaamheden van een wezenlijk economische belang sprake is. De uitkomst van die beoordeling is veranderlijk, gegeven de veranderende economische omstandigheden, maar niet strenger. Daardoor ontstaat geen strijd met artikel 41 van het Aanvullend Protocol, aldus verweerder.

12. De rechtbank volgt dit betoog van verweerder niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 (zaaknr. 201000031/1, www.raadvanstate.nl) volgt dat dient te worden bezien of het ter zake toegepaste beleid in effect restrictiever is dan dat geldend op 1 januari 1973.

13. Eiser heeft bij zijn aanvraag aangegeven voornemens te zijn arbeid als zelfstandige te gaan verrichten in een winkel in buitenlandse levensmiddelen. In paragraaf B5/7.7 van de Vc 2000, geldend ten tijde van het bestreden besluit, is beleid opgenomen met betrekking tot de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Uitgangspunt daarbij is dat bij de beoordeling advies wordt gevraagd aan de Minister van Economische Zaken.

In paragraaf B5/7.8 van de Vc 2000, geldend ten tijde van het bestreden besluit, zijn evenwel ondernemingsactiviteiten opgenomen waarvoor geen advies van de Minister van Economische Zaken nodig is, omdat wordt aangenomen dat daarmee geen wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend. Daarbij gaat het om Chinees-Indonesische of Zuid- en Oost-Aziatische horecabedrijven waarvoor de norm in de betreffende gemeente is bereikt (paragraaf B5/7.8.1. respectievelijk B5/7.8.2), overige horecabedrijven zoals grillrooms, pizzeria’s, shoarmazaken en koffie- en eethuizen (B5/7.8.3.), en overige bedrijfsactiviteiten zoals Islamitische slagerijen, Turkse en Marokkaanse bakkerijen en winkels in deegspecialiteiten, confectieateliers en handel in ongeregelde goederen (B5/7.8.4.).

Voor de aanvraag van eiser heeft verweerder geen advies van de Minister van Economische Zaken gevraagd, omdat op grond van zijn beleid de door eiser voorgenomen werkzaamheden, naar het oordeel van verweerder, betrekking hebben op de categorieën van werkzaamheden waarvan op voorhand het bestaan van een wezenlijk Nederlands economisch belang uitgesloten is geacht, als neergelegd in voormeld beleid. In vergelijking met het beleid zoals dat gold op 1 januari 1973, toen van dergelijke op voorhand uitgesloten categorieën geen sprake was en per aanvraag werd beoordeeld of met de voorgenomen werkzaamheden een wezenlijk Nederlands economisch belang werd gediend, is naar het oordeel van de rechtbank voor deze categorieën aldus sprake van restrictievere voorwaarden dan die op de datum van inwerkingtreding van het Aanvullend protocol golden. Met voormeld beleid worden de ondernemingsactiviteiten als hier aan de orde immers categoriaal geweerd, hetgeen op 1 januari 1973 niet het geval was. Destijds vond een individuele beoordeling plaats. Dit betekent dat het beleid in paragraaf B5/7.8 van de Vc 2000, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, strijdig is met de standstillbepaling in artikel 41 van het Aanvullend Protocol. Verweerder heeft daarom niet met toepassing van dit beleid mogen oordelen dat de voorgenomen werkzaamheden van eiser niet van wezenlijk Nederlands economisch belang zijn. Het beroep is derhalve gegrond.

14. Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten bedragen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 322,- aan redelijkerwijs gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in verband met het instellen van het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Van andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken. Daarnaast dient verweerder aan eiser het griffierecht te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 maart 2007;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322,00;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht à € 150,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T.C. Wijsman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2010.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).