Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0119

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-11-2010
Datum publicatie
07-01-2011
Zaaknummer
334669 / KG ZA 09-440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser stelt dat de Staat onrechtmatig handelt door zijn overlevering toe te staan en doet daarbij een beroep op de artikel 6 lid 5 Overleveringswet en op artikel 35 lid 3 Overleveringswet. Beide worden niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 334669 / KG ZA 09-440

Vonnis in kort geding van 19 november 2010

in de zaak van

[eiser],

woonplaats kiezende te [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. E.A. Breetveld te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th. Ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft de Staat op 3 april 2009 doen dagvaarden om op 8 april 2009 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is voorafgaand aan de terechtzitting met instemming van beide partijen pro forma aangehouden tot uiteindelijk 8 november 2010. De zaak is vervolgens op 8 november 2010 behandeld en er is op 19 november 2010 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 november 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Bij Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 13 april 2007 heeft de Judge of Circuit Court te [Y.], Polen om de aanhouding en overlevering van [eiser] verzocht, in verband met de tenuitvoerlegging van een aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier jaar ter zake van oplichting en valsheid in geschrifte.

2.2. Na een tussenuitspraak van 20 augustus 2008 heeft de rechtbank te Amsterdam bij uitspraak van 6 februari 2009 de overlevering toegestaan.

2.3. In de overleveringsprocedure heeft [eiser] gewezen op psychische klachten. [eiser] heeft in dat verband een rapport overgelegd van zijn behandelend psychiater I.M. Smoktunowicz van 18 augustus 2008. In die rapportage staat het volgende, voor zover relevant: "(...) Zijn toestand is momenteel zorgelijk. Doordat hij bang is voor zijn gedwongen reis voor de rechtszaak naar Polen, kreeg hij last van herbelevingen van het trauma. (...)

Patiënt heeft nu doodswensen en maakt suïcidale plannen. (...) Verder blijkt uit psychiatrisch onderzoek een dreigende psychotisch decompensatie, wat inhoudt dat de patiënt minder grijp heeft op de werkelijkheid en daardoor is zijn coöperatie in het behandelproces niet meer adequaat. Gezien het karakter van zijn chronische psychotische ziekte (schizofrenie) kan er bij decompensatie sprake zijn van onvoorspelbaar gedrag waarvan de consequenties niet zijn te overzien.

Ik acht de patiënt niet in staat om deze reis naar Polen te ondernemen (...)"

2.4. Bij brief van 10 februari 2009 heeft psychiater I.M. Smoktunowicz aan de raadsman van [eiser] het navolgende bericht, voor zover relevant:

"(...) Bovengenoemde cliënt(e) is sinds vorig jaar bij ons in behandeling wegens ernstige chronische psychotische aandoening. Vanwege deze aandoening, is het mogelijk dat deze patiënt onvoorspelbaar gedrag vertoont. Gezien zijn lage angstdrempel en bijzondere traumatische ervaringen in Polen, zou een uitzending naar Polen bijzonder ingrijpend zijn voor deze patiënt. (...)

Als behandelaar vind ik het niet verantwoord om de patiënt naar Polen te sturen, wegens mogelijk suïcidaal gedrag gezien zijn eerdere ziektegeschiedenis en angsten.(...)"

2.5. [eiser] is naar aanleiding van dit rapport op verzoek van de officier van justitie te Amsterdam nader onderzocht door psychiater Degen, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te Alkmaar. Deze heeft op 25 februari 2009 verslag uitgebracht, waarin het volgende is opgenomen, voor zover relevant:

"(...) Conclusie

Bij bovengenoemde patiënt is er sprake van een depressief toestandsbeeld. Hij wordt daar voor behandeld met medicatie en ondersteunende gesprekken.

Voorts heeft hij langdurig last van akoestische hallucinaties in het kader van de diagnose schizofrenie waarvan de invloed op zijn gedrag wordt beperkt door de antipsychotische medicatie en zijn cognities. Tengevolge van bovenstaande is te concluderen dat de psychische belastbaarheid als gering te betitelen is. (...)"

2.6. Bij brief van 13 februari 2009 heeft de raadsman van [eiser] de procureur-generaal van de Hoge Raad verzocht om een vordering tot cassatie in het belang der wet in te dienen terzake van de uitspraak tot overlevering van 6 februari 2009 van de rechtbank Amsterdam.

2.7. Bij brief van 26 februari 2009 heeft de officier van justitie te Amsterdam aan de Poolse autoriteiten de psychiatrische bevindingen ten aanzien van [eiser] voorgehouden en aan dezen gevraagd of zij de benodigde zorg kunnen bieden. Bij brief van 4 maart 2009 hebben de Poolse autoriteiten verklaard dat de penitentiaire inrichting waar [eiser] zal worden gedetineerd beschikt over een psychiatrisch ziekenhuis dat [eiser] kan behandelen en dat, indien [eiser] detentieongeschikt wordt bevonden, de executie van de aan hem opgelegde straf zal worden onderbroken.

2.8. Bij last van 3 april 2009 is de overlevering van [eiser] tijdelijk uitgesteld in verband met nader onderzoek op grond van artikel 35 lid 3 Overleveringswet (Olw). De detentie van [eiser] is daarbij geschorst. Bij brief van 26 mei 2009 is de Poolse autoriteiten een afschrift verstrekt van de over [eiser] opgemaakte rapporten en wordt gevraagd om nadere inlichtingen over de mogelijkheden tot behandeling. Bij brief van 3 juni 2009 hebben de Poolse autoriteiten nogmaals hun standpunt (r.o. 2.7) te kennen gegeven.

2.9. Op 6 oktober 2009 is in de zaak [X.] uitspraak gedaan door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Bij brief van 8 oktober 2009 heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad [eiser] het volgende bericht, voor zover relevant: "(...) Bij brief van 13 februari 2009 heeft u mij verzocht over te gaan tot het indienen van een vordering tot cassatie in het belang der wet met betrekking tot een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 februari 2009 in de zaak van uw cliënt [eiser].

U noemt in uw verzoek een aantal vragen die betrekking hebben op de in artikel 6 lid 5 Overleveringswet vervatte regeling inzake de overlevering van vreemdelingen.

Met mijn beslissing op uw verzoek heb ik gewacht totdat het Hof van Justitie EG uitspraak zou hebben gedaan in de zaak [X.]. (...)

Gelet op de antwoorden die het HvJ EG heeft gegeven, meen ik dat er geen aanleiding is om over te gaan tot het indienen van een vordering tot cassatie in het belang der wet. (...)"

2.10. Bij brief van 2 juni 2010 heeft psychiater Smoktunowicz haar bevindingen aangaande [eiser] geactualiseerd en aangegeven dat zij [eiser] niet geschikt acht voor detentie maar mocht de uitzetting niet te vermijden zijn dan moet [eiser] volgens haar geplaatst worden in een forensisch zorgcentrum.

2.11. Bij brief van 7 juni 2010 heeft de officier van justitie te Amsterdam gevraagd aan psychiater Degen om zijn bevindingen uit 2009 te actualiseren, onder verwijzing naar de bevindingen van psychiater Smoktunowicz van 2 juni 2010. Tevens is de GGD gevraagd om een onderzoek te doen naar [eiser].

2.12. Op 30 juni 2010 heeft de GGD-arts Fassaert verslag uitgebracht. Daarin is het volgende opgenomen, voor zover relevant:

"(...) Concluderend kan gesteld worden dat er ernstige humanitaire redenen bestaan tegen overlevering wegens de blijvende ernstige gevolgen daarvan voor de psychische gezondheid van betrokkene. (...)"

2.13. Op 2 september 2010 heeft E.P.K. Sikkens, verbonden aan het NIFP te Amsterdam, gerapporteerd omtrent de geestelijke gezondheid van [eiser] en over de zorg die [eiser] nodig heeft en of deze binnen de detentiesituatie georganiseerd kan worden. Sikkens concludeert het volgende:

"(...) In antwoord op uw vragen kan ik het volgende stellen:

1. Betr. is bekend met schizofrenie en is op dit moment psychiatrisch redelijk stabiel door de huidige behandeling met adequate medicatie en een steunend-structurerend behandelcontact.

2. Betr. heeft in detentie vergelijkbare zorg nodig: adequate medicatie, goede psychiatrische begeleiding en een afdeling met een supportief-structurerend klimaat (vergelijkbaar met een Penitentiair Psychiatrisch Centrum). Gezien de specifieke stressvolle omstandigheden (eerdere negatieve ervaringen in detentie in Polen en de dreiging die betr. ervaart vanuit zijn mededaders) is er een redelijk grote kans aanwezig dat betr. psychotisch decompenseert wanneer hij weer in detentie in Polen zal komen. In zo'n situatie zal een opname in een psychiatrisch ziekenhuis geïndiceerd zijn. (...)"

2.14. Bij brief van 4 oktober 2010 heeft de officier van justitie te Amsterdam de Poolse autoriteiten nogmaals om nadere garanties gevraagd. De brief luidt als volgt, voor zover relevant:

"(...) Within the legal proceedings against his actual surrender to your authorities, a medical report has been formulated concerning mr. [eiser] mental condition. Attached to this letter you will find a copy of the report with a Polish translation, in which you can read the conclusion which has been drawn by the psychiatrist.

(...)

We are aware that in your letter of 9 June 2010 you have already declared that mr. [eiser] will be diagnosed by Polish psychiatric doctors after his surrender to Poland. Furthermore you have declared that, in case the treatment of mr. [eiser] by the medical service of the concerned prison does not bring expected results, that the prison administration shall ask the Court to grant an intermission of the sentence.

However, taking into account the risks as mentioned in the psychiatric report, we consider it necessary that mr. [eiser] will be counselled personally from the moment he will be surrendered to your authorities, up until the moment of psychiatric evaluation in Poland. Furthermore, it needs to be clear beforehand if mr. [eiser] can be placed in a hospital with a ward as mentioned above or in a similar institution.

Can you please inform me if you can offer such an environment with the mentioned counselling and the other facilities, as considered necessary by the psychiatrist?

(...)"

2.15. Bij brief van 7 oktober 2010 hebben de Poolse autoriteiten het navolgende geantwoord, voor zover relevant:

"(...) I inform you kindly that after having been surrendered from Netherlands to Poland in order to serve the validly sentenced penalty of imprisonment, the convict [eiser] shall be admitted directly and immediately to Mental Hospital in the Remand Centre located in [Z.].

He shall be examined by psychiatrists in the said hospital from the point of view of assessment of the eligibility of serving te penalty of imprisonment by him and indications as to his further mental treatment.

Depending on medical examination results, the convict shall be treated by the prison medical service or intermission of the sentence shall be granted to the convict.

(...)"

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert - na wijziging van eis - primair dat de Staat wordt verboden [eiser] over te leveren aan Polen en subsidiair dat de overlevering wordt uitgesteld.

3.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

De door de rechtbank bij vonnis van 6 februari 2009 gelaste overlevering dient te worden verboden dan wel te worden uitgesteld, nu de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. De Staat handelt onrechtmatig omdat de officier heeft geweigerd zich aan te sluiten bij het verzoek van [eiser] aan de procureur-generaal van de Hoge Raad tot het instellen van cassatie in het belang der wet, verder omdat de officier van justitie heeft geweigerd in overleg te treden met de Poolse autoriteiten omtrent een alternatief traject voor overlevering, zodat [eiser] de straf in Nederland kan uitzitten, en voorts omdat de officier van justitie geen oog heeft voor de voortschrijdende rechtsontwikkeling ten gunste van [eiser] in de zaak [X.] en ten slotte omdat de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 35 lid 3 Olw, weigert de overlevering uit te stellen.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Nu bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2009 de overlevering van [eiser] toelaatbaar is verklaard, dient Legier op grond van de Overleverinsgwet (Olw)in beginsel zo spoedig mogelijk feitelijk te worden overgeleverd aan Polen.

4.2. Vervolgens komt aan de orde de vraag of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld op grond waarvan de overlevering dient te worden verboden c.q. uitgesteld.

Nu de procureur-generaal bij brief van 9 oktober 2009 heeft aangegeven dat hij het verzoek van [eiser] tot het indienen van een vordering tot cassatie in het belang der wet afwijst op grond van de uitkomsten van het arrest [X.], is daarmee het belang van [eiser] dat de officier van justitie zich aansluit bij zijn verzoek aan de procureur-generaal als hiervoor omschreven komen te vervallen. In zoverre kan reeds om die reden niet worden vastgesteld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld op dit punt.

4.3. Evenmin kan slagen het betoog van [eiser] dat de officier van justitie ten onrechte geen acht heeft geslagen op de voortschrijdende rechtsontwikkeling ten gunste van [eiser], blijkend uit de uitspraak van het Europese Hof van Justitie naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam in de zaak [X.]. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende. In de zaak [X.] was onder meer aan de orde - kort gezegd - welk onderscheid Nederland met het oog op overlevering mag maken tussen personen met de Nederlandse nationaliteit en personen met de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie. Uit de beantwoording van die prejudiciële vragen door het Hof van Justitie blijkt dat de administratieve eis van een verblijfsdocument niet als voorwaarde voor de toepasselijkheid van artikel 6 lid 5 Olw mag worden gesteld. Echter, het door Nederland gehanteerde materiële vereiste om aanspraak te kunnen maken op een dergelijk document, te weten een ononderbroken periode van tenminste vijf jaar regelmatig verblijf in Nederland, is niet in strijd geacht met het EU-recht, in het bijzonder artikel 12 EG. Het toetsingsmoment van deze vijfjaartermijn wordt gesteld op vijf jaar teruggerekend vanaf de (definitieve) uitspraak van de rechtbank in de overleveringszaak, in dit geval 6 februari 2009. Nu niet in geschil is dat [eiser] op 6 februari 2009 korter dan vijf jaar in Nederland heeft verbleven en om die reden niet aan de materiële vereisten voor een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd voldoet, mist artikel 6 lid 5 Olw om die reden al toepassing. Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat aan het hanteren van deze termijn voorbij kan worden gegaan in verband met zijn persoonlijke omstandigheden, en dat hij uit dien hoofde toch in aanmerking voor een dubbele Wotsgarantie dient te komen, kan dit betoog op grond van het vorenoverwogene dan ook niet slagen. Dit leidt ertoe dat het niet aannemelijk is te achten dat, indien de rechtbank Amsterdam op 6 februari 2009 bekend was geweest met de wijze waarop het Hof van Justitie van de EG in de zaak [X.] de prejudiciële vragen heeft beantwoord, dit er toe had geleid dat [eiser] in aanmerking zou zijn gekomen voor een dubbele Wots-garantie ingevolge artikel 6 lid 1 juncto lid 5 Olw.

4.4. Voorts heeft de Staat onweersproken betoogd dat er geen alternatieve trajecten zijn op grond waarvan [eiser] de aan hem opgelegde straf in Nederland zou kunnen ondergaan, nu er voor die tenuitvoerlegging de vereiste verdragsbasis ontbreekt, en de onderhavige overlevering derhalve de enige manier is om straffeloosheid te voorkomen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel, dat de Staat, anders dan [eiser] meent, evenmin onrechtmatig heeft gehandeld door niet met de Poolse autoriteiten te overleggen over een alternatief traject.

4.5. Vervolgens komt aan de orde de vraag of de overlevering achterwege moet blijven wegens ernstige humanitaire overwegingen, ex artikel 35 lid 3 Olw. Artikel 35 lid 3 Olw strekt tot uitvoering van artikel 23 van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie (hierna: het Kaderbesluit) betreffende het EAB en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 13 januari 2002. Artikel 23 van het Kaderbesluit bepaalt dat de wijze van overlevering bij wijze van uitzondering tijdelijk kan worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. Feitelijke overlevering kan op de voet van artikel 35 lid 3 Olw bij wijze van uitzondering achterwege blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen. Uit de tekst van deze bepaling die in lijn is te achten met het Kaderbesluit, en de bedoeling van de wetgever vloeit voort dat om ernstige humanitaire redenen feitelijke overlevering uitgesteld kan worden maar niet dat overlevering geweigerd kan worden. De primaire vordering van [eiser] ziet op een algeheel verbod om hem feitelijk over te leveren en dient aldus te worden afgewezen.

4.6. Ter beoordeling staat vervolgens de subsidiaire vordering, namelijk of de overlevering voorlopig uitgesteld dient te worden. In dit verband is - kort gezegd - aan de orde of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat in geval van [eiser] geen sprake is van humanitaire redenen in de zin van artikel 35 lid 3 Olw, die (voorlopig) aan zijn feitelijke overlevering in de weg staan. Vooropgesteld wordt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige humanitaire redenen in voormelde zin, de officier van justitie een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, hetgeen meebrengt dat zijn oordeel in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst.

4.7. Uit de door partijen overgelegde rapportages van Smoktunowicz, Degen, Fassaert en Sikkens blijkt dat [eiser] aan een psychiatrische stoornis lijdt maar dat hij thans in een redelijk stabiel evenwicht verkeert en goed is ingesteld op de medicatie. Wel dient hij, zo blijkt verder, in detentie vergelijkbare zorg te hebben, in die zin dat hij adequate medische zorg en psychiatrische begeleiding dient te krijgen. Gezien de specifieke stressvole omstandigheden is er dan nog altijd de gerede kans dat [eiser] decompenseert. Echter, met de Staat is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat dit niet aan overlevering in de weg kan staan. De Poolse autoriteiten hebben immers uitdrukkelijk en herhaaldelijk, laatstelijk op 7 oktober 2010 (rechtsoverweging 2.15), gegarandeerd dat zij [eiser] de benodigde psychiatrische zorg kunnen en zullen bieden. Bij het innemen van dit standpunt hebben zij zich, blijkens hun brief, gebaseerd op de psychiatrische rapportages aangaande [eiser]. De Poolse autoriteiten hebben toegezegd dat [eiser] direct na overlevering zal worden opgenomen in het psychiatrische ziekenhuis. Aldaar zal hij worden gediagnosticeerd door een psychiater en worden behandeld door de medische dienst en zo nodig worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Voorts hebben de Poolse autoriteiten gegarandeerd dat, indien mocht blijken dat [eiser] detentieongeschikt is, hij zijn straf niet zal hoeven ondergaan. Niet is gebleken dat de verstrekte garanties niet zullen worden nageleefd en aangenomen moet worden dat de medische psychiatrische zorg in Polen, ook in detentie, even goed is als in Nederland en dat de klachten van [eiser], ook in geval van eventuele decompensatie, even goed in Polen als in Nederland kunnen worden behandeld. Het tegendeel is in ieder geval niet gebleken.

4.8. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.079,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2010.

ib